17 – De Buurvrouw

Iris Nachtegaal is onze buurvrouw.

Ze houdt van poezen, en van alles wat groen is.
Ze draagt steeds rode of oranje lange fladderende jurken.
Ze zegt dat ze rond de vijftig is – maar ik vermoed dat ze reeds een eind over de zestig zou kunnen zijn.

Zij en mijn vrouw hebben elkaar leren kennen tijdens het tuinieren.
Tuinieren is het voorrecht van mijn vrouw.
Ik heb helemaal geen groene vingers – ik geniet van de tuin – spelend met de kinderen, zittend of lezend of geuren opsnuivend, uitgestrekt in mijn ligstoel in de lommer onder de populieren.

Mijn vrouw was in de weer met de haag toen aan de andere kant de buurvrouw kwam opduiken
(In plaats van haar hier steeds “mijn vrouw” te noemen zou ik voor haar een naam willen verzinnen – haar echte kan ik hier niet gebruiken. Ze wil namelijk niet op dit blog verschijnen – wat denken jullie van “Maria-Letizia”? – klinkt goed! – dus:

“Maria-Letizia was in de weer met de haag toen daarachter de buurvrouw plots opdook.”

De tuin van Iris is – hoe zou ik die kunnen beschrijven – enigszins verwilderd
– Vol met bloemen en planten – maar niet op die manier waarop je zou kunnen denken dat ze ooit werden aangeplant.
Alles groeit daar boven en door elkaar – een klimop klimt tot ruim over de helft van haar huis.

Onze tuin is bijna het tegenovergestelde.
Het huis is nu omgeven door een net afgereden gazon.
(Mijn vrouw zou graag een kunstwerk aankopen om daarin te plaatsen – maar dat zou ik zo lang mogelijk willen uitstellen – ik zie dat niet zo zitten…)

Sedert dat moment van het gat in de haag zijn zij bevriend geworden.
Iris komt hier regelmatig op de koffie – of Maria-Letiza is bij haar te gast.
Ze zit daar dan tussen kant en batik in hoge rieten zetels kruidenthee te slurpen omgeven door talloze poezen.

Gezien hun leeftijdsverschil zou je kunnen denken dat ze moeder en dochter zijn. (Mijn vrouw heeft nog niet de helft van haar leeftijd).

Het huis van Iris hangt vol met kleurrijke schilderijtjes –
Ik ben blij dat ik deze keer toch niet met mijn mond vol tanden sta .
Eindelijk kan ook ik iets kan zeggen over kunst!
– ik kan namelijk zien dat het landschapjes zijn.
En ik kan heel wat herkennen: onze tuin met ons huis op de achtergrond. Vooral het tennisveld komt regelmatig voor. Soms zie je enkel een detail van de zijlijnen op een groen veld .
Voor het overige verkies ik hier geen commentaar op te geven – zo loop ik niet de kans een mal figuur te slaan – Want ik klink niet overtuigend in beleefdheidsformules.

Geregeld geeft Iris thuis meditatieavonden en yoga sessies.
En ze helpt ook mensen met psychische problemen.
Onze buurvrouw is een soort “psychologe” – Ze heeft dat niet aan een universiteit gestudeerd maar ze heeft heel wat boeken over New Age, astrologie en esoterie – Ook “dieptepsychologie” zoals zij dat noemt houdt haar erg bezig.

Mijn vrouw zegt dat ze belangeloos mensen helpt.
Ze luistert dan diepgaand en geeft hen advies, levenslessen.
Maria-Letizia heeft veel bewondering voor mensen die zich sociaal inzetten.

Soms heb ik de indruk dat Iris een beetje zweverig is – maar zij en mijn vrouw verstaan elkaar uitstekend.
Iedereen vindt Iris Nachtegaal sympathiek – ook de kinderen.
Er speelt steeds een lieve glimlach in die heldere blauwe ogen die je rustig en aandachtig opnemen.

Tijdens één van hun kransjes kwam Sammy ter sprake.
( De vroegere bewoner van dit huis – haar vorige buurman).

Mijn vrouw vertelde over mijn vreemde “nieuwe hobby” – namelijk het doorpluizen van Sammy’s geschreven nalatenschap – Maar Iris vond dat helemaal niet vreemd – integendeel zelfs – het intrigeerde haar en ze wou er onmiddellijk meer over weten.

Maria-Letizia toonde haar het achterhuis (ik was toen op het werk) en Iris werd geïnteresseerd in alles wat ze daar zag. Ze was beginnen lezen in de notities die Sammy had achtergelaten.

Iris en Sammy liepen samen avondschool hier te Grauwegomme.
Het is eigenlijk een kunstacademie waar geschilderd wordt en gebeeldhouwd en nog vele andere dingen worden aangeleerd – zelfs fotografie.
We bezochten een tentoonstelling aan het einde van het vorige schooljaar – vooral omdat mijn vrouw een kunstzinnige activiteit voor onze bengels zocht.
Ik houd op die momenten zoveel mogelijk mijn kop.
Ik had mijn jasje reeds per vergissing aan een kunstwerk gehangen, denkende dat het een kapstok was – en bijna op een ander gaan zitten – had ik niet de vlammende blik van mijn Maria-Letizia opgemerkt met het opgehaalde-wenkbrauw-signaal.

Dat alles heeft gemaakt dat Iris nu mee wil werken aan dit blog – zij zal samen met mij de teksten van Sammy lezen en becommentariëren.
Ik ben daar bijzonder blij mee – het lijkt mij gezonder van dat met tweeën te doen – dat is kijken vanuit verschillende standpunten.

Het schrijven zelf zal ik blijven doen. (Iris houdt haat alles wat met computers of internet te maken heeft.)

Verwacht dus af en toe ook de commentaar van Iris bij de post –
Goed!
Dat geeft mij weer nieuwe moed om er tegenaan te gaan – Want de teksten die ik hier laatst vond waren alles behalve opbeurend…

Maria-Letizia glimlacht fijntjes en kijkt goedkeurend toe.

Advertenties

16 – De Tape

In een metalen doos heb ik een reeks oude cassette tapes gevonden
en een apparaatje om ze af te spelen.

De meesten bevatten een vreemdsoortige muziek – maar op enkele ervan zijn ook stemmen te horen
– Het is moeilijk uit te maken of de opnames werden gemaakt tijdens telefoongesprekken of wat hun eigenlijke oorsprong zou kunnen zijn.

Deze bandjes zijn in slechte staat.
Ze houden niet de juiste snelheid – of zou ook kunnen zijn dat het aan het toestel ligt?

Op deze hier zijn twee stemmen te horen
– de heldere melodieuze stem van een jonge vrouw en de diepere, iets nasale stem van een oudere man. Deze mannenstem komt mij om de een of andere reden toch bekend voor maar toch kan ik haar niet thuisbrengen – Toeval?

-Zij: Ben je bij hem al thuis geweest? Hij woont in een groot herenhuis met antieke meubels. Dat was het huis van zijn grootouders geloof ik…

-Hij (met stemverheffing): Och, hij is een profiteur! Hij heeft alles te danken aan zijn ouders. Hij heeft wel drie keren geprobeerd om iets te studeren en altijd maar mislukt en vader maar betalen! Hij heeft het zeer gemakkelijk gehad. Hij heeft nooit geweten wat hij wil altijd profiteren en nu werkt hij niet.
Eerst het ene dan het andere. En nu staat hij aan de dop!

-Zij (zachte stem verder van de microfoon): neen zeg, hij werkt nu bij de (onverstaanbaar)

-Hij: Bij de (onverstaanbaar) wel! Hij heeft drie jaar zijn kloten geschuurd als hij nu zijn stiel nu zou kennen!

-Zij: (onverstaanbaar gekras) -Ja zijn vader heeft daarvoor gezorgd.(onverstaanbaar)

-Hij: ja vader heeft weer alles in zijn plaats gedaan! Hij heeft het weer in de hand genomen, wanneer het van hem had afgehangen liep hij nog steeds over straat, werkloos of had hij weer wat aangevangen, zeg van hem zou ik iets krijgen, ik kan geen luieriken of profiteurs uitstaan! Als ik zie wat ik allemaal heb moeten doen om aan werk te geraken.
En hoeveel ik moet betalen voor die doppers!

-Zij: (onverstaanbaar, een krassend geluid, een geruis op de achtergrond)
Hij is een kunstenaar, hij maakt schilderijen..

-Hij: Hij Kunstenaar! Een artiest van mijn voeten ja! Wie zegt dat dat iets betekend wat hij daar doet? Heb je dat geklieder al eens gezien?
Dat kan iedereen! Ja ik weet dat hij schildert, en wie daarvoor weer zorgt. Eén en al politieke spelletjes, weer relaties! Weer eens mensen waarvan hij kan profiteren, die hij in de luren legt. Het is omdat die (onverstaanbaar) hem wil helpen, dat hij tentoonstellingen krijgt. Niet anders! Politiek. Zo een beetje met verf kletsen zoals die doet dat kan iedereen. (onverstaanbaar)
Hij doet maar op zonder te weten waar hij mee bezig is.
Hij rotzooit zo maar wat aan.

-Zij: (onverstaanbaar) Er wordt wel over gesproken in de school.

-Hij: Ja, dat zijn daar nogal artiesten! Vrouwen van dokters en notarissen en zo’n profiteurs die niet moeten gaan werken en hun man maar geld binnen brengen en zij zijn zoals hij die denken dat ze “artiest” zijn – ’t is allemaal van willen maar niet kunnen. Lui die niets anders kunnen dan profiteren! Zijn vader had gelijk, die zei dat hij beter bij de (onverstaanbaar) diende te gaan omdat daar iedereen bij gaat die lui is of niets kan. De halve dag op een plein staan rondkijken. En nu bij (onverstaanbaar), echt iets voor hem, luieriken!

– Zij: (heldere lach) haha! Maar de vrouwtjes zien hem wel graag.

– Hij: (onverstaanbaar) smalend: Ja, Hij heeft vooral succes bij oudere vrouwen

– Zij: Hij gaat veel weg met (onverstaanbaar, een naam met een a aan het eind Ina? Rita? Tina?).
– Jij, je bent jaloers!

-Hij: ik jaloers, dat zal wel! (onverstaanbaar) Ik heb tenminste gewerkt voor wat ik heb – De nietsnut! De profiteur met zijn luxeleventje, hij zou eens wat moeten meemaken (onverstaanbaar tot op het einde van de tape)

15 – De Jager

1,

Grootvader leerde mij sporen lezen.

Wanneer we gingen wandelen leerde hij me telkens letten op allerlei tekens:
aangevreten bladeren, gebroken takjes, uitwerpselen…
– Ze vormen telkens een spoor dat je onmiskenbaar zal leiden naar een bepaald dier – indien je ze juist hebt leren interpreteren.
Van zodra je een spoor gevonden hebt laat het je niet meer los.
Je ziet dan het dier voor je geestesoog – alsof het reeds daar voor jou staat.
– Je voelt niet wanneer wanneer je iets op het spoort bent – je bent daar zeker van.
De jager weet zeer goed aan wat hij zich mag verwachten. Zelfs de gestalte, de leeftijd van het beest, zijn gewicht – Dat beeld tekent zich duidelijker en duidelijker af naarmate hij verder in de sporen volgt..

In het bos kon grootvader steeds aanwijzen welke richting je diende uit te gaan en welk dier precies je daar zou aantreffen.
– Het bos was voor hem een soort “menukaart” zou je mogen zeggen.

Geen Westerling gelooft dat.
Ik weet dat dit aan jullie Europeanen heel moeilijk uit te leggen is.
Wij hebben zo iets als “voeling met de aarde”.
Een begrip dat ik hier slechts moeizaam kan omschrijven.
Het is zeker niet te verwarren met de romantische voorstellingen die jullie daarvan maken.
Het bestaat uit een intuïtieve zekerheid – een buikgevoel zeg maar – dat je vertelt in welke richting er voedsel te vinden is.
Welke plaats je moet kiezen om een kampement op te slaan of je hut te bouwen of je gebedsplaats – of waar je een graf moet delven.

De geesten kiezen hun plaats – dat kan je niet van dingen zeggen.

Maar die oude kerken van jullie waarom zijn die opgericht daar waar zij nu staan?

Hoe kon men destijds bepalen waar dat diende te gebeuren?

Hoe werd een plaats gewijd? Gekozen? Door wie en waarom?

Misschien is het daarom dat ik mij zo tot kerken aangetrokken voel – al dat i niet kan zeggen dat ik gelovig ben…

Maar vandaag is dat helemaal verdwenen

Hier in Europa wordt nu alles geregeld door ruimtelijke ordening, of de wilde ideeën een projectontwikkelaar.
Vandaag heeft men zelfs niet het flauwste benul waarover ik hier beschrijf – en ik weet dat – maar onze jagers die kennen dat nog!
Niet die jagers hier die schietgraag en luidruchtig het wild tussen twee autostrades opjagen.
Maar mensen die ooit lang in de beslotenheid van de natuur hebben geleefd of daar zijn geboren en opgegroeid zijn – die weten dat ongetwijfeld.
Het “instinkt van de jager” zeg maar – heeft iets te maken met kennis, maar evenveel met intuïtie en je toch kan je niet zeggen of het nu ene is of het andere is…

 

Het gaat zo:
Je blik valt onwillekeurig op een afgebroken tak – het is dan alsof je ogen je wenken.
Eerst twijfel je – dan vraag je je af: Heb ik nu wel goed gekeken?
– Maar wanneer dan andere sporen aantreft die eerste indrukken bevestigen, dan weet je met zekerheid wat er is.
Een geoefend jager weet ook precies wat hij opspoort.
Hoe meer je dat doet des te beter weet je naar wat te kijken wat je mag verwachten.
Een jager begeeft zich niet naar zijn prooi – Hij wordt naar zijn prooi toe gedreven.

2,

Vader werkte bij de kolonisten.
Hij had nooit meer gejaagd in zijn volwassen leven.
Maar zijn vader – mijn grootvader – die was een groot jager.
En hij heeft veel daarvan naar mij overgebracht.

Niet dat we veel dieren hebben gedood, dat zeker niet!
Dat mocht toen trouwens niet meer van de kolonisten.
– Wat die dan weer met dieren deden was ons een raadsel.
Ze in kooien bewaren? Waar was dat goed voor?
Waarom een beest zijn vrijheid ontnemen als je het niet opeet?
Een dier opgesloten in een kooi lijkt wel een mens.

Wij leerden voor de natuur respect te hebben en haar te vrezen.
Wij leerden voor haar te zorgen. En we wisten dat je nooit het recht hebt van haar zonder grondige reden te nuttigen.

Wij hadden waardering voor de natuur maar op een heel andere manier dan de Engelsen.
Wij waren genadig met de dieren en namen van hen enkel dat waar we behoefte aan hadden.
Niet meer, maar ook niet minder.
En we vroegen telkens om vergiffenis aan het wilde zwijn alvorens we het opaten.
– We hadden daar trouwens een gebedje voor – ééntje nog van voor onze missietijd dat aan de kinderen werd geleerd, omdat het kort was en fijn rijmde en geheimzinnig fluisterend kon worden uitgesproken.

3,

Grootvader kon niet geloven dat er zo iets bestond als “vleesindustrie” daar walgde hij van!
– Bijna zo heftig als toen de missionaris die films in onze parochie had vertoond over de oorlogen in Europa en de concentratiekampen.
– Ik was toen erg jong en ik heb zelf die beelden nooit gezien – maar ik herinner mij heel goed hoe diep grootvader daarvan was aangedaan, hoe hem de tranen hem in de ogen stonden. Zo’n wanhoop had ik in zijn blik nooit eerder gezien…
– Grootvader geloofde dat de hel werkelijk bestond en in Europa lag.
Europa leek ons het continent van de onderwereld.
De hel, zoals die door de missionaris werd voorgehouden – waar de zondaars in het eeuwige vuur werden gedoopt – die verschrikkelijke beelden van gedrochtelijke muilen die zielen opslokken – Die hel had een plaats op aarde en die plaats heette Europa – Hij geloofde toen weer eventjes dat de kolonisten die demonen waren die uit de onderwereld kwamen teruggekomen.

Duitsers kende hij helemaal niet.
Die waren nooit tot onze streken doorgedrongen – zelfs niet tijdens die oorlog.
Waarschijnlijk is het ons geluk geweest dat we van de kust door een hogen bergketen en een jungle  waren afgesloten –

Bij ons waren de Engelsen maar in kleine getallen toegekomen – met mondjesmaat.
Grootvader vertelde herhaaldelijk over die eerste keer toen hij ze zag. Hij was toen zelf nog een kind wanneer enkele blanken voor het eerst in onze streken verschenen. De dorpelingen dachten dat zij zielen waren die uit de onderwereld waren teruggekomen.
– Ze zagen er bleek uit en afschuwelijk zoals je van lijken mag verwachten – één van ons herkende zelfs zijn overleden oom.

Maar toen het ons duidelijk werd dat dat niet zo was – dan vonden wij hen vooral grappig en interessant.
Gestreden is er nooit geweest.
In ons dorp is nooit één schot gelost geworden. Tenzij dat ene door die Engelsman, die het nodig vond de werking van zijn geweer op een varkentje te demonstreren.
– We dachten toen even dat hij de donder beheerste.
Waarschijnlijk was hij zelf angstig geworden. Maar wij zijn nooit echt bang voor hen geweest.
We onthaalden hen als mensen die verdwaald waren in de jungle en hulpbehoevend waren. We geven ze te eten en verzorgden de gewonden.   We lachten vooral veel met hun kinderlijke onwetendheid en onhandigheid – hoe zij zich soms aanstelden als voor dingen die bij ons heel normaal waren- terwijl ze zich tegenover  echt gevaarlijke dingen er onvoorzichtig konden zijn.
We haalden daar dikwijls ons voordeel uit. Vooral bij de antropologen die kwamen om ons te bestuderen – daar haalden we de meeste grappen mee uit- daar bestaan heel wat lollige verhalen over.

4,

Mijn vader had zijn jagersinstinct helemaal verloren.
Hij wou geld verdienen in het mijnbedrijf. Delven naar wat men toen de “zwarte diamant” noemde.  En waarnaar onze streek toe werd genoemd.  Ik zag vader iedere morgen vertrekken gekleed in een driedelig pak met lederen aktetas onder de arm en een bijzonder ernstige gelaatsuitdrukking.

Maar doordat ik veel met grootvader op stap kon gaan werd dat instinkt bij mij wel wakker gehouden.

Dat voel ik nu terug.
Vreemd genoeg bij het lezen van deze teksten van Sammy
– Het is alsof ik sinds lang weer een spoor kan ruiken!

Iets zegt de jager in mij om verder te gaan – de afdrukken te volgen – en hoe langer ik ze volg hoe duidelijker Sammy voor verschijnt.

Maar iets doet mij aarzelen want ik weet tevens – met even grote zekerheid – dat er iets onheilspellend, iets dreigend in het centrum van dit doolhof  wacht.
Iets waarvoor ik moet waarschuwen?
Iets donker als een dichte wolk die haar schaduw over het land legt.