26 – De Plas

Plassen

Door Iris Nachtegaal

 

Grootmoeder zweeg nooit.
Hij kon haar stem nog door het huis nog horen klinken.
En de woorden – ammelaken, stoemper, koemmerschap…

Het regende.
Sammy en grootmoeder zaten aan het raam van de kelderverdieping en keken naar de plassen.
Of beter – Sammy keek ernaar:
Hoe iedere druppel kringen vormde, die doorbroken werden door telkens weer nieuwe reeksen kringen die zich rond andere druppels vormden.
En hoe die cirkels elkaar overlappend ingewikkelde patronen vormden.

Sammy wilde niet meer naar school.
Van grootmoeder mocht hij thuis blijven.
Het was eng op school.
– Waarom?
– Te veel anderen.

Kinderen die her en der drukte en lawaai maakten.
Angst, de anderen met hun dwingende aandacht.
Sammy wilde even gerust gelaten worden.

De regelmaat van deze uitdijende cirkels die elkaar bleven doorkruisen en onregelmatigheden vormden in het spiegelend oppervlak van de regenplassen.
Dat was zo mooi en rustgevend om naar te kijken.
En hij mocht lekker binnen blijven, terwijl het buiten flink regende.
Voeten stapten door de plassen en verbrijzelden de patronen.

De kleuterjuf had een dik rood aangezicht, rode lippen en donkere ogen die steeds streng keken.
Enkel wanneer de huisbewaarder even de klas binnenkwam om een praatje te maken, veranderde haar houding, verlsapte haar controle over de kinderen en voelde hij zich even veilig.

Zij was een dierentemster die het kleine gespuis in hand diende te houden.

Maar nu hij kon Sammy enkele weken bij oma blijven.

Soms zat grootmoeder na het eten in de zetel en dronk koffie.

Sammy mocht dan meedrinken uit haar tas.
Daar lag soms speculooskruimel in.

De steunende smalle benen van grootmoeder uitgestrekt op de stoel vormden een boot voor Sammy.
Zo’n lange platte aak zoals hij er op de vaart had zien varen.

Die hij stuurde.

Hij had meer ruimte nodig en daarom duwde hij de rok van grootmoeder hoger en hoger.
Tot daar waar zij het toeliet.

En hem lachend deed ophouden.

 

Advertenties

25 – Het Bad

wassen

Door Iris Nachtegaal

Iedere dag omstreeks 7 uur ‘s avonds werden Sammy en zijn broertje Rudy gewassen in een zinken teil op de houten keukentafel.
Boven hun hoofdjes scheen het koele licht van een ronkende een TL buis.
Het water werd door een moortje verwarmd en dampend in de teil gegoten.
Sammy had angst van het water – angst voor verbranden.

Eerst werden de broertjes één na één duchtig ingezeept zodat hun haar op een schuimkuifje stond.

Sammy bleef stil zitten wanneer de handen van papa of mama in washandjes zacht maar zakelijk over zijn lichaam gleden.

Liggend in het warme water voelde hij een geborgenheid die hij anders niet ervoer.
Een gezellige verplichting:
Je moet nu in bad!
Nu ga je slapen!

24 – Het Vliegen

Ik laat ons onderzoek (mag ik het zo noemen?) tegenwoordig vooral over aan Iris.
Ze heeft ook een sleutel van het achterhuis gekregen en neemt daar regelmatig mijn plaats in.
Door het gat in de haag verschijnt ze dan in onze tuin en stapt door de sneeuw naar het gebouwtje tussen de populieren.

Ik heb het momenteel te druk.
Ik kom later thuis, en mijn vrije tijd gaat vooral naar de kinderen.
Maar in het weekeind ga ik eens kijken hoever ze daar staat.

Er ligt dan meestal een bladzijde of twee, volgeschreven met haar nette handschrift.
Ze gebruikt daarvoor het vergeelde lijntjespapier uit de atoma-schriftjes die Sammy onbeschreven liet.
Haar rond regelmatig meisjesgeschrift is makkelijk leesbaar.
Heel wat anders dan die hanenpoten van Sammy!
Ik typ ze voor U over naar dit blog:

Vliegen

Door Iris Nachtegaal

Trappers, pedalen, karkas, alles rammelde over de hoekige straatstenen wanneer de rode pedaalauto van Sammy en Ruddy voorbijraasde.
Voetgangers sprongen soms kwaad opzij.
De oude wekker die Sammy in het tuig had verborgen ratelde tegen de metalen kast – dat gaf een motor-achtig geluid, dat passanten vragend deed nakijken.

Door hard te rijden leek het of hij zich even van de wereld kon losmaken.
Losmaken van deze plaats.
Bewegen is beloven.
Rijden met een automobiel.

snelheid is vrij zijn.
Vrij waren vooral de vliegtuigen van het nabijgelegen vliegveld die soms laag over de daken scheerden.

Vliegen, zich losmaken van de grond, vrij zijn, weg van alle pijn.

Weg van het gebakkel, de regels, de wetten, de controle der grote mensen, de school en de streng kijkende agenten.

Ongrijpbaar worden,

onaards,

boven de wolken zijn,

grenzeloos zijn zoals goden.

Het gemakkelijke leven der engelen,

die aan geen aardse kwalen lijden,

geen pijn geen dreiging,

geen vernedering

geen debacle dienen te ondergaan.

23 – De Donkere Kamer

 

De Bel

Door Iris Nachtegaal

Sammy haatte het geratel van een bel.
Een bel is de snerpende aankondiging van de storende anderen.
Maar soms toch ook het verlossende signaal aan het einde van een schooldag.

Sammy werd helemaal opgenomen door wisselende stemmingen.
Hij kon zich op een loden manier lusteloos voelen, of werd opgewekt enkel door het bekijken van de lichtspelingen over het tafeloppervlak.

Het wolkendek zonder blauwe opening, hing als een zeil over de daken en drukte meer op hem dan ieder ander ding.

Maar grootvader zei dat dit het beste weer was.

-Het regent niet en de zon schijnt niet in uw ogen!

De druk die hij ondervond steeds iemand te moeten zijn, en niet naamloos een toeschouwer te kunnen blijven zoals een kind.

Een kind kijkt maar communiceert niet met de kijkende ogen.
Het kan kijken zonder dat de blik contact maakt.

Een kind kijkt op een manier waarop volwassenen dat dragelijk vinden.

Maar de blik van Sammy was ondragelijk, star en borend.
Zijn moeder kon zijn blik niet verdragen.
Waarom bekijkt ge mij altijd zo!
had zijn moeder naar hem ooit kwaad toegeroepen.

Maar opgroeien betekende ook dat hij leerde om niet naar de anderen kijken.
Kijken wilde iets zeggen.

Hij mijmerde:

Ieder leeft in de eigen donkere kamer

– een cinemazaal waarin de camera’s van de ogen

ieders eigen film van een wereld projecteren.

22 – De Windpokken

God en de windpokken

Door Iris Nachtegaal

Sammy werd ziek aan het einde van het schooljaar.
Hij was over heel het lichaam gepokt met korsten en rode vlekken.

Kinderen liepen van hem weg wanneer ze hem zo zagen.
En zijn broertje sliep niet meer in dezelfde kamer.

Sammy ontwaakte tussen muren overwoekerd met bloederige korsten die als schimmel groeide over de vloer van zijn kamertje en over het speelgoed. Onstuitbaar.
De dokter had zich vergist.
Zijn ziekte was een gewas dat alles doorgroeide en verslond.

Maar rond de middag daalde de koorts.
Dan klom hij uit zijn bedje en nestelde zich beneden in het salonnetje.

Door de gordijnen keek hij naar het stationsplein.

Het zonlicht had de bedrijvigheid van de vroege ochtend opgelost.
Een brouwer leverde vaten aan het café aan de overkant.

De metalen vaten rolden ratelend over de richels en daverden de kelder in. Grofgeschoeide knechten rolden dofbonzende tonnen naar binnen en bengden holle tonnen weer op de wagen.

Stemmen schoten kort door de kille lucht.
Een dieselvrachtwagen kreunde om de hoek.

Hij was alleen in huis.
Hij zat met gekruiste benen in de grote zetel.
En keek naar het salontafeltje met medicijnen en het lege glas waar net een tablet in had gebruist. Het poeder kleefde nog aan de rand.

Dan viel alles stil.

Voor hem verstomde de wereld in naakte blankheid.
Eén denkbeeld drong toen krachtig tot hem door:

-God bestaat niet, het leven heeft enkel zichzelf tot doel –

dat dacht hij toen hij 14 was.

Hij had zijn overtuiging gevonden waaraan hij zijn leven lang zou vasthouden.