42 – De Engel

Sammy

 

Door Iris Nachtegaal

‘s Avonds in bed gelegen, kon Sammy nadenken.
Een belangrijk deel van zijn leven speelde zich in bed af.
Daar werd hij pas zichzelf, daar pas, wanneer de lichten uit waren en hij alleen met zichzelf kon zijn.
Dan kon hij zijn fantasie de vrije loop laten.

Denken en dromen over alles wat hem bezighield zonder dat iemand hem daarbij opmerkingen maakte, zonder dat iemand zei dat hij zijn aandacht niet mocht afdwalen, zonder dat iemand hem verweet: “Je ben aan’t dromen Sammy, let toch op!”.
In bed was er niets dat zijn aandacht kon opeisen dan zijn eigen gedachtengang, zijn eigen angsten en hopen, verlangens, zijn fantasie.

Sammy dook dan in verhalen die hij steeds verder uitwerkte en waar vele figuren hun rol bleven spelen;

Iedere mens en iedere situatie met anderen was voor Sammy een vraagstuk.
Iedere omgang met anderen werd een reden om zich vragen te stellen.

Sammy dacht:
– Wie ben ik voor de anderen en wie zijn zij voor mij?
– Hoe gedraag ik mij tegenover de anderen? en waarom en hoe gedragen zij zich tegenover mij? en waarom?
– Hoe krijg ik contact met anderen?
– Wie zijn ze en wie ben ik?
Wie word ik in hun ogen en wie worden zij in de mijne?

De massa die hem omringt en waar hij niet in kan opgaan – die hem observeert – die hij observeert.

De familie rond de tafel.

Vrolijk en onbezonnen kon hij nooit zijn – hij kon zich nooit laten gaan.
Dat kende hij niet.
Voortdurend leefde hij met angst, en de vrees om gecontroleerd te worden.
Bekeken vanuit een controlepost waar steeds iemand hem keurde, iets op hem aan te merken had.

Die stemmen bleven hem achtervolgen.
Stemmen die vragen stellen, ontmoedigen, niet kunnen begrijpen, uitroepen, zuchten…
Steeds die stemmen die het gemeenzame zeggen,
vol van onbegrip zijn
vol van oppervlakte…

Sammy leerde voor engel op aarde.
Het was maar pas later dat hij dat zou ontdekken.

In hem leefde een vreemd, zwijgend, toekijkend wezen.
Die afwezig-aanwezig was.

De blik van een starende vreemde, die
op zichzelf bestond en sterker was dan hij en al het andere.

Sterker dan alles in hem en rond hem heen.

Die kracht nam het van hem over.
Die was het die het hem belette te spreken.

wanneer treinen ’s nachts langs dorpen razen.
verschuilt een wereld zich achter gevels.

Advertenties

0 – Sammy

 

 

Sammy

Ramses Shaffy

Sammy loop niet zo gebogen
denk je dat ze je niet mogen
waarom loop je zo gebogen Sammy
met je ogen Sammy op de vlucht
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want daar is de blauwe lucht

Sammy loop niet zo verlegen
zo verlegen door de stegen
waarom loop je zo verlegen Sammy
door de regen Sammy van de stad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want dan word je lekker nat

Sammy
kromme kromme Sammy
dag Sammy
domme domme Sammy
kijkt niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

Sammy wil bij niemand horen
zich door niets laten verstoren
toch voelt hij zich soms verloren Sammy
hoge toren Sammy kan niet aan
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want daarboven lacht de maan

Sammy wilt met niemand praten
maar toch voelt hij zich verlaten
waarom voel je je verlaten Sammy
op de straten Sammy van de stad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want dan word je lekker nat

Sammy
kromme kromme Sammy
dag Sammy
domme domme Sammy
kijk niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

Sammy wil heus wel veranderen
maar is zo bang voor de anderen
waarom zou je niet veranderen Sammy
want de anderen Sammy zijn niet kwaad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
anders is het vast te laat
Sammy loopt maar door de nachten
op een wondertje te wachten
wie zou dit voor jouw verzachten Sammy
want jou nachten Sammy zijn zo koud
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
er is één die van je houdt

41 – de Redding

 

 

Duizelen

Iris Nachtegaal

Sammy duizelde.
Had angst om zelfcontrole te verliezen, en te storten.
Dan probeerde hij om alles van op een afstand te bekijken.

Niemand hielp hem en iemand zag dat er wat scheelde.
Sammy was stil, zo was hij.
Vreemd zegden de buren.
– Hij is zo – zei zijn moeder.

Zijn ouders keken steeds langs hem heen.
Wanneer zij aan tafel zaten bijvoorbeeld.

Het gezin bestond uit hen, zijn broertje en de hond.
Sammy circuleerde daarbuiten.

Wanneer de druk te veel werd viel Sammy in zwijm.
Bij de dokter bijvoorbeeld, wanneer het onmiskenbaar
werd dat hij bestond, een lichaam had, pijn kon lijden, een
prik kon voelen.

Bloed kon verliezen, een onvermijdelijk lichaam zijn, een fatale lichamelijke aanwezigheid.
Daar zijn.
Hier zijn.
Steeds
en niet daaraan kunnen ontsnappen
gevangen zijn.
Sterfelijk zijn.
Pijn te moeten verdragen.

Hij hoorde duizenden violen, die schirpten als krekels,
ruis stroomden door zijn oren en dan werd alles zwart, dan
was hij weg vanwaar hij niet meer wou terugkeren.

Hij was bewusteloos gevallen.
Hij was uit zijn lichamelijke werkelijkheid weggevlucht.
Hij viel op de betonnen straatstenen en zelfs dat deed hem geen mijn.
Zo’n voorval werd later talloze keren door zijn ouders opgehaald
om hem te bespotten!
Zoals die dag op een kerkhof waar een lijk opgegraven werd.
Sammy liep weg door het glinsterende hek naar buiten.
Jaren later nog werd dat hilarisch opgehaald, vooral door zijn moeder dat hij daar “pijn aan zijn buik had” gekregen.

Ieder teken van emotie bij Sammy werd door zijn ouders bespot, lang onthouden en tot jaren daarna verschillende keren teruggebracht.
Inleving kenden zij niet.
Zij schenen niet te kunnen verstaan wat er in hem omging.

Sammy wilde hen buiten houden, wilde iedereen buiten houden.
Hij wilde een stenen beeld worden,
geen gelaatsuitdrukkingen meer hebben die hem kwetsbaar maakten.
Vleeshaken in zijn aangezicht die het in de gepaste uitdrukkingen konden trekken.

Niets meer meedelen.
Zwijgen, afzijdig blijven, leven binnen zijn eigen wereld.

Door zich terug te trekken, door niet mee te doen, zou hij zich kunnen handhaven.
Invloeden uitschakelen, vlug naar huis lopen na de schooltijd, zodat hij dan enkele uren voor zichzelf kon maken alvorens zijn ouders er aan kwamen.
Rudy was dan nog bij de grootouders, en de ouders kwamen aan precies om twintig voor zes toe want dan kwam hun trein.
Ondertussen kon Sammy naar muziek luisteren en denken.
Hij rende naar huis.
En sloot zo vlug mogelijk de beste deur van de wereld achter zich.

Alleen zijn wou voor hem zeggen:
Geen commentaar meer te hoeven ondergaan van vader of moeder of de anderen.
Geen opmerkingen meer op de minste zucht of beweging die hij maakte.
Geen spot, geen kwetsende anekdotes van jaren geleden, geen bitsige opmerkingen, Geen klappen of stompen te krijgen wanneer vader ongeduldig werd en Sammy in zijn vizier verscheen.

Zijn vader herinnerde graag en veel:
“wat zal jij doen als wij er niet meer zijn!?” – dat werd voortdurend herhaald.
“Wat ben jij zonder ons? Wat zou je zonder mij zijn?”

Het kind is afhankelijk en moet alles verdragen en kan nergens anders naar toe.
Voor Sammy was er geen uitweg, niet binnen familieleden, niet in de buurt, niet op de school, de vrienden of de jeugdbeweging de…er was geen uitweg.

Onrecht bracht hem tot zwijgen en dat zwijgen werd voor hem de enige mogelijke weg om dat onrecht uit te drukken.
Zijn zwijgen schonk hem ruimte in zijn hoofd, plaats voor hemzelf.
De enige plek die niet kon worden betreden.
De enige plek waar zij geen toegang toe hadden, de wereld van zijn gedachten en zijn gevoelens. Zijn dromen en fantasieën.

Vluchten
Afsluiten
Weggaan
zich opsluiten, afzonderen en verdwijnen voor het zicht van de andere,
Niet mededelen
geen dingen zeggen die later tegen hem konden worden gebruikt.

Soms werd het zwijgen krampachtig werd, alsof hij zou barsten.
Soms kookte hij vanbinnen van woede – maar door niets aan hem was dat te zien.
Maar wie goed observeerde kon merken dat hij dan zijn handen in elkaar wrong of voortdurend met opgetrokken schouders liep.
Zijn blik strak naar de grond gericht.

Met gesluierd verstand rondlopen
Donker zijn
schijnbaar onkwetsbaar
Weg van iedereen

In hem leefde een vreemd, een zwijgend toekijkend wezen.
Dat afwezig aanwezig was.
Een zwijgende, starende, vreemde in huis die autonoom bestond en sterker was dan hij en al het andere.

Sterker dan alles in hem en rond hem en voor hem.

40 – De Fiets

FIETS

Door Iris Nachtegaal

Fietsen is een feest!
Het feest van de vrijheid.

Hier nikkelblinkend in de zon!
Rood-wit het frame met daarop
“Flandria” in sprookjesschrift,
oranje de dikke banden en
bruin uitnodigend een driehoekig zadeltje.
En een bel met zilveren gerinkel.
Eindelijk weg het driewielertje.
Trappers die Torpedotrappelen,
gewonnen-verloren gewonnen-verloren
een feest van lichten, spaken met vele schichten

bolebolebole bolebolebolebolebolebolebolebolebole

Deze fiets zou de wereld voor Sammy openen.
Met deze fiets zal hij de ruimte in snelheid doorklieven, met onmetelijke verkenningsmogelijkheden

Snelheid snelheid, de wereld raast voorbij, sneller dan lopen, losmaken van de aarde, vooruitschieten, nu ben ik hier, nu ben ik daar, niet hier niet daar, ik ben vooruit, en ben
tegen, tegen de wind, tegen de zwaartekracht.
Tegen alles was vasthoudt en gevangen houdt – dit is is vrij zijn!

Laat ze nu maar rennen!
Grootmoeder en grootvader kunnen mij nu niet meer aan, niemand kan mij inhalen als ik dat niet wil!
Ik ben nu hier ik ben nu daar en straks ginder.

De wind is wind is snelheid streelt langs de wangen in het gezicht speelt en fluit en schreeuwt;

Vluchten van het licht in de schaduw van de bomen in het park in het flitsend licht tussen de bladeren steeds rond en rond het vijvertje en vooruit en weg weg!
Het piepend melodietje van wielen en ketting.

Bollebollebolle!

Rik Van Looy! – Rik Van Looy!! – Rik Van Looy!!!

39 – de stemmen

 

 

Stemmen

door Iris Nachtegaal

Voor Sammy betekende iedere ontmoeting een definitie, een rol in een spel, een toegewezen taak, een stolp over zijn denkvermogen, een stem die krijste zodat hij niet meer denken kon, enkel nog dat stemgeluid kon horen.

De wereld is een gevangenis.
Iedereen is de gevangene van iedereen.
Door de kijkende, loerende, glurende, bezwerende, foeterende anderen
– de autoritaire anderen – de anderen die niet begrepen, niet voelden, bevelen schreeuwden, oordeelden, die rechter waren van uit hun zetel, en alles van boven af aan volgden.
Die eisen stelden, zegden hoe het zijn moest, wanneer het moest, en wanneer het diende te stoppen.

Het onder de aandacht te zijn, beheerst overheerst te worden.

Het liefst had Sammy gehad dat ze allemaal oplosten.

Sammy had dat tv-spel gezien over een bankbediende die zich in de kluis tijdens de middagpauze had teruggetrokken om ongestoord te kunnen lezen terwijl buiten alles door een ramp vergaat.
Hij weet niet wat de wereld is overkomen.
Enkel dat hij nu de enige overlevende is.
Hij beschikt over alle goederen en er zijn bibliotheken met duizenden boeken die hij nu ongestoord kon lezen.
Want er is nu niemand meer die hem zal kunnen storen of afleiden.

Er was steeds iets dat Sammy terugtrok.
Iets dat hem verhinderde om alleen en rustig te zijn.
Een orde, een bevel, een oproep een plicht.

Een andere stem die aan hem knaagde.

Alleen zijn op de wereld.
De wereld van de dingen voor hem alleen.
De wereld zonder wezens die hem verplichten, die hem opeisen, kwellen, vernederden, uitlachen.

Het geliefde maanlandschap.
Verlaten tot ver achter de horizon.
Ongestoord slapen, en dromen.
Ongestoord ontwaken.
Ongestoord kijken en luisteren.
Ongestoord zijn.

Zich tot zijn eigen waarde verheffen, en alleen daar zijn om dat te doen.
Zich daarop te kunnen concentreren op hij zijn aandacht wilde richten.
Zonder lawaai om hem heen, zonder storing.
Zonder geblaat, gezwets, gehuil of geroep van een stem.
Geen stem dan die in zijn binnenste, zijn innerlijke gesprekspartner zijn eeuwige kameraad.

Wie was die?
Van waar kwam die stem?
– dat oor aan de innerlijke telefoon die steeds naar hem luisterde.
Die hem steeds verstond.