34 – De Stap

De Stap

Door Iris Nachtegaal

Sammy had een beste vriend, dat was Pieter.
Zijn vriend geleek op hem een beetje.
Samen brouwden ze fantastische verhalen, en lachten om dezelfde dingen.
Ze wilden met zo’n zwart-witte auto’s rijden als de Highway Patrole, met loeiende sirenes en walky-talkies hebben, waarmee ze altijd met elkaar in verbinding zouden kunnen staan.
Ze kenden elkaar sinds de kleuterjaren.
Waarover hadden zij het?
waarover spreken kleuters met elkaar?
De wereld was een avontuur.
Beiden keken een beetje neer op de andere klasgenootjes die ze voor dom hielden. In het eerste studiejaar behoorden ze beiden ook tot de besten van de klas.

Sammy werd trouwens erg geboeid door alles wat er te leren was – eindelijk kon hij leren lezen en begrijpen wat die tekens waren op de keukenklok.

Maar in het tweede studiejaar ging het allemaal mis.

We gaan “Pieters pluimpjes plukken!” Riepen de kinderen.
Zo klonk het al enkele dagen.
Pieter was het mikpunt van spot en pesterijen geworden.
Dat gebeurde vooral tijdens de speeltijd.
De jongens gingen in een halve kring om hem staan en plaagden hem.
Pieter ging ruggelings kort bij de toiletten staan, zodat ze hem niet overhoed langs achter konden aanvallen.
Sammy stond naast hem maar zei geen woord.
Het was vooral Pieters grootsprakige en luidkeelse reactie die de jongens daartoe aanzette. Hij hield zich fier rechtop de armen gekruist en diende ze roepend van antwoord.

Die dag gebeurde het weer en nu ook stond Sammy naast hem keek meer en meer bevreesd want het ging er heftiger en heftiger aan toe.
Het dreigde tot een gevecht te komen.
Eigenlijk was het vooral spektakel maken voor de jongens – maar zo zag Sammy dat niet.
Hij werd angstiger naast zijn beste vriend die hij steeds meer aanmaande van zich gedeisd te houden, – dan zouden ze vanzelf wel weggaan – het is omdat je zo fel doet dat ze telkens terugkomen! —had hij gezegd.

De jongens vormden weer een have kring en het alles herbegon; maar nu heftiger dan anders, en op een zeker moment deed Sammy iets dat de rest van zijn leven zou bepalen – iets dat hij altijd heeft onthouden of verdrongen.
Hij deed iets zeer eenvoudig, maar iets dat hij zich zijn leven lang zal beklagen, dat invloed zal hebben op de rest van zijn bestaan, iets dat hij nooit of nimmer nog kon goedmaken;

Sammy zette een stap opzij.

De belangrijkst stap van heel zijn leven.
Hij zette een stap opzij, weg van Pieter.
Als teken dat hij zich hier niet meer met Pieter wilde associëren.
Hij wilde hetzelfde lot als zijn beste vriend niet ondergaan.
Hij had angst gekregen.
Angst voor slaag en pijn en vernedering.

Hij was de laffe verrader van zijn beste vriend geworden – zo had iedereen het nu gezien.

Was het de zoon van een ambtenaar tegenover de zoon van een zelfstandige?
Hadden ze elk andere thuisinstructie meegekregen?
Andere gedragscodes?
De zoon van de handelaar: leer je mannetje staan, want je staat er in het leven alleen voor!
De zoon van de ambtenaar: hou je gedeisd en er zal jou niets overkomen – maak dat je niet opvalt!

Vanaf deze stap zal zijn leven een andere weg opgaan.
Hier kan hij nooit meer op terugkomen.
Vanaf hier had hij besloten voor een schutkleur te kiezen.
Samen een nummer met de anderen te zijn in plaats van uit te schieten en tegenwind te trotseren.
En daarbij hoorde een diepe eenzaamheid.
Want met die anderen zou hij nooit meer kunnen aansluiten als bij Pieter.
Die zouden nooit zijn vriend kunnen worden. Hij werd een ander tussen de anderen.

Met Pieter maakte hij zich los van zijn beste vriend en van vele open wegen in zijn leven.
Hier besloot hij te worden zoals zijn ouders, onopvallend en teruggetrokken in de massa.

De bel ging.
De jongens sloten aan.
De rij stapte met de meester mee naar het klaslokaal.
Pas toen pas viel het Sammy te binnen wat de gevolgen waren van wat hij gedaan had.
Want zijn plaats in de klas was naast Pieter.
Dat was al zo vanaf de grote school, en ook wel daarvoor in de kindertuin zaten ze dikwijls te samen.

Pieter had geen woord meer tegen Sammy gesproken.
Hij keek strak voor zich uit, het hoofd rechtop en gunde Sammy geen blik.
Wanneer het moment gekomen was dat de jongens plaatsnamen achter hun bank.
Bleef Pieter rechtstaan en stak zijn vinger op.

– Ja, Wat is er Pieter? vroeg de leraar.
– Ik wil niet meer naast Vanderstraet zitten!
– Wel, wat nu? Hebben jullie ruzie gemaakt? De beste vrienden?
– Ik wil niet meer naast hem zitten!
– Wel goed dan zullen we jullie verplaatsen,
Vanderstraet ga naast Andriesen zitten en jij Pieter naast Van Hemelrijk.

Zo verhuisde Sammy naar de tweede van de middenste rij.
Andriessen en Vanderstraet konden het met elkaar niet vinden.
Ze maakten nooit ruzie maar ze hadden niets gemeen.
Anriessen had een bleke haast huidskleur. Ros krullend haar, bruine donkere ogen met een strakke uitdrukking. Hij lachte nooit. Zijn grote blanke tanden verschenen enkel wanneer hij ze in een vraagstuk van wiskunde zat, dat hij altijd moeilijk en belangrijk scheen te vinden. Bij het lezen volgde hij de lettertekens met een wijsvinger die naar buiten kon klikken. Omdat er iets met zijn gewrichten was. Hij was niet onvriendelijk maar lachte nooit naar Sammy.
De jongens spraken alleen met elkaar wanneer het over een opdracht ging.

Sammy had zijn beste vriend verloren en zou er nooit nog één hebben. Hij zou nooit van Pieter leren hoe van zich af te bijten. Hoe indruk te maken door komedie te spelen en luider te roepen dan zijn tegenstander. Hij zou inderdaad nooit leren zijn rug recht te houden want vanaf dan zat Sammy steeds meer gebogen en in zijn handjes te wriemelen.
Kon hij van zichzelf aannemen dat hij een laf was?
Dat hij zou wijken wanneer het moeilijk werd met anderen. Wanneer er slagen dreigden. Slagen zoals hij er van zijn vader veel kreeg. En die hij zonder verweer diende te ondergaan – want indien hij zich zou durven verzetten tegen zijn vader, indien hij zou durven terugslaan dan ging vader hem doodslaan! – zo had hij ooit gezegd.
Of zoals zijn moeder zei – Je ziet er uit zag als iemand die zijn toer afwacht maar dat er nooit iets zou gebeuren. Als ge schrik hebt zijt ge weg.

Vanaf dan werd naar school gaan moeilijk voor Sammy.
Hij voelde zich alleen, bedreigd en angstig.
De klas werd kil en grijze ruimte waar hij zijn tijd diende uit te zitten.
Het lachen was verdwenen.

Sommige jongens gingen tijdens de speeltijd met de rug tegen de muur staan terwijl anderen liepen riepen en vechten.
Soms was nu Sammy één van hen.
Hij werd nooit één van de andere.
Het galmende speelplein werd een slagveld.
Een pijnlijke open plek.
Een harde plaats waar stenen scherpe kreten weerkaatsen.

De stap zijwaarts had zich afgespeeld op die grijze stenen, de groene saloon-deurtjes van de toiletten op een zonnige, koude lentedag

Later zou Sammy zou zich nooit meer kunnen associëren met iemand.
Er zou altijd iets blijven tussen hem en de anderen.

Een afstand die hij nooit zal kunnen overbruggen.

 

Dit veranderde Sammy’s leven voor altijd, al besefte hij dat maar vele jaren later.
Hij verdrong alles van dit gebeuren.
Hij had een andere weg ingeslagen.
Daar was een jongen waarmee hij zich verstond, die fantasie had zoals hij, die niet verstofte in zakelijkheid en ijver. Maar die ondernemende Pieter kwam uit een andere cultuur – een zoon van zelfstandige die diende te leren strijden voor zijn bestaan en Sammy was de zoon van een beambte die diende te kunnen plooien om te overleven.

Nooit zal hij nog zo’n vriend hebben.
Hij zal steeds wantrouwig blijven tegenover anderen en zich meer en meer afsluiten.
Soms kiezend voor grijs en ongeïnspireerd gezelschap in plaats van de mensen waar hij echt bij thuishoorde.

het truukje van de weerbare retoriek zou hij nooit van Pieter leren.
Want je diende goed te weten hoe dat moest – wat je in zo’n situatie diende te zeggen en te roepen en wat niet mocht, en hoe je lichamelijke houding, je lichaamstaal daarbij diende te zijn.

 

Advertenties

33 – De Ratten

De Ratten

Door Iris Nachtegaal

 

De kelder bij de grootouders was afgesloten met een zware houten deur.
Daarachter kon geen licht worden gemaakt.
Het gebeurde wel eens dat Sammy als straf in die kelder werd opgesloten.
Maar hij schreeuwde dan zo hard dat Bompa hem er spoedig uit liet.

Sammy had graag een huisdier gehad.
Een grote hond die hem zou kunnen beschermen.
Maar nu ontdekte Sammy in het duister van de kelder kleine blinkende oogjes.
Toen er door de deurspleet wat meer licht naar binnen viel, kon hij zien van wat ze waren: Grote grijze ratten.
Een huisdier zo maar in huis krijgen, zonder dat je het diende te vragen, het zomaar te krijgen, zonder dat iemand het hoefde aan te kopen!
Diertjes die zomaar vanzelf in huis komen!
Sammy vond de ratten heerlijk!

Wat zou er met deze nieuwe bewoners gaan gebeuren?
Sammy probeerde ze stilletjes te naderen, en wat broodkruimels toe te gooien.
Hij hield zijn ontdekking liefst geheim en sloop regelmatig stil naar de kelder, om het gedrag van zijn harige vriendjes met hun zwarte glimmende oogjes te volgen.
Hun pootjes leken wel kleine handjes. En hun snuit beefde alsof ze voortdurend aan ’t prevelen waren.

Maar toen grootvader ook de nieuwe gasten ontdekte ontstak hij in woede.
Hij greep terstond naar de kolenschop die aan kelderdeur stond en sloeg op de beesten in met de scherpe kant ervan.
Ze werden rillend op de spade naar de tuin gedragen waar ze beefden in hun doodsstrijd.
Hun ingewanden kwabbelden uit hun bondjasjes.
Eén na één droeg een woedende grootvader met de schop ze naar buiten – de ene al meer dood dan de andere.

Sammy keek toe en ging na of ze nog leefden.
Dan kregen ze een genadeslag van grootva.
Daarna werden ze in de grond gestopt met elk een zware steen op hun grafje.
Opdat ze er niet meer zouden kunnen uitkomen.
Zoals mensen

32 – De Grote Vakantie

De grote vakantie

Door Iris Nachtegaal

Het was vakantie.
Sammy en Ruddy lagen nog in hun bedje.
Ze hoorden beide ouders zich klaarmaken om te vertrekken naar het werk.

Ze waren gewend aan het schelden en schreeuwen dat daarmee gepaard ging.
De voordeur sloeg dicht met een harde klap en er viel dan een stilte in het huis.
Een stilte die even later verbroken werd door het geratel van een zware sleutel in het sleutelgat.
Oma’s zwarte schoenen met dikke hakken galmden door de gang.
Deuren kriepten.  Geluiden stegen uit de keuken.
Het ontbijt  voor de broertjes werd klaargezet.
Ze riep van bedeneden af – Opstaan!
Maar daar werd niet direct een gevolg aan gegeven , de zware zwarte schoenen bonkten met tussenpausen op de houden trap.
Grootmoeder inspecteerde het huis van haar dochter.
Waarover ze haar bevindingen gaf.
Het was alsof ze zichzelf toesprak. Stil maar hoorbaar genoeg voor de kinderen.
-“Maar ziet dat hier liggen!, Al die rommel in huis! -en vuil! ik moet dat kind pardonneren! Dat kind wordt zot! Maar toch! Ziet dat hier nu een keer liggen!”
De broertjes klommen uit bed en kregen ontbijt met Ovomaltine en brood besmeerd met Kwatta. En soms een zacht gekookt eitje waar ze reepjes brood insopten.
Oma zweeg geen moment.
Niemand kan zich nog herinneren wat zo allemaal zei.

Dan ratelde de trapauto met Sammy en Ruddy naar het huis van de grootouders.
Opa was nog niet daar. Die deed zijn ochtendwandeling, met zijn krant in zijn jaszak.
Het middageten had tijd nodig en terwijl renden de jongens door de tuin.
De witgekalkte muren van de stadstuin met de perenbomen, het kot, de plisplanten, de ortensia, de schildpad en de hommels en de wespen die rond het kerstenkruid zwermden.

Vliegende dieren.
Vrije dieren.
Vogels en vliegende insecten.

Sammy wilde ze vangen. Vooral de hommels en de wespen.
Daarvoor gebruikte hij de lege sigarenkisten van grootvader.
Hij sloop behoedzaam naar een wesp op het kerstenkruid. Opende de doos rond het lila-achtige bloempje – en klapte ze dicht.
Daarna luisterde hij gespannen naar het zoemen in de doos.
Maar de doos sloot niet goed genoeg doordat er een stukje stengel tussen was geraakt.
De wesp was naar buiten gekropen en stak Sammy in de handpalm. Schreeuwend liep hij naar grootmoeder, die olie aan het rood opzwellende handje deed.

Metalen sigarenkistjes dienden  hier hun doel het beste. Metalen dozen sneden de stengels af en sloten beter, dan houten.
Sammy en Ruddy dachten ook een bijenkorf te kunnen opzetten met de gevangen insecten.
Maar het waren nooit echt bijen.

Hommels staken minder agressief dan wespen en waren dus gemakkelijker te pakken maar minder leuk. Kleine ter plaatse vliegende wespjes  -helikoptertjes- genoemd staken nooit en waren het minst verdienstelijk om te vangen.

 

 

31 – De Pot

Op de Pot

Door Iris nachtegaal

In zijn buik huist er een klein gebocheld mannetje dat moeizaam zwoegend aan een zwengel draait waardoor een dik touw door Sammy’s aars naar buiten wordt gedreven.

Op de wc-pot gezeten houdt Sammy zijn ogen kort bij het verticaal geslepen raam waarachter het plastic gordijntje met de rode-witte patronen hangt.

Plots slaat zijn blik over naar oneindig en kijkt hij naar een monumentale rode muur waar witte massieve sferen die tot ver in de diepte reiken.

“Sans Pareil” staat op de jachtbak.