8 – De Foto

De volgende dag, vroeg in de ochtend, haalde ik de gebarsten kist weer uit de container. (Nog net voor de dienst kwam om hem op te halen.)

Wijzend naar de koffer stelde ik mijn vrouw voor om hier nog even mee te wachten.
Ik wou liever eerst de inhoud hiervan doorzoeken.
Ik sleepte alleen de koffer naar het achterhuis.
De kinderen hadden nog gisterenavond de weggewaaide papiertjes verzameld en ze door de barst in het deksel gepropt. Her en der puilden ze uit.

Mijn vrouw keek mij na – maar ze zei niets.

Wat ik gisteren gelezen had kon mij niet meer loslaten.
Het had mijn dromen beheerst afgelopen nacht .

In het achterhuis hebben we nog niets ondernomen – wordt het de garage?
Het is een houten schuur met hoge naakte ramen – met overal bleke spinnenwebben.

Ik sloot de deur achter mij.
Met een koevoet wrikte ik open wat er nog restte van het deksel.
En begon met de koffer leeg te maken.

Ik spreidde de inhoud in stapeltjes over de vloer.
Er waren verschillende pakken brieven – die met een fijn koordje waren samengebundeld.
Ze waren allemaal geadresseerd aan:

“aan De heer Sammy Vander Straet”

– verschillende afzenders – verschillende handschriften –
oude blauwkleurige postzegels met heraldische leeuwen of okerkleurige- waarop een gebrilde generaal was afgebeeld.

Ik werd benieuwd met wie ik hier te doen had – kon dat die vorige eigenaar geweest zijn?
Wie zou die mijnheer Van der Straet dan wel moge zijn?

Ik klapte mijn iPhone open
– googelde zijn naam
– Giovanni della Strada, Giovanni Stradano, Giovanni Stratensis, Samuel Ven der Straet, Sammy van der Straet –
– een kapperszaak?
– een artikel uit een krant..
– een slagerij die niet meer bestond
– een hondenfokker?
Geen enkele informatie leek toepasselijk…

Ik scrolde terug naar dat krantenartikel.
Het was van meer dan een jaar terug.
Ik klikte om de link te openen.

Er verscheen een foto uit een dagblad.
Op de voorgrond keek een politieagent recht in de lens.
Hij droeg een fluo-vest en hield zijn hand opgestoken naar de fotograaf als om die tegen te houden.
Achter hem: mensen met blauwe maskertjes en gummi handschoenen in witte overalls en enkele brandweerlui tussen verschillende voertuigen met zwaailichten die her en der over een gazon geparkeerd stonden.
En op de achtergrond – het huis, dit huis!

Ik het begon het artikel te lezen.
Na enkele regels stokte mijn ademhaling en schoot mijn blik in een reflex op naar de deur.

– Dit zou mijn vrouw beter nooit te weten komen of ze ken geen nacht meer gerust slapen hier in dit huis !

Advertenties

7 – De Burcht

Een felle wind rukte ontelbare papiertjes los en deed ze dwarrelen als grote witte vlinders over het grasveld.
Ze bleven maar uit de gebarsten kist stromen.
Ik slaagde erin van ééntje uit haar vlucht te graaien.
Het bleek een vel uit een oud schoolschrift te zijn.
– beschreven met vlekkerig bic op lijntjespapier –
Het handschrift was erg moeilijk te ontcijferen.

Ik las:

“Er was eens een koning en die leefde met zijn hofhouding in een gesloten burcht.

Op een dag had hij een wet uitgevaardigd die bepaalde dat al zijn onderdanen enkel nog “ja” mochten zeggen wanneer zij hem een antwoord gaven.
Hijzelf was de enige in het rijk die ook “neen” mocht zeggen.
Dat gebeurde vooral wanneer zijn onderdanen hem iets vroeger – of zomaar voor de lol van het “neen” te kunnen zeggen.

Deze koning droeg een zware kroon.
Die was zo zwaar dat hij er af en toe onder kreunde.
Dan kwamen zijn onderdanen toegesneld.
Hij diende dan even te gaan zitten want de kroon knelde dan zo erg dat zij hem veel pijn deed.

De koningin – (die eveneens enkel ja mocht zeggen) – herhaalde steeds wat de koning zei – behalve wanneer de koning “neen” zei, want dan zei ze helemaal niets.
Zij volgde hem als een schaduw.
En zij zegde steeds alles na wat hij zei (wanneer dat niet al te ingewikkeld was).

En er was ook het klein prinsje.
Die lachte altijd en riep af en toe eens “neen!”.
Maar dat bracht de koning en de koningin alleen maar aan ’t lachen, want het prinsje was hun oogappeltje.

Wanneer het gebeurde dat er iemand buiten de burcht moest of dat iemand naar binnen kwam dan werden die door de wachters streng in het oog gehouden.
Dat had de koning zo opgedragen.
De valbrug viel enkel neer voor degene die wist hoe zich volgens de hofregels te gedragen.

In een klein torentje aan de uithoek van deze burcht leefde een blinde bultenaar.
Hij was de hofnar.
Hij zweeg al jaren want het was niet makkelijk om grappig zijn wanneer je enkel “ja” mag zeggen.

En bij ieder “ja” kreeg hij het gevoel dat zijn bult nog meer groeide.

De nar was ook niet echt blind.
De duisternis van de burcht had zijn zicht schimmig gemaakt.
Doordat het zonlicht slechts zeer dun naar binnen kon sijpelen –
want de luiken waren steeds gesloten.

Het licht deed de koning pijn.
Wanneer de luiken open werden gelaten – omdat het kuisdag was bijvoorbeeld- dan hield de koning altijd de ogen gesloten.
Of de drukte de handen voor zijn aangezicht, om het pijnlijk licht te mijden.

Op een dag wilde de nar naar buiten.

Hij wou het licht van de zon kunnen zien en wilde weten wat er daar achter de horizon lag.
Die kon hij vanuit zijn torenkamertje net boven de slotmuur zien golven.

Hij had de burcht nooit verlaten.
Hij kende de omgeving enkel door langs de spleten van de luiken naar buiten te turen.
Of door de grote spiegeltafel in de centrale hal van het slot.
– Die weerspiegelde de omgeving via de periscoop in de hoogste toren.

Des avonds schaarde de gehele hofhouding zich rond deze spiegelende tafel.
Ze keken dan neer op het gebeuren van die dag in de wereld.
En ze luisterden aandachtig naar de koning die de toestand voorzag van uitvoerig commentaar.
Maar het viel ook voor dat iedereen alleen maar zweeg en keek.
Zo verliepen trouwens de meeste avonden.

Op een dag dag sloop de nar weg langs de zaalwachters.
Ze hielden hun middagdutje doordat er zo zelden iemand voorbijkwam.

Hij sloop heel voorzichtig op de tenen tot bij de grote poort.
Ontrolde daar traag het rad met de zware ijzeren ketting.
En liet haast geruisloos de valbrug dalen.
Niemand in het slapende paleis had iets gehoord.
Ook de koning had niets gehoord – maar hij voelde wel dat er iets gaande was en trok even zijn ééne oog open.

Nu waagde de hofnar zich naar buiten, de wereld in.

De zon scheen en de vogeltjes floten in de groene bomen wanneer hij met steeds snellere passen de slingerweg volgde naar de daken die achter de heuvel uitstaken.

Daar kwam hij in een dorp te midden van een drukke markt.

Daar – in de drukte van markt stond de hofnar bedeesd om zich heen te kijken.
De schouders wat opgetrokken.
Zijn hoofd gebogen zodat zijn bult nu wel enorm leek.

Tot zijn verwarring riep iedereen daar door elkaar – iedereen sprak daar zomaar!
En dat mocht en dat kon – was dat daar bij wet toegestaan?

De ene riep “ja!” en de andere weer “neen!”
Hij hoorde stemmen en nog andere stemmen door elkander.
Die riepen, die spraken, die mompelden,…
Hij hoorde lachen en schelden en nog veel meer, en ook woorden waarvan de nar niet wist wat ze zouden kunnen betekenen.

De mensen bemerkten hem en verwonderden zich over zijn uiterlijk en vroegen de vreemdeling waar hij vandaan kwam.
Ze verbaasden zich erover dat hij op iedere vraag steeds met “ja” antwoordde ook wanneer dat niet gemeend kon zijn – of zelfs ongepast was.

De nar wees naar de burcht en vertelde dat hij van de koning kwam.

Het volk kende die hoeve wel – die daar achter de heuvel lag maar dat het een burcht was, dat wisten ze niet, en dat die oude man met die daar met zijn vrouw en knechten woonden een koning was, daar hadden ze nog nooit van gehoord!
Zij wisten wel dat daar een vriendelijke man leefde die last had met iets aan zijn hoofd en een vrouw die goedaardig en een tikkeltje bedeesd was en steeds vriendelijk “ja” knikte, maar zij bevroedden niet dat deze een koning en een koningin waren.

Niemand in het dorp had er zich ooit rekenschap van gegeven van wat er in dat pachthof omging, en dat daar hofregels waren.

De nar keerde terug naar zijn vertrouwde burcht waar hij kon zwijgen, of steeds kon weten wat het antwoord was.
Waar men zijn koning als koning eerde wiens wil zijn wet was.

Hierbuiten – in deze verwarrende vreemde wereld lagen de regels anders.
Hier was zijn plaats niet – in deze buitenwereld werd hij niet begrepen en aangestaard.

Terug in de burcht stond de koning hem op te wachten, want hij had gevoeld dat de nar hem verraden had en ontsnapt was.

Hij stond hem aan de poort met de nog slapende wachters op te wachten.

De koning grijnsde en zei:
“Zie je nu wel dat je zonder mij niet verder kan!
Zie je nu wel dat heel je bestaan van de burcht afhangt en dat je beter hier zou blijven, en nooit meer weg zou gaan.”

De nar kromp ineen toen hij dit hoorde.
Ja! zei de koningin die nu ook tevoorschijn was gekomen – “zo is het, buiten de burcht ben je helemaal niets.
Zonder ons ben je niemand!”
“Neen!” Lachte het prinsje en het koningspaar lachte met hem mee.

De nar sloopt zwijgend weer naar binnen.
Achter hem viel kasteelpoort dicht met een knal die door de gangen galmde.”

6 – The Box

Meanwhile we have been living here for over a few months now.
That didn’t went without any trouble.

We have retained most of the furniture – my wife loves antique.
The children are also fond of the carved animals – beautiful in every detail – “half elevated” my wife says.

And I find our interior very funny.
Sometimes I feel like walking around in an old filmstudio.
– As a child, I often went to see the movies showed in the missionpost with grandfather.
Old English films where projected.
Grandpa loved Hitchcock.
Now I am living on an Hitchcock movie set! – I sometimes say jokingly.
  
First I had proposed to sell the other stuff – or simply to give it away – But my wife wanted to take the time neede to look at each piece separatly.
– Here are many beautiful and valuable things! – she exclaimed -“let’s take a look and see what we can use.”

She started with the paintings.

My wife is the one with artistic feelings.
(She used to work for an art gallery uptown.)
As for me – Well, when it’s not about sports or maths, my interest start weakening rather quickly.

– She had put a few canvasses side by side up to the wall and scrutenized them them extensively –
(She then walks from here to there, moves the order of the objects, changes the light and stand stands still sometimes squinting)

I must admit that I understand little about art.
I could hardly figure out what the top or bottom of such a picture might be – splashes and sweeps of paint – like a floor mat out of a workplace.

According to her, these paintings are made by the same painter.
They can be classified as “abstract expressionism” – but apparently their value remains doubtful.

She wanted to keep some- “the stronger ones”.

– I feel better in mathematics and science – especially physics.
If it ought to be socially permissible, I would like to express myself in every occasion in mathematical equations.
– The elegance of some laws in physics shows the most pure form of beauty.
Mathematics – Temple of Ratio and Order – Where everything is in place and nothing is lost. Love it!

She also thought of the family we had bought the house from.
– “Maybe they want something to commemorate the deceased previous owner?”
After several attempts, she managed to get someone on the phone.
But the communication was cut off after a short answer.

Most of the rooms were from bottom to top full of the greates variety of objects – the previous occupant collected just about everything.
So it was quit a job cleaning the house.
My wife had our work well prepared – plastic gloves – dustbags – dust masks.
A container was put alongside the house. It had to be picked up several times to be emptied.
 
It was a on hot day in August.
We released the upper floor – down the garden we could hear the children playing cheerfully.
By the end of the day we found an old black wooden suitcase in a corner of the attic.
– Buried under cardboard boxes, rolls of paper, coats and a lot of weird objects.
– A travel suitcase of the type that colonists used to have when they arrived in my country.
My grandfather had received one of his master who served him as a wardrobe.

The loud noise rose again – the sign of fierce wind in the row of poplaries behind the house – as I remembered.

There were dark clouds covering the sky.
And suddenly it got quiet a lot cooler.
We were both very tired at the end of that day.
And we decided to throw this chest – without even opening “one-two-three “ up on the container.

CRACH!!

The box fell with a loud bang up on the metal litter under in the container.
The black wooden chest had burst open and a multitude of white papers chased by the wind fluttered through the garden.

The children ran trying to catch them.
And we tried also to grab as many as possible.

We burst into unbearable laughter when we saw the wind – quickly browsing like a fool through notebooks – tearing page after page, taking them high in the air scattering them all over the grass .

I could grab a page in her flight and started reading …

6 – De Kist

Ondertussen zijn we hier reeds enkele maanden ingetrokken.
Dat heeft heel wat beslommeringen met zich meegebracht.

We hebben de inboedel grotendeels behouden want mijn vrouw houdt van deze antieke meubels.
Ook de kinderen zijn er dol op – vooral op de dieren waarmee ze versierd zijn.
Die zijn trouwens erg in detail uitgewerkt – “halfverheven” noemt mijn vrouw dat.

En ik vind ons interieur vrij grappig.
Soms krijg ik het gevoel van in het décor uit een oude filmnoir rond te lopen.

Als kind trok ik met grootvader dikwijls naar de filmtent van de missiepost.
Daar werden oude Engelse films vertoond. Opa was dol op Hitchcock.
Nu leef ik op een set van Hitchcock! – zeg ik soms schertsend.

Ik had voorgesteld van de huisraad door een koper te laten ophalen – Maar mijn vrouw wilde rustig de tijd nemen om ieder stuk van de boedel te bekijken.

– Hier zijn veel mooie en waardevolle dingen – zei ze – Het is beter dat we niet alles zomaar van de hand doen – laten we samen rustig kijken wat we hiervan nog wensen te behouden.“

Zij begon met de schilderijen.

– Van ons twee is mijn vrouw degene met artistieke gevoelens.
(Ze werkte vroeger voor een kunstgalerie.)
Wat mij betreft – Wel, wanneer het niet over sport of wiskunde gaat begint mijn aandacht snel te verslappen.

Zij had enkele doeken naast elkaar tegen de muur gezet en uitvoerig bekeken –
(Ze loopt dan van hier naar daar, verplaatst de volgorde van de werken, verandert de lichtinval en zit soms lang gehurkt met de ogen half dicht ernaar te turen)

Ik moet bekennen dat ik weinig van kunst versta.
Ik zou met moeite kunnen uitmaken welk de onder- of bovenkant van zo’n beeltenis zou kunnen zijn – spatten en vegen – zoals een mat die over de vloer van een werkhuis heeft gelegen.

Volgens haar zijn deze schilderwerken van dezelfde hand.
Ze kunnen geklasseerd worden onder het “abstract expressionisme” – maar blijkbaar zijn ze moeilijk te dateren en blijft hun waarde twijfelachtig.

Ze wilde er wel enkele van behouden – “die sterker zijn dan de andere”.

– Ik voel mij beter thuis in de wereld van wiskunde en wetenschappen – vooral van fysica.
Indien het maatschappelijk toelaatbaar zou zijn, zou ik mij steeds in mathematisch formuleringen willen uitdrukken – De elegantie van sommige wetten in de natuurkunde vertolken voor mij de meest zuivere vorm van schoonheid.
Wiskunde – tempel van ratio en orde – Waar alles zijn plaats heeft en niets verloren gaat. Heerlijk!

Zij dacht ook aan de familie waarvan we het huis hadden gekocht.
– Misschien wilden die nog wel een werk als aandenken aan de overledene?
Na verschillende pogingen slaagde zij er in om iemand aan de lijn krijgen.
Maar het contact werd na een kort antwoord afgebroken.

Dat selecteren van de huisraad werd een hele klus – want de meeste kamers waren van onder tot boven volgestouwd – de vorige bewoner verzamelde zowat alles.

Mijn vrouw had ons werk goed voorbereid – plastieken handschoenen – stofjassen – stofmaskertjes.
We hadden een container langs het huis laten plaatsen die verschillende keren moest worden opgehaald om geledigd te worden.

Het was een snikhete dag in augustus – we baadden in het zweet.
We maakten de bovenverdieping vrij en hoorden beneden in de tuin de kinderen vrolijk spelen.
Tegen het einde van de dag troffen we op zolder een zwarte houten koffer aan.
Hij lag bedolven onder kartonnen dozen, rollenpapier, kaften en de meest bizarre voorwerpen.
– Een koffer van het type die de kolonisten vroeger in mijn land lieten dragen.
Mijn grootvader had er van zijn meester één gekregen die hem dienst deed als kleerkast.

Het luide geruis steeg weer op – het teken van felle wind in de rij populieren achter in de tuin.

Er waren donkere wolken komen opzetten. Het werd koeler.
We waren beiden erg vermoeid van de helde dag sleuren.
En we besloten deze koffer, zonder openen, één-twee-drie op de container te kieperen.

KRAAK!

Ze vloog met een luide knal op de metalen rommel onder in de laadbak.
De zwarte houten kist was openbarsten en een veelheid van witte paperassen fladderden door de tuin opgejaagd door de wind.

De kinderen liepen ze gillend na en probeerden ze te vangen.
En dat deden wij ook.

We barstten in een onbedaarlijk lachen uit toen we zagen hoe de wind als een gek door de vrijgekomen schriften bladerende.
Vellen ras na elkaar losrukte en ze met een vaart in de hoogte stoof en liet wervelen.

Ik kon een pagina uit haar vlucht grijpen en begon te lezen…