38 – De Treinreis

Italië

Door Iris Nachtegaal

De chokolade-bruine trein raast door de Po-vlakte.
Rij na rij ruisen de ranken langs het raam – groengroen – groen, groen tot een fijne oker-gele lijn die vanaf de einder slangachtig slingerend een zandweg wordt en afzakt schuin nu recht nu schuin nu meelopend met de trein korter en korter komt tot de ratelende bel van de overweg ze doorbreekt.

Verschroeiend de zuiderse zomerzon.

Todeskaden! -todeskedan! -todeskeden!
schoe-schoe-schoe slaat de wind door de open treinramen
raast stemmen onder boven kraakt scheurt schokt mort
waggelwieggelt wiegt reizigers in slaap

Heen en weer en heen in slaap geschud.

Gebruinde mensen waggelende torsen op glimmend houten banken.
Een mond valt wijd open en toont zijn gouden tanden
de hals kan het hoofd niet meer rechthouden en zwaait het heen en weer
-/lijken / conentratiekamptreinen/ …

È pericoloso sporgersi

Triiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii!
fluit een tunnel in.

Huizen haken waggelend,
telefoondraden tekenen guirlandes door de wolkenloze hemel.

Groen – geel – geel – oranje – oker
velden bomen boom bomen struik struiken
wijnranken ranken aan ranken ranken marcheren in snelpas
staken verlaten

hok verlaten in de vlakte
Wie huist daar?

Schelle bel overweg op en neer gaat de toon zo:
rrrrrrrrriiiiiiiiiiieeeeeeeeeeeeeeeeelllllllllllllllllllrrrrrrrrrrr

Sammy hangt uit het treinraam.
De hete wind stroomt over zijn gelaat,
De Belofte, het verre land dichtbij.
Onbekend.
Bestemming de verwachting
bestemming de hoop
Het schone vrije einddoel.
het andere.

Deze morgen in de nachttrein had moeder hem en zijn broertje gewekt om de Zwitserland te laten zien.
Sammy zag voor het eerst bergen met sneeuwtoppen.
Rotsen bossen bruggetjes met bruisende watervalletjes
chaletjes en chocolade koeien.

Hoe ging het er aan toe het in Italië?
Brommers?
Vader wordt uitgevraagd over het vreemde land.
Nachttrein: slapen in een rijdende trein.
Woorden als “Couchette” duiken op.

Het lage station van Rimini centrale.
Oleanders uit een technicolor kleurenfilm.
met een Fiat-Taxi razend door het verkeer
azuurblauwe zee
cobaltblauwe hemel
riante bouwsels luifels blank, lila, oranje, gestreept rood geel parasolletjes
scooters drukte gebruinde mensen

AGIP VESPA OLIVETTI MARTINI

de stad is een bakhoven, af en toe de zee te zien tussen groen tussen witte blokken met grote terrassen stenen poorten
zo langs de kust tot aan het hotel
die avond leerde Sammy spaghetti opdraaien met vork en lepel.

Advertenties

37 – De Coiffeur

De kapper

Door Iris Nachtegaal

 

– Kort knippen op zijn Amerikaans. Zei vader tegen de kapper die grijnzend Sammy een wit plastiek schort voorhield.
Sammy ging niet graag naar de kapper.
En later koesterde hij steeds een zekere weerzin tegenover kappers.
Vader zei dat hij zijn haar liet groeien om niet naar een kapper te hoeven.
Deze Coiffeur was de voordeligste, en Sammy’s ouders ouders kenden hem een beetje. Soms bleven zij nog napraten wanneer de laatste klant al verdwenen was, terwijl ze plaatsnamen in de kapperszetels.

De kappersstoel die eruitzag alsof hij uit een jachtvliegtuig of een ruimtetuig kwam.
Het glimmende metaal en de rode sky.
Het duurde even voor de kapper de stoel op Sammy’s hoogte kon draaien. Het leek wel of hij er die extra hoog wide hebben.
Hij deed dat met een grijns en zijn sigaret in de dunne lippen. Hij draaide de stoel hoger en hoger totdat de blote knie van Sammy tegen zijn geslacht aandrukte.
Tijdens het kappen duwde de kapper steeds meer zijn scrotum tegen Sammy’s knie.
Sammy voelde de ballen van de kapper op zijn knie leunen, dat was vreemd maar ook gewoon.
Dat kon toch dat hij …Was dat zo?
Terug duwde de kapper Sammy’s knietje tussen zijn benen. En weer en weer terwijl de coiffeur steeds maar korter ging ademen terwijl hij knipte. Hij rookte keffend, blies en zuchtte terwijl de haarsnippers langs Sammy’s gezicht heen vielen en de knipperende schaar die soms in vrije beweging door de lucht knipte.
Hij deed dat snel, en hij rookte tot de as van zijn sigaret viel. De schaar klapperde als een vogel rond Sammy’s hoofd.
Die niet begreep wat er gebeurde, zoals hij volwassenen nooit goed kon begrijpen. Nooit wist wat ze willen of in petto hadden.
Hij had ook een balzakje, en had bij iemand anders nooit gezien dat die stijf werd. Zou dat wel gewoon zijn? Mama vroeg steeds of hij niet moest plassen wanneer ze zag dat die in zijn slipje omhoog stond.
Sammy wilde niet meer naar de kapper, maar vader dong hem.
Hij herhaalde dat en herhaalde dat op zijn snerpende toon dat zijn haar te lang tot Sammy daardoor gedwongen toch bij die kapper moest.
Toen hij ouder werd liet hij steeds zijn haren lang en bleef een hekel aan kappers voelen – Zonder dat hij zelf nog wist waarom.

Sammy voelde zich vernederd, telkens wanneer hij terugkwam van de kapper.

Zijn haar kort en borstelig.
Hij zag zijn onnozel gezicht in de spiegeling van de uitstalramen van de hoofdstraat passeren.

36 – Het Stotteren

Het Stotteren

 

Door Iris Nachtegaal

Een doolhof ontspon zich rond hem.

Steeds meer poogde hij zijn lichaamsuitdrukkingen in bedwang houden.
Zijn gelaat in de plooi houden, geen emoties meer te tonen.
Hij wilde het uiterlijk van een stenen beeld verkrijgen.
Ogenschijnlijk door niets bewogen.
De mensen rond hem mochten geen vat meer op hem kunnen krijgen.
Hij zweeg steeds meer, en zijn gelaat verried haast geen emoties.
Of, zo dacht hij toch.

Hij leek wel een weerkaatsing van de vale gangen en klaslokalen van het schoolgebouw. Met de onbestemde kleuren tussen blauw geel en groen.
Het vale licht van Grauwegomme.
Grijs
En zwijgen, ieder woord kon hem verraden, kon wat verraden?
Kon kwetsbaarheid verraden.

Eerst aarzelde hij om een zin te voltooien.
Dan stotterde hij.
Tenslotte zweeg hij.
Het feit dat hij iets ging gaan zeggen deed hem steeds meer angst krijgen.
In de klas kon enkel worden gesproken wanneer de leraar dat vroeg.
Leerlingen werden gestraft indien zij onder elkaar spraken tijdens de les.
Enkel op de speelplaats mocht je spreken.

Sammy stotterde meer en meer, de anderen bootsten hem dan soms na en lachten hem uit – vooral vader en moeder, en soms ook zijn broer .

Sammy had geleerd om zich te gedragen als omhulsel.
Om zich als een lichaam voor te doen en niet meer als geest aanwezig te zijn.
De gedachten zijn vrij.
– Hier ben ik zoals je me wil, maar met mijn gedachten ben ik ergens elders, daar waar ik wil zijn, vrij! .

35 – De Overkant

De Overkant

Door Iris Nachtegaal

Sammy kijkt uit het raam van de bovenverdieping.
Dit is de laatste ochtend van de zomervakantie.
Het stationsplein broeit zijn dagelijkse drukte.
Grote drommen stappen door de straat naar de fabrieken.
De tijd passeert.
Voertuigen rijden af en aan.
Alles beweegt.
Behalve de groene verweerde gevel van het oude hotelcafé aan de overkant.
Sammy zou willen dat alles bleef zoals nu.
Dat alles stil zou blijven staan.
Dat de tijd even zou ophouden.
Als op een foto. Dat het Nu zou blijven zijn zonder immer te veranderen.
Dat alles zich gewoon zou blijven herhalen.
Dat er geen nieuwe dingen meer zouden gebeuren.
Dat vandaag alles zou zijn, zoals morgen en over morgen.
Zoals de stilstand van deze groene verweerde gevel temidden van het geraas.

De tijd verloopt te snel.
Alles verandert veel te vlug.
De tijd snelt voort naar een wending die hij niet meer vertrouwt.
Wat er zal gaan gebeuren beangstigt hem.
Die veranderingen in zijn lichaam.
Die volwassene die hij zou worden en moest worden.

Met volle geweld dient zich de toekomst aan.
Alle wensen en onzekerheden.
De harde eisen van de wereld.

Waarom kan het niet blijven zoals het nu is?
Al die veranderingen, de middelbare school.
Het volwassen worden, eerst puber, dan man worden,
Baard krijgen, groot worden.
veranderen vreemd worden.
Angst overvalt hem.

En spijt om alles wat daar nu is – daar nu voor hem – in de gewone grijze verveling – ook dat zou verdwijnen.
Nu de dingen hun plaats en regelmaat hebben gevonden.

Kijk naar de ouderen, die trager stappen alsof de wereld hen toebehoort, en met de jongeren omgaan alsof die slechts tijdelijke gasten zouden zijn.
Zij hebben gezworen bij het verleden.
Bij de twee wereldoorlogen en de bezettingen, en de honger die ze hebben geleden.
Hun eigen jeugd die ze nooit gekend hadden.
Wat een brood of een sigaret kon betekenen zouden deze jongeren nooit kunnen begrijpen.

Honger lijden en onzekerheid.
Een vliegende bom boven het huis horen en luisteren of de motor afslaat – de stilte voor inslag. En wanneer komt de volgende?

Sammy kijkt naar de verweerde gevel met de groenige afbladderende restjes verf aan de overkant.
De tijd heeft zich getekend, de natuur heeft teruggenomen van wat van haar was ontnomen.
Het stationsplein met de bekende gezichten van onbekenden.
De man met de fiets, de Taunus 12 m die iedere dag om hetzelfde uur langs rijdt, nu volgt een Simca, dan de knorrende NSU en een reutelende Volkswagen.
Tijdloos dragen de glimmende stenen van deze straten iedere onafwendbare beweging.