19 – Het Plein

“Sammy”

door
Anker Tong & Iris Nachtegaal

 

 

 

Wat denken jullie hier van:
“Sammy Vander Straet” door Anker Tong en Iris Nachtegaal?
– We werken nu regelmatig aan dezelfde hobby – of hoe zou je dit anders kunnen noemen?
Iris heeft eerder letterkundige talenten en meer psychologisch doorzicht dan ik.

Ik ben een zoeker – ik wil tot een slotsom komen, een omsluitend antwoord op de vraag waarom Sammy zweeg  – dit vraagstuk oplossen. (Wat erg overeenkomt met mijn beroep: problemen zien en ze oplossen, “depanneren” zeg maar.)

– Iris niet- zij wil uitdiepen en de zaak langs alle kanten kunnen bekijken.

Ze zegt dat we niet noodzakelijk tot een eenduidige beeld hoeven te komen

– “Hier kunnen verschillende waarheden naast elkaar bestaan, verschillende geschiedenissen die elk naar hun eigen waarde geschat kunnen worden…”

(Soms geloof ik dat ze meer met Sammy te maken heeft gehad dan dat ze voor het ogenblik bereid is om toe te geven – hoe intiem hebben zij elkaar wel gekend?
Och, zou dat belangrijk kunnen zijn?

Zoeken jullie mee naar verklaringen en duidingen?

Alle hulp is welkom!

Daarom is dit een blog, niet?

 

Het Plein

Door Iris nachtegaal

Sammy zit aan het open raam.
Het zomers avondlicht speelt breekbare schaduwen over het stationsplein.

Sammy kijkt naar de steeds terugkomende gezichten.
Hij kent ze allemaal. Voor hem zijn ze transparant.
Hij kan dwars door hen heen kijken. Hij kan voelen hoe ze in hun vel zitten.

De twee meisjes die steeds samen zijn – waarvan er één altijd een hoofddoek draagt.
De jongeman die aarzelend en gebogen alleen door het park loopt.
De man met zwarte glimmend gepoetste schoenen – de blik steevast op de straatstenen gericht.
En de één-kamer-bewoners van het café aan de overkant.

Sammy geeft ze allemaal een naam: Arie Ragebol, Pietje Vlam, De Maestro, Douwe Kwak, Stafke Mottenbol, Den Duits, de Kolonel,…
Sammy kan zien wie eenzaam is, wie uit psychiatrie is ontslagen, wie een misdaad heeft begaan, of zal begaan. Wie wanhopig is, wie harde tijden beleefd heeft, wie zijn leven opnieuw in handen probeert te krijgen, wie zijn vriend in vertrouwen neemt, wie niet bekeken wil worden, wie wantrouwig is, gehaast vol schaamte gebogen zich schuldig voelt, zelfgenoegzaam genesteld is.
Hij ziet wie willoos door het leven gaat, of lichtvoetig, of vertwijfeld…

Hoe intelligent ze kunnen zijn of niet.

De groepen waar iedereen in opgaat. De dronken soldaten ’s nachts of de vechtpartijen in het café aan de overkant.

Het stationsplein wordt zijn blik op de wereld van de volwassenen.

Maar nu is het stil rond het stationsplein, af en toe een ronkt auto.
Vakantiezomer.
Een trein ratelt over de sporen remmen krijsen stoom suist, geluiden sterven weg hijgend suizend zuigend zuchten schollend.

De geblokte vrouw met de spleetogen, die nooit lacht, borstelt de stoep voor haar winkeltje aan de overkant. Haar man met zijn veel te grote Canadese pet komt terug van de parkvijver. Hij draagt een rieten stoel en visgerief op zijn rug.

De buurmeisjes groeien dikke Maagdenburgse halve bollen onder hun lichte truitjes. De buurman laat zijn dochters wel lang zonder bh lopen zegt moeder.

Hij is een zware man met een zwarte walrussnor die langs zijn mondhoeken naar beneden loopt.

Sammy kijkt en zwijgt wanneer hij langs de meisjes stapt.

Op een dag begon er plots één van hen te schelden:
– “Smeerlap! Waarom zit ge ons zo aan te staren? Scheer je weg! Moet ge klop hebben!”
Het zijn potige meisjes met kort ros haar en dikke benen.
Sammy zei niets en keek beschaamd weg.

Ogen kijken niet alleen – zij leggen ook contact – dat kon hij maar niet geleerd krijgen.
Hij keek zonder zich er bewust van te worden dat zijn blik ook communicatie was.
Hij keek zoals een kind, starend uit verwondering. Uit eenvoud.
Maar iets in hem maakte dat die naïviteit nooit tot de anderen doordrong.
In zijn blik dachten ze vreemde dingen te lezen, geslepenheid, broedend op een plan, een afwachtende houding.

Nu schalt de schreeuwerige stem van moeder door het huis.
Hij weet dat dit uren zal doorgaan.
Soms vraagt hij zich af waarop ze niet probeert van te zingen.
Het lijkt hem allemaal zoveel verloren energie en het is zo storend.
Zij schreeuwt tegen vader die het weer gelukt is van haar op stang te jagen.
Sammy weet dat vader dan onbeweeglijk blijft.
Haar stom aankijkt zonder één spier van zijn gelaat te verroeren. Of haar een kort gedempt antwoord toesnauwt.

Sammy stopt zij oren dicht met de vlakke handen.
Hij gaat op bed liggen.
Zucht, kijkt lang naar het plafond.
Zoekt dan de bakelieten koptelefoon die pijnlijk spant om de oren en luistert zo naar zijn muziek.
Het bandopnemertje speelt kosmische muziek.
Sammy luistert, denkt en kijkt.

Popmuziek is nieuw voor Sammy.
Vader is gekant tegen popmuziek en moeder wil geen enkele muziek horen.
Alles moet stil zijn – Haar “muizen-oren” verdragen geen enkele klank.

Sammy stelt scherp op zichzelf.
Kijkt.
Neemt zichzelf waar als een object – als iemand anders.
Hij probeert naar zichzelf te kijken zoals anderen hem zouden zien.
Dit wil zeggen met woorden van de anderen.
Hij is wat de anderen van hem denken – en toch ook weer niet.

Hij is wat hij voor zichzelf is.
En het zijn de anderen die dwalen.
Die houdt hij wat voor, zodat hij door hun identiteitscontroles kon geraken.
Sammy wil aan niemand blijven hangen of haperen.
Maar hij moet wel naar school of op familiebezoek.
Zou hij ook vrienden kunnen hebben?

Sammy heeft weinig vrienden.
Zijn broertje Rudy des te meer.
Wanneer de verjaardagsgeschenkjes op tafel laatst werden uitgestald was de salontafel vol cadeautjes voor Rudy van vrienden en buren.
Maar toen Sammy’s verjaardag kwam bleef de tafel nagenoeg leeg.

Sammy kijkt naar een wereld waar hij zich niet in kan plaatsen.
– Iedereen kijkt vanuit zijn eigen cinemazaal –
Iedereen heeft een eigen donkere kamer. Iedereen speelt een rol in de film van iemand anders- en anderen spelen een rol in je eigen film – Denkt hij, liggend op bed, starend naar het plafond.
– Iedereen reflecteert iedereen. Iedereen vormt een schim voor iedereen, een schaduw in een grot –

En waar is dan het centrum?
Is er wel een centrum?
Is de wereld rond mij wel echt? – denkt Sammy – of leef ik in een droom van de anderen?
Misschien vormen ze een samenzwering, die anderen? Misschien weten zij wel alles.
Misschien kijken ze wel van hoog boven naar mij? Vanaf een onzichtbare plaats, van achter een doorzichtige spiegel.
Misschien maak ik deel uit van een psychologisch experiment. Zoals een rat die haar weg moet zoeken door een doolhof.
Misschien bestaat er niets van dit alles alles.
Misschien word ik voortdurend geobserveerd.

Misschien…

Advertenties

7 – De Burcht

Een felle wind rukte ontelbare papiertjes los en deed ze dwarrelen als grote witte vlinders over het grasveld.
Ze bleven maar uit de gebarsten kist stromen.
Ik slaagde erin van ééntje uit haar vlucht te graaien.
Het bleek een vel uit een oud schoolschrift te zijn.
– beschreven met vlekkerig bic op lijntjespapier –
Het handschrift was erg moeilijk te ontcijferen.

Ik las:

“Er was eens een koning en die leefde met zijn hofhouding in een gesloten burcht.

Op een dag had hij een wet uitgevaardigd die bepaalde dat al zijn onderdanen enkel nog “ja” mochten zeggen wanneer zij hem een antwoord gaven.
Hijzelf was de enige in het rijk die ook “neen” mocht zeggen.
Dat gebeurde vooral wanneer zijn onderdanen hem iets vroeger – of zomaar voor de lol van het “neen” te kunnen zeggen.

Deze koning droeg een zware kroon.
Die was zo zwaar dat hij er af en toe onder kreunde.
Dan kwamen zijn onderdanen toegesneld.
Hij diende dan even te gaan zitten want de kroon knelde dan zo erg dat zij hem veel pijn deed.

De koningin – (die eveneens enkel ja mocht zeggen) – herhaalde steeds wat de koning zei – behalve wanneer de koning “neen” zei, want dan zei ze helemaal niets.
Zij volgde hem als een schaduw.
En zij zegde steeds alles na wat hij zei (wanneer dat niet al te ingewikkeld was).

En er was ook het klein prinsje.
Die lachte altijd en riep af en toe eens “neen!”.
Maar dat bracht de koning en de koningin alleen maar aan ’t lachen, want het prinsje was hun oogappeltje.

Wanneer het gebeurde dat er iemand buiten de burcht moest of dat iemand naar binnen kwam dan werden die door de wachters streng in het oog gehouden.
Dat had de koning zo opgedragen.
De valbrug viel enkel neer voor degene die wist hoe zich volgens de hofregels te gedragen.

In een klein torentje aan de uithoek van deze burcht leefde een blinde bultenaar.
Hij was de hofnar.
Hij zweeg al jaren want het was niet makkelijk om grappig zijn wanneer je enkel “ja” mag zeggen.

En bij ieder “ja” kreeg hij het gevoel dat zijn bult nog meer groeide.

De nar was ook niet echt blind.
De duisternis van de burcht had zijn zicht schimmig gemaakt.
Doordat het zonlicht slechts zeer dun naar binnen kon sijpelen –
want de luiken waren steeds gesloten.

Het licht deed de koning pijn.
Wanneer de luiken open werden gelaten – omdat het kuisdag was bijvoorbeeld- dan hield de koning altijd de ogen gesloten.
Of de drukte de handen voor zijn aangezicht, om het pijnlijk licht te mijden.

Op een dag wilde de nar naar buiten.

Hij wou het licht van de zon kunnen zien en wilde weten wat er daar achter de horizon lag.
Die kon hij vanuit zijn torenkamertje net boven de slotmuur zien golven.

Hij had de burcht nooit verlaten.
Hij kende de omgeving enkel door langs de spleten van de luiken naar buiten te turen.
Of door de grote spiegeltafel in de centrale hal van het slot.
– Die weerspiegelde de omgeving via de periscoop in de hoogste toren.

Des avonds schaarde de gehele hofhouding zich rond deze spiegelende tafel.
Ze keken dan neer op het gebeuren van die dag in de wereld.
En ze luisterden aandachtig naar de koning die de toestand voorzag van uitvoerig commentaar.
Maar het viel ook voor dat iedereen alleen maar zweeg en keek.
Zo verliepen trouwens de meeste avonden.

Op een dag dag sloop de nar weg langs de zaalwachters.
Ze hielden hun middagdutje doordat er zo zelden iemand voorbijkwam.

Hij sloop heel voorzichtig op de tenen tot bij de grote poort.
Ontrolde daar traag het rad met de zware ijzeren ketting.
En liet haast geruisloos de valbrug dalen.
Niemand in het slapende paleis had iets gehoord.
Ook de koning had niets gehoord – maar hij voelde wel dat er iets gaande was en trok even zijn ééne oog open.

Nu waagde de hofnar zich naar buiten, de wereld in.

De zon scheen en de vogeltjes floten in de groene bomen wanneer hij met steeds snellere passen de slingerweg volgde naar de daken die achter de heuvel uitstaken.

Daar kwam hij in een dorp te midden van een drukke markt.

Daar – in de drukte van markt stond de hofnar bedeesd om zich heen te kijken.
De schouders wat opgetrokken.
Zijn hoofd gebogen zodat zijn bult nu wel enorm leek.

Tot zijn verwarring riep iedereen daar door elkaar – iedereen sprak daar zomaar!
En dat mocht en dat kon – was dat daar bij wet toegestaan?

De ene riep “ja!” en de andere weer “neen!”
Hij hoorde stemmen en nog andere stemmen door elkander.
Die riepen, die spraken, die mompelden,…
Hij hoorde lachen en schelden en nog veel meer, en ook woorden waarvan de nar niet wist wat ze zouden kunnen betekenen.

De mensen bemerkten hem en verwonderden zich over zijn uiterlijk en vroegen de vreemdeling waar hij vandaan kwam.
Ze verbaasden zich erover dat hij op iedere vraag steeds met “ja” antwoordde ook wanneer dat niet gemeend kon zijn – of zelfs ongepast was.

De nar wees naar de burcht en vertelde dat hij van de koning kwam.

Het volk kende die hoeve wel – die daar achter de heuvel lag maar dat het een burcht was, dat wisten ze niet, en dat die oude man met die daar met zijn vrouw en knechten woonden een koning was, daar hadden ze nog nooit van gehoord!
Zij wisten wel dat daar een vriendelijke man leefde die last had met iets aan zijn hoofd en een vrouw die goedaardig en een tikkeltje bedeesd was en steeds vriendelijk “ja” knikte, maar zij bevroedden niet dat deze een koning en een koningin waren.

Niemand in het dorp had er zich ooit rekenschap van gegeven van wat er in dat pachthof omging, en dat daar hofregels waren.

De nar keerde terug naar zijn vertrouwde burcht waar hij kon zwijgen, of steeds kon weten wat het antwoord was.
Waar men zijn koning als koning eerde wiens wil zijn wet was.

Hierbuiten – in deze verwarrende vreemde wereld lagen de regels anders.
Hier was zijn plaats niet – in deze buitenwereld werd hij niet begrepen en aangestaard.

Terug in de burcht stond de koning hem op te wachten, want hij had gevoeld dat de nar hem verraden had en ontsnapt was.

Hij stond hem aan de poort met de nog slapende wachters op te wachten.

De koning grijnsde en zei:
“Zie je nu wel dat je zonder mij niet verder kan!
Zie je nu wel dat heel je bestaan van de burcht afhangt en dat je beter hier zou blijven, en nooit meer weg zou gaan.”

De nar kromp ineen toen hij dit hoorde.
Ja! zei de koningin die nu ook tevoorschijn was gekomen – “zo is het, buiten de burcht ben je helemaal niets.
Zonder ons ben je niemand!”
“Neen!” Lachte het prinsje en het koningspaar lachte met hem mee.

De nar sloopt zwijgend weer naar binnen.
Achter hem viel kasteelpoort dicht met een knal die door de gangen galmde.”