49 – De Vlek

 

de vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had steeds het gevoel van vuil te zijn, te stinken een donkere vlek te zijn voor de anderen.
Moeder en ook vader wezen hem daar regelmatig op.
Ze zegden regelmatig dat hij kwalijk rook – Sammy stonk!
Het klonk bezorgd, werd op een bekommerde toon gegeven, als een raadgeving, iets waar een ouder een kind op diende te wijzen opdat het mer zorg voor zichzelf zou dragen.
Maar eigenlijk was het een verwijt.

Er was een donkere reden waarom Sammy’s moeder dat steeds deed.
Terwijl vader hem ontmoedigde door cynische spot. Die eigenlijk de schijn had van aan te porren: op te roepen tot het beter te doen. mer te presteren.

Maar eigenlijk was het niet dat, het was ontmoedigen zodat Sammy zou opgeven.

Sammy vond dit niet vreemd.
Hij geloofde werkelijk dat ze het goed met hem meenden, en dat hij inderdaad stonk en voor niets deugde en dat zijn ouders het bij het rechte eind hadden – dat hij voor niets deugde en voor alles zijn ouders nodig had.
Die spanden zich immers voortdurend voor hem in, die ondersteunden hem, of beter – zij droegen hem voortdurend als last.

Later nestelden deze stemmen van vader en moeder zich in zijn binnenste.

Hij droeg ze voortdurend met zich mee en ze bleven steeds op die zelfde toon tot hem spreken.

Advertenties

48 – De Vlek en het Meisje

De Vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden angst voor woorden angst voor de anderen.
Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek moest mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek naar de beelden op de tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden en die zijn gedachten na enkele minuten lieten afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe dat anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie. Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield. en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, de diepe donkere rustige ogen.
Haar bleek gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje dat koelde in de waterpunt.
De geluiden van krekels van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar strek vasthouden.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

47d – De brief van Iris

Beste volgers,

Iris is nog steeds niet terug.

Ze reist door een Oosters land om te mediteren.

Gisteren ontvingen we een lange brief van Iris Nachtegaal  – (Ze weigert nog steeds pertinent om ieder elektronische apparaat te gebruiken – wegens de ongezonde straling – beweert zij)

– Zij schrijft dat het met haar bijzonder goed gaat.

Ze is in de leer is bij een Meester. Het zou eerder een “goeroe” – een geestelijke leermeester- zijn.

Tijdens één van haar meditatie oefeningen verscheen plots het beeld van Sammy aan haar.
Hier is wat zij daarover schreef:

 

Ik probeerde mij te concentreren op al wat ik hoorde, tijdens die meditatie.

Mijn aandacht ging naar de stemmen in de tuin, het gefluit van de vogels, het ruisen van de wind.

Plotseling verscheen het beeld van Sammy aan mij. Ik stelde mij voor dat hij het was die luisterde, en die zich dieper en dieper probeerde te concentreren.

Dan verscheen het beeld van Victor, zijn vader. Sammy zag het beeld van zijn vader scherper dan zijneigen afbeelding, die vaag bleef als een reflectie over het water.
Dan hoorde ik het ruisen van een snelle stroom die hoog vanuit de bergen door het dal kliefde, en krachtig langs rotsen schuurde.

De beelden van Sammy en zijn vader vloeiden toen in elkaar, en alles werd rivier, en alles werd streven en stromen en vloeien.

Alles stroomde samen naar één doel, naar één verlangen, één lijden, en alles werd één rivier.
Ik hoorde een stem die vol van verlangen klonk, vol brandende pijn, vol van onlesbaar streven. Ik zag Sammy langs oever van de stroom rennen, immer haastiger volgde hij het klaterende water.
Deze rivier bestond uit hem en de zijnen en uit alle mensen die hij ooit had gekend, zoals de spoedende golven van het water haastten Sammy zich, lijdend, turend naar de verte, naar daar waar de stroom zou uitmonden – een waterval, een meer, de zeeën, en alle einddoelen die hij wou bereiken, zouden daar in vervulling gaan, als hij maar steeds deze zelfde rivier bleef volgen, deze stroom die steeds meer zwol door andere rivieren die zich in haar stortten.
Damp en mist stegen uit het water, oprijzend als stoom uit een geiser en hoog in de lucht, werd regen en dwarrelde uit de hemel neer, werd lente, werd weer stroom, kliefde weer door de rotsen, meanderde door vlakten, stroomde uit in zee, werd regen, werd weer rivier, streefde opnieuw, stroomde opnieuw.
Maar de stem die ik steeds hoorde begon te veranderen.
Ze klonk nog, maar klagend, zoekend, … Steeds meer andere stemmen voegden zich bij haar – stemmen van vreugde en verdriet – goede en slechte stemmen, lachende en rouwende – honderd stemmen, duizend stemmen.

Sammy luisterde.

Hij bleef staan en hield de adem in, sloot de ogen en luisterde scherp.
Verdiept, volledig leeg, volledig opgenomen, voelde hij dat hij NU was en STILTE.
Het was de rivier die nu sprak – het geklater werd het geroezemoes van duizenden en nog duizenden stemmen die in hem huisden.
Maar nu, voor de eerste maal in zijn leven, zag hij alles helder en nieuw.
Hij begon de vele stemmen van elkaar te kunnen onderscheiden – de gelukkigen van de huilenden, de kinderen van de volwassen, de mannen van de vrouwen. Allemaal hoorden ze bij elkaar, de klaagzang van verlangen en het gelach, de schreeuw van woede en het gekreun van de stervenden, alles was één, allen werden met elkander verbonden, verweven en duizendvoudig verstrengeld.
En daar te midden hoorde hij thans zijn eigen stem, die hij nu duidelijk kon onderscheiden van die van zijn vader.

Even zag hij zich als kind aan de hand van zijn vader een groot helder gebouw binnen stappen, een tempel waar het licht als uit de muren straalde, onder de koepel van een blauwe klare hemel.
Daar hoog op die lichtende berg konden zij samen deze rivier overzien, met alle stemmen, alle doelen die mensen zich stellen, alle verlangens, alle lijden, alle deugt, alle goed en kwaad, dat alles samen was de wereld die ze aanschouwden.
Zo bruiste de stroom van gebeurtenissen, de muziek van het leven.

Vader glimlachte naar hem. Liet langzaam Sammy’s hand los, en wandelde dan de heuvel af, steeds verder naar de rivier toe – waar hij werd opgenomen in een witte mist.
Sammy bleef aandachtig luisteren – nu hoorde hij duizenden liedjes uit het geruis opstijgen.
Zijn ziel hoefde zich niet meer te binden aan de stem van zijn vader of aan andere stemmen.
Hij was nu helemaal ondergedompeld in zijn zelf – Hij ervoer zich gelijk één met het geheel, een stem tussen alle stemmen van alle mensen die er ooit waren geweest – het lied groeide aan en aan, groeide uit tot een polyfonie van duizenden liederen, in duizend talen, groeide nu grommend uit tot het geweldige lied van de duizend stemmen dat een enkel woord werd en uit het ruisen van de stroom steeg nu één klank, één zindering – “AUM” : de voltooiing.

 

Tot volgende week!

 

Anker Tong

47c – Afwezig

Beste volgers,

We moeten onze berichtgeving even onderbreken.

Iris is met vakantie, en de examenperiode voor mijn kinderen is aangebroken.

We hebben het hier even te druk om het verhaal van Sammy uit te spinnen.

Even geduld,

Anker Tong

47b – geen melk vandaag

Beste volgers,

We moeten onze berichtgeving even onderbreken.

Iris is met vakantie, en voor de kinderen is zijn de eindtoetsen zijn begonnen.

We hebben het hier nu even te druk om het verhaal van Sammy uit te spinnen.

Even geduld,

Anker Tong

47 – Omgekeerd Blozen

 

Het Meisje

door Iris Nachtegaal

 

Sammy woonde op loopafstand van de school.
Die lag aan de andere kant van het driehoekige huizenblok.
Links of rechts – wat is de kortste weg?.
Iedere straat was een andere belevenis een ander lot.
Een ander gevoel om mee naar school te stappen.
De officiële heldere weg, langs de straat van de opkomende en ondergaande zon.
De bloeiende Japanse kerselaars in het late septemberlicht.
Of de donkere weg, onder de schaduwen van hoge huizen, langs de achterstraat.
Twee wegen die naar hetzelfde leiden. Naar dezelfde school.

Even een wisselend van het lot.

Op een dag sprong er een meisje recht voor zijn voeten.
Zij had in huis een aanloop genomen en sprong uit de deuropening precies op dat moment waarop Sammy langs kwam.
Ze keek hem aan en bloosde.

Sammy vergat haar nooit.

Telkens wanneer hij haar huis naderde verwachtte hij haar.
Langs haar huis lopen werd een avontuur.
Zou de deur weer opengaan?
Is zij het die ginds ver loopt? Of daar over het plein?
Wanneer hij haar zag dan verkrampte heel zijn lichaam en zijn ademhaling werd kort en snel, en iedere vrije beweging werd hem onmogelijk.

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden, angst voor woorden, angst voor anderen.

Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek kwam mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden – die zijn gedachten na enkele seconden reeds deden afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.

naar hun eerste echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou dan direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe het anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie.

Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield, dingen waarover hij het met niemand kon hebben, die duizenden verhalen die in hem dwarrelden  – en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken, met kracht klinken, wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, haar diepe donkere rustige ogen.
Haar bleke gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van het gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje vruchtensap dat koel bleef in een waterpunt.
De geluiden van krekels en van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar zacht tegen zich aandrukken.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

Maar die eerste kus kwam er nooit.
Dat verlangde woord kwam nooit – nooit die aanraking.

Het bleef bij enkele ontvluchte blikken.
Het meisje passeerde hem en hij keek haar na.
Bijna dag na dag.

Hij zorgde er voor op een straathoek bij de school te wachten vanwaar hij haar kon zien.
Meestal waren er ook nog enkele jongens die daar bij hem bleven wachten op het moment waarop de schoolpoort zou opengaan.
De prefect stapte langs: “Waarom wachten jullie hier wanneer de schoolpoort daar is!” zei hij, naar het hek wijzend.

Sammy besefte dat voor alles een uitleg diende te worden gegeven aan volwassenen.
Dat er geen vorm van vrijheid bestond, ook niet een subtiele onschuldige.
Je diende steeds in de pas te lopen.

Stijf in het stramien te staan.

Lopen werd een sportprestatie.

Gaan werd marcheren.

Een spel diende volgens de regels te worden gespeeld.

Je aanwezigheid diende verantwoord te worden.

Zij passeerde – hij keek.
Zij keek weg, of keek zij hem even aan?
Zij wist dat zij bekeken werd.

Maar op een keer stak ze de straat over.
Zij passeerde hem vlakbij en keek hem aan.
Bijna uitdagend, of vragend.
Hij wist het zeker dat ze ook van hem hield.
Maar hij keek weg, of grijnsde?
Zij ging voorbij en scheen binnensmonds te zuchten – misschien te vloeken?

Hij kon niet.
Hij kon dat niet wat hij het sterkste verlangde.

Het was Sammy onmogelijk om maar één eenvoudig woord of een vriendelijke groet te richten aan die ene persoon die hij zo graag zag.
Die ene persoon waar al zijn gedachten naar gericht waren van af het moment waarop hij ontwaakte.
want iedere morgen was zij zijn eerste gedachte: zij! zij! zij!

Het moment waarop hij haar verwachtte werd alles boeiend – kreeg de wereld  haar kleuren terug. Werd zijn bestaan opnieuw spannend.
Maar nooit kon hij om de ijzeren macht heen die hem telkens weerhield.

Hij had geen stem, geen woorden.
Er bestonden geen woorden.
Er was niets in hem, dat hem kon doen beseffen, dat hij iemand kon zijn voor iemand anders.

Hij was een omhulsel waarvan hij zelf de inhoud niet kende.
Een inhoud die niemand ooit had gezien, of die verborgen diende te worden.
Die nietig en vuil en onbenullig was.
Een wezen dat het recht niet had om te leven of te ademen.

Hij kon zich voordoen, hij kon zich een schijn geven.
Hij kon even een rol spelen, zoals een acteur dat had gekund.
Zijn gelaat in een grimas vertrekken.

Zoals zijn ouders hem voortdurend bestempelden – een sukkel, iemand waar niemand iets in kon zien – die arm, angstig en zielig was, steeds op mislukkingen afstevende, die steeds laf wegvluchtte,

 

vader en moeder:

“Wat zal je zijn zonder ons?”

“Wat zal je in de wereld gaan doen zonder ons?”

“Wat zal je gaan doen wanneer wij er niet meer zijn?”

 

Het was alsof Sammy zich niet van het vuil kon ontdoen dat zijn poriën doordrong.
Hij voelde zich smerig zweterig en stinkend.
Een schande voor zo’n reus van een vader, en een zorgende moeder.

Het was allemaal zijn schuld!

 

“Neen… deze keer komt zij niet meer naar hem toe.
zij komt naar de deur die vlak bij hem opengaat en ze wil naar binnen, maar even lijkt het of ze wel naar hem komt en of dat…

Hij kijkt nu strak voor zich uit.
Tegelijk zichzelf vervloekend, maar er komt niet één woord.
Zelfs geen vriendelijke blik.
Zijn geest is verlamd.
Hij is de afwezige aanwezige.
Hij is nergens. Hier niet, nergens.

Hij is een wolk,
Een hark,

Een vogelschrik stram in de wind.
Zo iemand wil niemand bij zich.
Zeker geen vrouw niet of een meisje!”

Hij wil enkel nog kijken, niet zijn, niet spreken, dit zwevende wezen…”

Sammy kon haar nooit vergeten.
Tijdens het naar huis lopen kon hij niet anders dan aan haar denken.
En hoe hij uit zijn geslotenheid kon losbreken.
Dat hij weer tegen die muur opbotste die als een lomp obstakel in hem was opgetrokken.
Vastzitten.
Blockage.
Dat zijn stembanden waren uit zijn keel verdwenen.
Dat zijn mimiek was verstard.

Dat hij niet in staat was, en dat niet in staat kon zijn.

Misschien had zij iets willen zeggen of vragen (was dat haast gebeurt?) dan had hij stram, misschien wel kortaf geweest geweest. Kil afstandelijk – Het omgekeerde blozen.
In gebreke blijven, zelfverwijt, onzekerheid, zich slecht wanen,
Zichzelf als fout.
als vlek, iets vettig dat door anderen slechts geduld werd.

Iets dat steeds maar verbeterd diende te worden of opgeruimd!

Wanneer het zweeg en zich gedroeg als een schaduw.
Zijn eigen stroeve schaduw die hij ooit kon ontkomen.

46 – Juichende meisjes

 

Juichende meisjes

door Iris Nachtegaal

Trein met juichende meisjes
Sammy fietst alleen langs de meters hoge spoorberm.
Hij voelt zich stoer want hij heeft zijn zwarte anorak aan.
Boom na boom na boom ritmeert de weg met naakte takken.

De aanhef van een groeiend grommelend geluid wordt een naderende trein hoog boven op de berm naast hem.
Drie meisjes van zijn leeftijd leunen uit het raam, en waaien naar hem slaken kreten en juichten.
Sammy stopt plots, zwaait toch even terug.
Kan niet geloven.

Lacht.

Erkend worden, gezien, geapprecieerd.
Voelt zich even bestaan.
Eén enkel ogenblik.
Hij glimlacht nu, ademt dieper.
De meisjes wuiven tot de trein uit zijn gezicht verdwijnt.

Hij lacht en wuift terug.

45 – de schrijvers

Sammy

door Iris Nachtegaal & Anker Tong

Ik heb mij door Anker laten overhalen.
Ik zal met dit blog voorlopig blijven verder doen

Maar ik heb ook mijn voorwaarden gesteld!
Ik draag dit niet meer alléén!
Vanaf nu moet Anker Tong actief deelnemen aan de verwerking van deze teksten!
Het volgende is dus door ons samen tot stand gekomen:

Er is nog een lange weg te gaan voordat we Sammy goed zullen kunnen begrijpen – voordat we zijn levensverhaal toegankelijk genoeg hebben gemaakt.

Laten wij even vooruitlopen en enkele teksten tonen die hij later, aan het eind van zijn leven, heeft geschreven.

Heel dat verhaal van zijn jeugd, waarvan ik jullie fragmenten heb gebracht, werd gedistilleerd uit een hele reeks tekstjes, allemaal met de hand geschreven op ruitjespapier uit verschillende scheur-schriftjes .

Sammy zal tot op volwassen leeftijd blijven schrijven, en hier is wat hij daarvan zegt:
(Anker en ik hebben zijn woorden vrij bijgewerkt, en zijn onmogelijke zinsbouw hier en daar wat bijgestuurd.  Wat onleesbaar was, hebben wij in onze eigen woorden aangevuld, wat hier volgt is een vrije bewerking):

“Mijn moeilijkste opgave is tot een leefbare formulering te komen van hoe mijn jeugd geweest is.

Van wat er zich precies heeft afgespeeld en hoe dat het verder verloop van mijn leven kon hebben bepaald.
Er blijven zovele lacunes waar ik nooit enig vat op schijn te kunnen krijgen

Er is nog zo veel dat ik nooit tot een bevattelijk verhaal heb kunnen weven.
Iets in een bevrijdende vorm gieten, dat is wat ik eindelijk zou willen bereiken! Mijn verleden voor mij leefbaar maken door er een sluitend verhaal.
Het te vertalen.
Ten einde vrede te vinden in mezelf en met de anderen.

Ieder verhaal staat tegenover andere verhalen.
Ieder mens wordt kenbaar voor zichzelf door en voor de anderen.
Eenieder is, hoe hij zichzelf beleeft en hoe hij beleefd wordt door de andere.
Hoe de andere zijn bestaan spiegelt.

Bestaat ons leven op zichzelf –  als orde van symbolen, weefsel van discours?
Of bestaat er een groot overzichtelijk Plan?
Een goddelijk oog, een kosmisch archief waar alles zijn plaats in krijgt?
Of is de wereld enkel een uitdijen van chaos in tijd?

Doe ik er wel goed aan om dit allemaal om te woelen?
Met al die kwaadheid en twijfel die daarbij opsteekt?
Zal die houdbaar blijven?
Of zal die mij razend maken op mensen die nu te oud en te zwak zijn om nog  confrontatie aan te kunnen?
Of die er nu niet meer zijn…
Of was het toch allemaal mijn eigen domme fout, mijn eigen koppige zin, mijn  kleinmenselijkheid?

Een wederwoord verwacht ik niet.
Maar het kind in mij hoopt nog steeds op een finaal antwoord.

Of misschien een eerlijke schuldbekentenis.
Dat zou voor mij het leven makkelijker maken.
Een bevestiging van wat ik vermeen zou vergiffenis schenken lichter maken.

Vergiffenis schenken is één aspect – mogelijke uitwegen te zien zijn er andere – Zowel voor de toekomst als voor het verleden
Mogelijkheden, die het verschil kunnen maken.

Je zou het ook zo kunnen formuleren:
Wat zou je aan een jongeling behoren te zeggen die vandaag in een gelijkaardige situatie zou opgroeien?
Aan het kind in kindertaal, of aan de ouders, of familie?
Waar langs vindt de jonge mens zijn weg uit dit doolhof?
Van wie kan die bevestiging krijgen van het misbruik?

– Dat werkelijk is en geen hersenspinsels?
En hoe komt dat aan het licht?
“Och, Vergeet het Sammy, laat het allemaal maar rusten, och die mensen, ze hadden ook hun problemen. Je had goede ouders. Je hebt er zoveel aan te danken, wees ze liever wat indachtig en wees vriendelijk en goed voor ze voor zo lang ze er nog zijn.
Lat zien dat je van hen houdt en om hem geeft, daar zal je later nooit spijt over hoeven te hebben – Wanneer je hen pijn hebt gedaan, dan zal dat nog lang aan je blijven knagen.

Dat waren die dingen waar Sammy voortdurend mee worstelde.
Sammy wilde de tijd en ruimte krijgen die nodig was om zich uit te spreken en te vertellen wat in hem allemaal wrong.
Hij wilde dat voor eens en voor altijd gezegd krijgen zonder in rede gevallen te worden door stemmen die hem tegenspraken…
Dat “uitspreken” is schrijven geworden.

Hij dacht:

“Ik blijf deze zoektocht naar mezelf.
Een zoeken dat naar herkenning vraagt, en naar wie ik was, en ben.
een zoeken naar innerlijke vrede.”

 

Hij wilde het schrijven nuttig maken, hem laten dienen.
Maar deed hij dat enkel als therapie of was het ook gericht naar iemand anders?

Hij schreef:

 

“Ik heb angst om dat allemaal alléén te doen.
Iemand zou beter toekijken en luisteren.
Om te zien dat het niet te gevaarlijk wordt.

Dat ik niet verstrikt geraak.

Of terug wegzak in depressie of onbedwingbaar ingekapseld geraak door eenzaamheid en afzondering.
Of dat het geen spel wordt waarbij ik de schuld aan alles en iedereen wil verwijten zonder mezelf in vraag te stellen?
Ik wil een eerlijk proces krijgen!
Ik wil mezelf een eerlijk verdikt kunnen geven!
Een eerlijke verdeling die de lasten legt bij de omgeving maar ook bij mij zelf.

Misschien laat ik dit ooit nog aan mijn beste vrienden lezen  -en ik weet zelfs niet of dat wel goed is…
Waar voor dat dienen zou en wat het bij hen teweeg zou brengen.
Of betekent dit allemaal niets?
Het gevecht van twijfel en spoken.

Dit dolen door eindeloze tunnels van grijzer wordend licht.

Maar ik heb ook geleerd dat er momenten kunnen zijn waarop je alles kan afwerpen, waarop iets je kan raken en gelukkig maken, iets dat je innig bij anderen kan betrekken.

Iets waardoor maskers breken.
Iets fijns en kwetsbaars, dat zindert tot in je diepste vezels.
Iets dat je ontwapent en kwetsbaar maakt.

Bestaat leven uit streven naar meer?
Ligt alles in ons aards eindig tijdsverloop vervat?
Wanneer niets nog in eeuwigheid gedacht kan worden?
Moeten we genietend consumeren?

Ons bevrijden uit die smalle pijp van ons dagelijkse zijn?

Willen we altijd meer en beter en bevrijd worden van alle pijn?

Leven is pijn lijden.

Er is geen ander.
Pijn lijden is de kracht om gewaar te worden, te voelen.
De kracht van om te willen te zijn – willen leven en blijven leven.

De kracht om op een wonder te hopen, de -kracht om zelfs te zijn zonder enige hoop.

Zijn en ademhalen.
De kracht om pijn te kunnen lijden.

Verdwijnen zonder maar iets te hebben nagelaten.
gelaten zijn in het besef – Mijn bestaan is onnuttig geweest, voor mezelf en voor de anderen.

44 – Iris’ twijfel

Ik heb jullie verleden week geen post nagelaten omdat ik dit niet meer aan kan. Ik heb niet de moed meer om over Sammy te vertellen.

In deze teksten ontdek ik een kind dat volledig in zichzelf verzonken is – (ik beef terwijl ik dit schrijf.)

Dit kind had nooit de kans, noch de mogelijkheid, om met iemand delen wat er in hem omging.
Iedereen bleef buiten zijn bereik.
Waar waren zijn ouders heel die tijd?
Wie waren zij?
Welke rol speelden zij?
Voor hen was Sammy blijkbaar verder weg dan wanneer hij op het verste eiland van de wereld ware geweest.

Ik begrijp nauwelijks dat niemand dit heeft gezien!
Iedereen die daar bewust van getuigen zou hebben geweest, zou gehuiverd hebben!
Maar niemand schonk aan dat kind blijkbaar de nodige aandacht.
Deze jongen beleefde zijn jeugd als een beeld of een pop, vreemd en stijf.

Ik weet echt niet hoe het hier verder moet!
Ik heb aan Anker gevraagd om deze zaak te laten rusten.
Hij heeft daar wel begrip voor – maar aan de ander kant weet ik dat Anker een man is die niet opgeeft en de kunst kent om mensen te overhalen.
(Indien jullie hem zouden kennen, dan zouden jullie direct begrijpen wat ik hiermee bedoel…)

Ook door jullie talrijke reacties, die Anker hier voor mij heeft uitgetikt, hebben mij zwaar getroffen.

Ik weet echt niet of ik dit nog aankan.
En daarom vraag ik jullie de tijd die mij nodig is om al deze emoties te kunnen verwerken.

veel liefs,
Iris Nachtegaal