51 – De Race

Luc

Door Iris Nachtegaal

 

Luc werd Sammy’s vriend.
Hij was een jongen die uit Afrika over gekomen was en hier niemand kende.
Luc en Sammy gingen ieder weekeinde naar de film.
Een film over race wagens en het ruwe rijden door onbebouwde wegen.
Het was zonnig weer en kermis.
Na de film gingen ze daar naartoe.

Een circuit van snelle autootjes om te racen.
Rammele, gammele raceautootjes door een dikke rubberen band omspannen zoals autoscooters, jongensachtig brutaal zoals het hoorde!  luidruchtig, metaal en staal en een ruw metalen knop als gaspedaal, rammelend over de houten planken in een 8-vorm achternagezeten door de andere rijders …

Maar het liep verkeerd.

Of draaide Sammy de bocht te kort af, of reed een andere op hem in?

Raakte zijn arm in het stuurwiel dat omsloeg door de klap?

Een heftige pijn in zijn arm.

Sammy stapte uit het karretje, alles zinderde duizelde als duizenden bijen in zijn hoofd, brandend pijn in zijn arm, die hij zich als een roodgloeiend licht voorstelde  die hij omhoog hield,

Alles stopte, duizelde, mensen keken, bleven staan,
Sammy leunde tegen een boom en de mensen kwamen om hem heen staan, en zagen hoe bleek hij was, dat er iets scheelde, hij duizelde weg, vroeg om hulp..

“He Sammy je uurwerk!” hoorde hij Luc roepen “het is stuk”

Het volk dat in een kring om Sammy stond, keek, maar reageerden niet. Alsof de bleke lijdende jongen, ruggelings tegen deze boom ineengezakt, een deel uitmaakte van het kermis spektakel.

Advertenties

33 e – Het Buurmeisje

Viviane

Door Iris Nachtegaal

-Vi-iviane-komjespeelen!

Sammy riep het over de tuinmuur.

Hij had er een liedje van gemaakt. Viviaaaan ( uitgerekt komje (kort) speeeeleeeen (uitgerekt).
Soms kwam Viviane het buurmeisje.
Soms ging Sammy bij de buren.
Tenzij wanneer er een hond was.
-Als de hond er is ga ik direct terug – had hij met zichzelf afgesproken terwijl hij aan het plassen was en naar de jachtbak had gekeken waar een eenhoorn op stond afgebeeld en de woorden “Sans Pareil”.
En zo deed hij ook, zonder veel commentaar.
Maar nu kwam Viviane.
Sammy gaf haar een zoentje op de wang.
Zij protesteerde heftig.

-Tu doit faire semblent!- riep ze.
Je mocht slechts doen alsof je kuste.
Ook dat maakte deel uit van het spel.
Er werd gespeeld in het hok.
Vader en moedertje, huishouden met broertje als het kleine kind.
Toen haar rokje opvloog voelde Sammy iets dat hij kende en dat hij steeds vergat omdat het zo zeldzaam was – Hij kreeg een stijf piemeltje, en het gloeiend bijzondere gevoel dat daarmee gepaard ging en dat hij nergens kon thuisbrengen.
Het was bij het bad.
Niet van baden, maar het al oude bad dat in het hok stond waar ze inkroop zodat haar rokje plots tot haar lipje zichtbaar werden haar blote beentjes.
Dat was een bijzonder gevoel dat in een vlaag van gloed over hem ging maar ook meteen daarna verdween.
Soms werd er rond het gespeelde huis diepe putten bedacht. Plaatsen in de tuin waar je niet mocht komen, waar je in de diepte zou wegzinken.
Je moest mooi over het niet bestaande brugje het huis (hok) binnengaan, anders was je voor de eeuwigheid in het spel verloren.
Sammy kon gemakkelijk in een spel opgaan.
Alles leefde.
Alles werd begeesterd.

32d – De Hond met de Zwarte Kop

De Hond

Door Iris nachtegaal

Sammy reed met zijn fietsje langs de overkant toen een deur op een kier ging. Een man liet een hond vrij uit.

Een grote hond met een zwarte kop, een dalmatiër die Sammy blaffend achterna liep.

De veilige thuishaven lag een de overkant dus fietste Sammy snel de straat over zonder nog te durven omkijken.

Een auto stopte met knarsende remmen.

De chauffeur was daarna niet meer in staat om verder te rijden.
De geburen boden hem een glas water aan.
Hij had een voorgevoel, daardoor was hij trager gaan rijden.

De dalmatiër met de zwarte kop werd nadien nooit meer in de straat gezien.

32C – Het Blauwe Gevaar

Madam Lauwers

Door Iris Nachtegaal

Madam Lauwers- fel blauw mantelpak, gouden ringen, oorringen en in de mondhoek een gouden tand, die niet zichtbaar werd wanneer ze lachte maar wanneer ze grijnsde.
Madam Lauwers lachte nooit.

Zij luisterde met gesperde ogen naar wat grootmoeder zei.
Zij zweeg met een kramp om haar mond.
Sammy voelde dat ze luisterde met een bedoeling.

Iemand die op die manier luistert is gevaarlijk wanneer je vrijuit spreekt.

Maar grootmoeder zag dat niet.
Ze praatte lustig door. En het blauwe gevaar ging met de strakke blik de deur uit.

De week daarop – zoals iedere iedere week- kwam ze aanbellen. Maar oma liet haar niet meer binnen.
-…dat ze niet meer moest komen,
– En ik die dacht hier met vriendelijke mensen te doen te hebben!
kon Sammy haar door de straat horen roepen.
Maar Sammy was blij dat ze niet meer zou terugkeren!

32 b – Het Vuur

Licht Vuur

Door Iris Nachtelgaal

Sammy hield van vuur maken.
Krantenpapier of hout in brand steken.

Vlammen zijn wonderlijk dansende geesten.

Hij zorgde er wel voor dat hij steeds een emmer water bij de hand had. Maar grootmoeder was erop uitgekomen dat hij een brandje had aangemaakt in het hok. Niet omdat ze brand had geroken maar omdat de jongens zich in het kot hadden teruggetrokken en stil waren.
Te laat hadden ze haar zien afkomen. Met rasse schreden naderde ze en zweeg, wat uitzonderlijk was.
Ze keek grim. Zoals een non op een devote manier grim kijkt.
Zo waren ontdekt!
En ‘s avonds ging zij dat zeker aan Ma en Pa vertellen.
Om de slagen en gekijf af te wenden dacht Sammy dat het beter was om het zelf te berde te brengen voordat oma het zou aanbrengen.

Hij kon haar de pas afsnijden.

Moeder zei dat hij een pyromaan was, en dat hij zich zou moeten schamen.
Maar zan het aanmaken van een kampvuur werd niet gedacht.

Sammy zal zich nooit een aanmoedigend woord van zijn ouders kunnen herinneren. Niet één enkele goedkeuring.
Maar hij stond daar nooit bij stil.
Hij aanvaarde dat onvoorwaardelijk.
Omdat hij zich niet kon voorstellen dat het anders kon.
Hij nam het beeld de ouders van hem hadden over als getrouw.
En had enkel de kritiek voor zichzelf die de ouders op hem gaven.

Hij diende voor de wereld te verbergen hoe slecht en mislukt hij wel was.

Niemand mocht te weten komen welk ongebroed zijn vader had.

Wanneer zij samen met vader aan tafel zitten, zijn ze met zijn jongere broertje in de weer en soms met elkaar.
Hem kijken ze nooit aan.
Vader zit soms schuin aan tafel.
Hij leunt daarbij op de elleboog terwijl hij met de romp gedraaid in zijn bord plukt.
Kijkt ook niet meer naar moeder.
Met de rug naar Sammy.

Wanneer de soep wordt opgediend snort hij – Die soep is zuur! Ik wil ze niet!- Hij zet zijn bord neer op de vloer.
De hond komt er aan ruiken en keert zich af.
-zie de hond wil het ook niet!
-moeder ontsteekt in woede.
Haar geschreeuw zal uren duren.
En bij de buren duidelijk te horen zijn.
Wat roept zij?
Niemand zal het zich ooit herinneren.

50 – Het Harnas

Sammy

Door Iris Nachtegaal

Hoe hij wegschoof en verder wegschoof om plaats te maken voor die verdrukkende vader die alle ruimte innam. Zoals een jongere boom krom groeit onder een oudere die hem licht en ruimte ontneemt.
Vader die het centrum van het huishouden en het universum scheen te zijn.
Alles draaide rond hem, en wat dat niet deed werd listig ontmoedigd.

Sammy had geleerd om zich te redden door zich af te zonderen.
Door eenzaamheid op te zoeken, door zich in zijn kamer terug te trekken.
Wanneer hij alleen was kon hij standhouden. Door het breken met de anderen, kon hij voor zichzelf zorgen. – Kwam hij tot leven in zijn eigen verhalen.
En dat bleef zo.
In hem was zijn eigen ruimte.
Zijn eigen ritme.
Zijn eigen verhaal waarin anderen hun rol toebedeeld kregen.
Soms werden zij figuranten, of personages, stemmen, dialogen.
Telkens in moeilijke perioden zal dit zijn uitweg zijn.
Zich terug trekken.

Daaruit vloeide voort dat ook hij, tegenover de anderen, een rol ging spelen. Eens hij het stilzwijgen had doorbroken restte hem deze aangemeten rol.
Zoals hij ook de anderen tot personage in zijn voorstellingswereld had gemaakt.
Zo speelde hij nu zelf zijn rol ten overstaan van de anderen.
Zijn wereld was een schouwtoneel.
Soms kwam hij hovaardig over. Breedsprakig, betweterig soms.
Zoals ook zijn vader die rol tegenover de huisgenoten speelde.
Hij had nooit geleerd om tussen de mensen te zijn.
Om met anderen te delen.
Hij voelde zich steeds een vreemde, een buitenstaander.
Met wie niemand iets deelt, die zelf nooit geleerd heeft om te delen met anderen.

Zich in zichzelf keren, zich ultiem terugtrekken.
Voor allen zijn kiezen. Zijn eigen hulpverlener worden.
Zijn kostbaarste bezit werd dat kamertje voor hem alleen.
Dat ontstolen moment waarin hij zich kon afsluiten.
Dat schild waarmee hij af en toe naar de anderen kon.
Dat harnas dat hem beschermde.
Hij werd toeschouwer – geen mededinger of medewerker, of mede…

En soms keerde dat om – hij stapte in een rol om naar de anderen toe te kunnen gaan.

De buitenwereld – een theater – een arena.

Het werd onmogelijk om zich te verdedigen vanuit deze toestand.
Omdat hij zo zijn eigenlijke positie onmogelijk bepalen.
Hij kon nooit van uit zijn eigen kern de kracht van emoties voelen.
Hij kon die ook niet laten blijken door afhankelijk te zijn van het omhulsel dat hij om zichzelf gesponnen had. Of toch zo beeldde hij zich dat in.
Hij wist niet wie hij was en waartegen hij zich diende te verweren.
De anderen zagen dat echter wel. De jongeren om hen heen werden trouwens meer en meer meester in dat sociaal spel, groeiden erin.
Die andere hadden geleerd om door komedie te verhullen of te bespelen.
Maar zijn schild zijn enige toevluchtsoord

Daardoor leerde kon hij zichzelf nooit goed leren kennen.
Hij zweeg zodat noch hij noch de anderen precies wisten waarvoor hij stond.

Op sommige momenten kon dat omslaan.
Hij kon plots agressief worden.
Gestuwd door een onbedwingbare macht.

(Dat zou allemaal duidelijker worden tijdens een verblijf in een vakantie kolonie aan de kust; een briefwisseling werpt hier veelt op – maar dit vertel ik jullie later)

– Liefde –

Hij werd verliefd van op een afstand.
En zelfs wanneer het tot omgang kwam bleef hij zich afsluiten.
Tot op het seksueel moment.
De andere was steeds een brug die hij diende te overschrijden. Nooit een gezellig gebeuren.
Hij had vooral slechte vrienden, die van hem gebruik wisten te maken. Of die hem verwijten maakten in dezelfde woorden als zijn ouders. Dat was de bekende wereld voor hem.

Een meisje trok hem bijzonder aan, precies omdat ze hem verwierp, omdat ze hem “belachelijk” vond, zoals zijn moeder.
Zij gebruikte dezelfde woorden.
Zij zag op dezelfde manier als zijn moeder zijn bespottelijkheid. Zijn kleinheid, zijn “onnozelheid”, zijn lafheid…
Zo dat hi dacht dat zij hem werkelijk zag zoals hij was.

In zijn slechte vrienden hoorde hij de weerklank van de woorden van vader en en in zijn slechte vriendinnen de verwijten van moeder.
Anderen naderden hem tot oneindig.

Sammy keek en luisterde en bouwde zo zijn wereld op.
Met de objecten uit de buitenwereld die hem daar het meest geschikt toe leken. Een theater gericht naar een toeschouwer.
Deze omstandigheden die niet om dialoog vroegen.
Die dingen raakten hem waaraan hij kon meedoen als toeschouwer.
Waarin zijn veelheid van zielroersels hun plaats en vorm in konden vinden. Die exploreerden zijn steeds groeiende wereld. Litteratuur liet hem zien dat de mensen meer waren dan gevels zonder iets daarachter. Muziek werd zijn voorstellingswereld van passies, beelden vooral film de mogelijkheden in de werkelijkheid.
Alles andere wat zijn verbeelding niet tartte werd door Sam saai bevonden.
Elke stoffelijke directe omgang met de wereld. Elke handelswijze die zich daartoe beperkte. En iedere zakelijke voorstelling De wereld die kon worden opgeteld en afgetrokken interesseerde hem niet.
Alles wat niet probeerde het mysterie te doorgronden. Het begrijpen van wonderlijke dingen zoals de lichtbreking door een prisma in kleuren.

Maar liefde kan je niet alleen beleven.
Verliefd worden en seksualiteit.
Lichamelijke nabijheid.
Sammy kende geen vorm van aanraking.
Sinds jaren mocht niemand hem lijfelijk aanraken ook zijn ouders niet. Hij duwde hen weg wanneer ze hem wilden knuffelen. Hij vertrouwde hen niet meer. De ene keer waren zijn zacht, omdat ze iets van hem wilden gedaan krijgen. En daarna staken zij hem het mes in de rug. Ze waren onvoorspelbaar.
Ze hadden hem te veel pijn gedaan.
En hij raakte ook niemand aan. Hij keek en luisterde.
Keek door de anderen heen en luisterde door hen heen.
Begreep hen soms beter dan zijzelf zich begrepen.

Zijn blik werd ongenadig. Maar hij bracht geen woord uit.
Of soms heel scherp en raak. Zodat moeder kwaad op hem werd.
“Waarom bekijkt ge mij altijd zo?! Waarom kijkt ge mij zo naar mij !?” schreeuwde zij uit.
Ze kon zijn blik niet meer verdragen.
Zijn verwijtende borende blik. Die de indruk gaf alles gezien te hebben. En een mond die nooit sprak.

Maar Sammy mekte al spoedig dat allen zijn, en met rust gelaten te worden, een buitengewone luxe is. Dat gold zeker zo voor een kind. Kinderen worden niet alleen gelaten.
Kinderen moeten in groep blijven. Meespelen de anderen. Meestappen. In de rij lopen.
Deze schoolse situaties werden Sammy tot hel.
Het verplicht moeten meedoen – de verplichting om voortdurend te moeten omgaan met anderen werd een hel. Zijn hel dat waren de anderen. De klas en alles wat daarmee verband kon houden.
En het samenzijn met de ouders. Het samen aan tafel zitten. Samen met mama en papa en met zijn broertje. Dat dagelijks rond de tafel waar blikken zelden zijn richting uitgingen.
Waar was de uitweg? – dacht hij.

49 – De Vlek

 

de vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had steeds het gevoel van vuil te zijn, te stinken een donkere vlek te zijn voor de anderen.
Moeder en ook vader wezen hem daar regelmatig op.
Ze zegden regelmatig dat hij kwalijk rook – Sammy stonk!
Het klonk bezorgd, werd op een bekommerde toon gegeven, als een raadgeving, iets waar een ouder een kind op diende te wijzen opdat het mer zorg voor zichzelf zou dragen.
Maar eigenlijk was het een verwijt.

Er was een donkere reden waarom Sammy’s moeder dat steeds deed.
Terwijl vader hem ontmoedigde door cynische spot. Die eigenlijk de schijn had van aan te porren: op te roepen tot het beter te doen. mer te presteren.

Maar eigenlijk was het niet dat, het was ontmoedigen zodat Sammy zou opgeven.

Sammy vond dit niet vreemd.
Hij geloofde werkelijk dat ze het goed met hem meenden, en dat hij inderdaad stonk en voor niets deugde en dat zijn ouders het bij het rechte eind hadden – dat hij voor niets deugde en voor alles zijn ouders nodig had.
Die spanden zich immers voortdurend voor hem in, die ondersteunden hem, of beter – zij droegen hem voortdurend als last.

Later nestelden deze stemmen van vader en moeder zich in zijn binnenste.

Hij droeg ze voortdurend met zich mee en ze bleven steeds op die zelfde toon tot hem spreken.

45 – de schrijvers

Sammy

door Iris Nachtegaal & Anker Tong

Ik heb mij door Anker laten overhalen.
Ik zal met dit blog voorlopig blijven verder doen

Maar ik heb ook mijn voorwaarden gesteld!
Ik draag dit niet meer alléén!
Vanaf nu moet Anker Tong actief deelnemen aan de verwerking van deze teksten!
Het volgende is dus door ons samen tot stand gekomen:

Er is nog een lange weg te gaan voordat we Sammy goed zullen kunnen begrijpen – voordat we zijn levensverhaal toegankelijk genoeg hebben gemaakt.

Laten wij even vooruitlopen en enkele teksten tonen die hij later, aan het eind van zijn leven, heeft geschreven.

Heel dat verhaal van zijn jeugd, waarvan ik jullie fragmenten heb gebracht, werd gedistilleerd uit een hele reeks tekstjes, allemaal met de hand geschreven op ruitjespapier uit verschillende scheur-schriftjes .

Sammy zal tot op volwassen leeftijd blijven schrijven, en hier is wat hij daarvan zegt:
(Anker en ik hebben zijn woorden vrij bijgewerkt, en zijn onmogelijke zinsbouw hier en daar wat bijgestuurd.  Wat onleesbaar was, hebben wij in onze eigen woorden aangevuld, wat hier volgt is een vrije bewerking):

“Mijn moeilijkste opgave is tot een leefbare formulering te komen van hoe mijn jeugd geweest is.

Van wat er zich precies heeft afgespeeld en hoe dat het verder verloop van mijn leven kon hebben bepaald.
Er blijven zovele lacunes waar ik nooit enig vat op schijn te kunnen krijgen

Er is nog zo veel dat ik nooit tot een bevattelijk verhaal heb kunnen weven.
Iets in een bevrijdende vorm gieten, dat is wat ik eindelijk zou willen bereiken! Mijn verleden voor mij leefbaar maken door er een sluitend verhaal.
Het te vertalen.
Ten einde vrede te vinden in mezelf en met de anderen.

Ieder verhaal staat tegenover andere verhalen.
Ieder mens wordt kenbaar voor zichzelf door en voor de anderen.
Eenieder is, hoe hij zichzelf beleeft en hoe hij beleefd wordt door de andere.
Hoe de andere zijn bestaan spiegelt.

Bestaat ons leven op zichzelf –  als orde van symbolen, weefsel van discours?
Of bestaat er een groot overzichtelijk Plan?
Een goddelijk oog, een kosmisch archief waar alles zijn plaats in krijgt?
Of is de wereld enkel een uitdijen van chaos in tijd?

Doe ik er wel goed aan om dit allemaal om te woelen?
Met al die kwaadheid en twijfel die daarbij opsteekt?
Zal die houdbaar blijven?
Of zal die mij razend maken op mensen die nu te oud en te zwak zijn om nog  confrontatie aan te kunnen?
Of die er nu niet meer zijn…
Of was het toch allemaal mijn eigen domme fout, mijn eigen koppige zin, mijn  kleinmenselijkheid?

Een wederwoord verwacht ik niet.
Maar het kind in mij hoopt nog steeds op een finaal antwoord.

Of misschien een eerlijke schuldbekentenis.
Dat zou voor mij het leven makkelijker maken.
Een bevestiging van wat ik vermeen zou vergiffenis schenken lichter maken.

Vergiffenis schenken is één aspect – mogelijke uitwegen te zien zijn er andere – Zowel voor de toekomst als voor het verleden
Mogelijkheden, die het verschil kunnen maken.

Je zou het ook zo kunnen formuleren:
Wat zou je aan een jongeling behoren te zeggen die vandaag in een gelijkaardige situatie zou opgroeien?
Aan het kind in kindertaal, of aan de ouders, of familie?
Waar langs vindt de jonge mens zijn weg uit dit doolhof?
Van wie kan die bevestiging krijgen van het misbruik?

– Dat werkelijk is en geen hersenspinsels?
En hoe komt dat aan het licht?
“Och, Vergeet het Sammy, laat het allemaal maar rusten, och die mensen, ze hadden ook hun problemen. Je had goede ouders. Je hebt er zoveel aan te danken, wees ze liever wat indachtig en wees vriendelijk en goed voor ze voor zo lang ze er nog zijn.
Lat zien dat je van hen houdt en om hem geeft, daar zal je later nooit spijt over hoeven te hebben – Wanneer je hen pijn hebt gedaan, dan zal dat nog lang aan je blijven knagen.

Dat waren die dingen waar Sammy voortdurend mee worstelde.
Sammy wilde de tijd en ruimte krijgen die nodig was om zich uit te spreken en te vertellen wat in hem allemaal wrong.
Hij wilde dat voor eens en voor altijd gezegd krijgen zonder in rede gevallen te worden door stemmen die hem tegenspraken…
Dat “uitspreken” is schrijven geworden.

Hij dacht:

“Ik blijf deze zoektocht naar mezelf.
Een zoeken dat naar herkenning vraagt, en naar wie ik was, en ben.
een zoeken naar innerlijke vrede.”

 

Hij wilde het schrijven nuttig maken, hem laten dienen.
Maar deed hij dat enkel als therapie of was het ook gericht naar iemand anders?

Hij schreef:

 

“Ik heb angst om dat allemaal alléén te doen.
Iemand zou beter toekijken en luisteren.
Om te zien dat het niet te gevaarlijk wordt.

Dat ik niet verstrikt geraak.

Of terug wegzak in depressie of onbedwingbaar ingekapseld geraak door eenzaamheid en afzondering.
Of dat het geen spel wordt waarbij ik de schuld aan alles en iedereen wil verwijten zonder mezelf in vraag te stellen?
Ik wil een eerlijk proces krijgen!
Ik wil mezelf een eerlijk verdikt kunnen geven!
Een eerlijke verdeling die de lasten legt bij de omgeving maar ook bij mij zelf.

Misschien laat ik dit ooit nog aan mijn beste vrienden lezen  -en ik weet zelfs niet of dat wel goed is…
Waar voor dat dienen zou en wat het bij hen teweeg zou brengen.
Of betekent dit allemaal niets?
Het gevecht van twijfel en spoken.

Dit dolen door eindeloze tunnels van grijzer wordend licht.

Maar ik heb ook geleerd dat er momenten kunnen zijn waarop je alles kan afwerpen, waarop iets je kan raken en gelukkig maken, iets dat je innig bij anderen kan betrekken.

Iets waardoor maskers breken.
Iets fijns en kwetsbaars, dat zindert tot in je diepste vezels.
Iets dat je ontwapent en kwetsbaar maakt.

Bestaat leven uit streven naar meer?
Ligt alles in ons aards eindig tijdsverloop vervat?
Wanneer niets nog in eeuwigheid gedacht kan worden?
Moeten we genietend consumeren?

Ons bevrijden uit die smalle pijp van ons dagelijkse zijn?

Willen we altijd meer en beter en bevrijd worden van alle pijn?

Leven is pijn lijden.

Er is geen ander.
Pijn lijden is de kracht om gewaar te worden, te voelen.
De kracht van om te willen te zijn – willen leven en blijven leven.

De kracht om op een wonder te hopen, de -kracht om zelfs te zijn zonder enige hoop.

Zijn en ademhalen.
De kracht om pijn te kunnen lijden.

Verdwijnen zonder maar iets te hebben nagelaten.
gelaten zijn in het besef – Mijn bestaan is onnuttig geweest, voor mezelf en voor de anderen.

44 – Iris’ twijfel

Ik heb jullie verleden week geen post nagelaten omdat ik dit niet meer aan kan. Ik heb niet de moed meer om over Sammy te vertellen.

In deze teksten ontdek ik een kind dat volledig in zichzelf verzonken is – (ik beef terwijl ik dit schrijf.)

Dit kind had nooit de kans, noch de mogelijkheid, om met iemand delen wat er in hem omging.
Iedereen bleef buiten zijn bereik.
Waar waren zijn ouders heel die tijd?
Wie waren zij?
Welke rol speelden zij?
Voor hen was Sammy blijkbaar verder weg dan wanneer hij op het verste eiland van de wereld ware geweest.

Ik begrijp nauwelijks dat niemand dit heeft gezien!
Iedereen die daar bewust van getuigen zou hebben geweest, zou gehuiverd hebben!
Maar niemand schonk aan dat kind blijkbaar de nodige aandacht.
Deze jongen beleefde zijn jeugd als een beeld of een pop, vreemd en stijf.

Ik weet echt niet hoe het hier verder moet!
Ik heb aan Anker gevraagd om deze zaak te laten rusten.
Hij heeft daar wel begrip voor – maar aan de ander kant weet ik dat Anker een man is die niet opgeeft en de kunst kent om mensen te overhalen.
(Indien jullie hem zouden kennen, dan zouden jullie direct begrijpen wat ik hiermee bedoel…)

Ook door jullie talrijke reacties, die Anker hier voor mij heeft uitgetikt, hebben mij zwaar getroffen.

Ik weet echt niet of ik dit nog aankan.
En daarom vraag ik jullie de tijd die mij nodig is om al deze emoties te kunnen verwerken.

veel liefs,
Iris Nachtegaal

42 – De Engel

Sammy

 

Door Iris Nachtegaal

‘s Avonds in bed gelegen, kon Sammy nadenken.
Een belangrijk deel van zijn leven speelde zich in bed af.
Daar werd hij pas zichzelf, daar pas, wanneer de lichten uit waren en hij alleen met zichzelf kon zijn.
Dan kon hij zijn fantasie de vrije loop laten.

Denken en dromen over alles wat hem bezighield zonder dat iemand hem daarbij opmerkingen maakte, zonder dat iemand zei dat hij zijn aandacht niet mocht afdwalen, zonder dat iemand hem verweet: “Je ben aan’t dromen Sammy, let toch op!”.
In bed was er niets dat zijn aandacht kon opeisen dan zijn eigen gedachtengang, zijn eigen angsten en hopen, verlangens, zijn fantasie.

Sammy dook dan in verhalen die hij steeds verder uitwerkte en waar vele figuren hun rol bleven spelen;

Iedere mens en iedere situatie met anderen was voor Sammy een vraagstuk.
Iedere omgang met anderen werd een reden om zich vragen te stellen.

Sammy dacht:
– Wie ben ik voor de anderen en wie zijn zij voor mij?
– Hoe gedraag ik mij tegenover de anderen? en waarom en hoe gedragen zij zich tegenover mij? en waarom?
– Hoe krijg ik contact met anderen?
– Wie zijn ze en wie ben ik?
Wie word ik in hun ogen en wie worden zij in de mijne?

De massa die hem omringt en waar hij niet in kan opgaan – die hem observeert – die hij observeert.

De familie rond de tafel.

Vrolijk en onbezonnen kon hij nooit zijn – hij kon zich nooit laten gaan.
Dat kende hij niet.
Voortdurend leefde hij met angst, en de vrees om gecontroleerd te worden.
Bekeken vanuit een controlepost waar steeds iemand hem keurde, iets op hem aan te merken had.

Die stemmen bleven hem achtervolgen.
Stemmen die vragen stellen, ontmoedigen, niet kunnen begrijpen, uitroepen, zuchten…
Steeds die stemmen die het gemeenzame zeggen,
vol van onbegrip zijn
vol van oppervlakte…

Sammy leerde voor engel op aarde.
Het was maar pas later dat hij dat zou ontdekken.

In hem leefde een vreemd, zwijgend, toekijkend wezen.
Die afwezig-aanwezig was.

De blik van een starende vreemde, die
op zichzelf bestond en sterker was dan hij en al het andere.

Sterker dan alles in hem en rond hem heen.

Die kracht nam het van hem over.
Die was het die het hem belette te spreken.

wanneer treinen ’s nachts langs dorpen razen.
verschuilt een wereld zich achter gevels.