20 – De Kippenpoot

De hen met de gebroken poot

Door Iris Nachtelgaal

Oma en Opa woonden vlak bij de school.

Iedere middag zaten Sammy en Rudy bij de grootouders mee aan tafel.

Nooit was er rust voor deze oude mensen want de broertjes hadden er plezier in van allerlei kattekwaad uit te spoken. En ongehoorzaam te zijn.

Met een strijdkreet, de vork in de knuist stoten ze af op de pan met gehaktballetjes, of doopten hun frieten in spuitwater. Maar zee werden stil wanneer ze balletjes met appelmoes voorgeschoven kregen of Spaghetti met bruine suiker of fish-sticks.

Onder elkaar spraken ze een “eigen taaltje” een striptaal die onverstaanbaar was voor niet ingewijden.
Nochtans besteedden de grootouders veel aandacht aan tafelmanieren.

De houding aan tafel, het gebruik van vork en mes werd voortdurend bijgesteld.

Alles speelde zich af in de kelderkeuken van het grote herenhuis in het centrum van de stad.
De grootouders waren van eenvoudige komaf en het leek wel of ze niet dorsten van hun huis te bewonen. Als dienstknechten leefden zij in hun eigen huis. Alsof ze geen recht hadden op de volledige ruimte.

Daar in huis liepen er ook twee kippen.
Zij luisterden naar de namen Tik Bonifaas en Tjip Grootefloot.
Sammy en Rudy hadden elk hun kip als huisdier.
Bonifaas was een dikke witte kip en Grootefloot een bruin geschulpte.
De kippen logeerden bij oma en opa in de tuin.
Maar wanneer de broertjes kwamen mochten de kippen ook binnen.

Dan kregen ze wat toegesmeten van tafel zoals dat voor een hond had gekund.

Of ze zaten klagend te kakelen op de dwarsplank tussen de tafelpoten.
Op een dag brak Bonifaas haar kippenpootje.
Niemand weet nog precies hoe dat had kunnen gebeuren.
Toen bracht grootmoeder de kip naar de dierenarts die de poot in het gips legde.

Het beestje zat dan in zichzelf kakelend onder de eettafel met een slap kammetje de tijden van beterschap af te wachten.

Grootefloot en Bonifaas werden na hun lang leven in de tuin begraven.

Want zelfs kippen kunnen niet eeuwig blijven leven –

Later werden er kuikentjes aangekocht.
Die werden steeds groter en potiger, vooral hun kam groeide uit tot een  kaproenactig hoofdekseltje en aan de poten groeiden wratachtige bobbels spoedig uit tot sporen.
Dat waren geen kippen maar hanen! En die werden steeds maar agressiever.
De tuin werd prijsgegeven als hun territorium en iedereen die er kwam werd prompt door hen aangevallen.
Zodat het pluimvee nu moest worden opgesloten.
Zij kregen bieden een hok in de tuin dat vandaar het Kot in de Hof werd genoemd.

Ze kraaiden lang victorie

Advertenties

19 – Het Plein

“Sammy”

door
Anker Tong & Iris Nachtegaal

 

 

 

Wat denken jullie hier van:
“Sammy Vander Straet” door Anker Tong en Iris Nachtegaal?
– We werken nu regelmatig aan dezelfde hobby – of hoe zou je dit anders kunnen noemen?
Iris heeft eerder letterkundige talenten en meer psychologisch doorzicht dan ik.

Ik ben een zoeker – ik wil tot een slotsom komen, een omsluitend antwoord op de vraag waarom Sammy zweeg  – dit vraagstuk oplossen. (Wat erg overeenkomt met mijn beroep: problemen zien en ze oplossen, “depanneren” zeg maar.)

– Iris niet- zij wil uitdiepen en de zaak langs alle kanten kunnen bekijken.

Ze zegt dat we niet noodzakelijk tot een eenduidige beeld hoeven te komen

– “Hier kunnen verschillende waarheden naast elkaar bestaan, verschillende geschiedenissen die elk naar hun eigen waarde geschat kunnen worden…”

(Soms geloof ik dat ze meer met Sammy te maken heeft gehad dan dat ze voor het ogenblik bereid is om toe te geven – hoe intiem hebben zij elkaar wel gekend?
Och, zou dat belangrijk kunnen zijn?

Zoeken jullie mee naar verklaringen en duidingen?

Alle hulp is welkom!

Daarom is dit een blog, niet?

 

Het Plein

Door Iris nachtegaal

Sammy zit aan het open raam.
Het zomers avondlicht speelt breekbare schaduwen over het stationsplein.

Sammy kijkt naar de steeds terugkomende gezichten.
Hij kent ze allemaal. Voor hem zijn ze transparant.
Hij kan dwars door hen heen kijken. Hij kan voelen hoe ze in hun vel zitten.

De twee meisjes die steeds samen zijn – waarvan er één altijd een hoofddoek draagt.
De jongeman die aarzelend en gebogen alleen door het park loopt.
De man met zwarte glimmend gepoetste schoenen – de blik steevast op de straatstenen gericht.
En de één-kamer-bewoners van het café aan de overkant.

Sammy geeft ze allemaal een naam: Arie Ragebol, Pietje Vlam, De Maestro, Douwe Kwak, Stafke Mottenbol, Den Duits, de Kolonel,…
Sammy kan zien wie eenzaam is, wie uit psychiatrie is ontslagen, wie een misdaad heeft begaan, of zal begaan. Wie wanhopig is, wie harde tijden beleefd heeft, wie zijn leven opnieuw in handen probeert te krijgen, wie zijn vriend in vertrouwen neemt, wie niet bekeken wil worden, wie wantrouwig is, gehaast vol schaamte gebogen zich schuldig voelt, zelfgenoegzaam genesteld is.
Hij ziet wie willoos door het leven gaat, of lichtvoetig, of vertwijfeld…

Hoe intelligent ze kunnen zijn of niet.

De groepen waar iedereen in opgaat. De dronken soldaten ’s nachts of de vechtpartijen in het café aan de overkant.

Het stationsplein wordt zijn blik op de wereld van de volwassenen.

Maar nu is het stil rond het stationsplein, af en toe een ronkt auto.
Vakantiezomer.
Een trein ratelt over de sporen remmen krijsen stoom suist, geluiden sterven weg hijgend suizend zuigend zuchten schollend.

De geblokte vrouw met de spleetogen, die nooit lacht, borstelt de stoep voor haar winkeltje aan de overkant. Haar man met zijn veel te grote Canadese pet komt terug van de parkvijver. Hij draagt een rieten stoel en visgerief op zijn rug.

De buurmeisjes groeien dikke Maagdenburgse halve bollen onder hun lichte truitjes. De buurman laat zijn dochters wel lang zonder bh lopen zegt moeder.

Hij is een zware man met een zwarte walrussnor die langs zijn mondhoeken naar beneden loopt.

Sammy kijkt en zwijgt wanneer hij langs de meisjes stapt.

Op een dag begon er plots één van hen te schelden:
– “Smeerlap! Waarom zit ge ons zo aan te staren? Scheer je weg! Moet ge klop hebben!”
Het zijn potige meisjes met kort ros haar en dikke benen.
Sammy zei niets en keek beschaamd weg.

Ogen kijken niet alleen – zij leggen ook contact – dat kon hij maar niet geleerd krijgen.
Hij keek zonder zich er bewust van te worden dat zijn blik ook communicatie was.
Hij keek zoals een kind, starend uit verwondering. Uit eenvoud.
Maar iets in hem maakte dat die naïviteit nooit tot de anderen doordrong.
In zijn blik dachten ze vreemde dingen te lezen, geslepenheid, broedend op een plan, een afwachtende houding.

Nu schalt de schreeuwerige stem van moeder door het huis.
Hij weet dat dit uren zal doorgaan.
Soms vraagt hij zich af waarop ze niet probeert van te zingen.
Het lijkt hem allemaal zoveel verloren energie en het is zo storend.
Zij schreeuwt tegen vader die het weer gelukt is van haar op stang te jagen.
Sammy weet dat vader dan onbeweeglijk blijft.
Haar stom aankijkt zonder één spier van zijn gelaat te verroeren. Of haar een kort gedempt antwoord toesnauwt.

Sammy stopt zij oren dicht met de vlakke handen.
Hij gaat op bed liggen.
Zucht, kijkt lang naar het plafond.
Zoekt dan de bakelieten koptelefoon die pijnlijk spant om de oren en luistert zo naar zijn muziek.
Het bandopnemertje speelt kosmische muziek.
Sammy luistert, denkt en kijkt.

Popmuziek is nieuw voor Sammy.
Vader is gekant tegen popmuziek en moeder wil geen enkele muziek horen.
Alles moet stil zijn – Haar “muizen-oren” verdragen geen enkele klank.

Sammy stelt scherp op zichzelf.
Kijkt.
Neemt zichzelf waar als een object – als iemand anders.
Hij probeert naar zichzelf te kijken zoals anderen hem zouden zien.
Dit wil zeggen met woorden van de anderen.
Hij is wat de anderen van hem denken – en toch ook weer niet.

Hij is wat hij voor zichzelf is.
En het zijn de anderen die dwalen.
Die houdt hij wat voor, zodat hij door hun identiteitscontroles kon geraken.
Sammy wil aan niemand blijven hangen of haperen.
Maar hij moet wel naar school of op familiebezoek.
Zou hij ook vrienden kunnen hebben?

Sammy heeft weinig vrienden.
Zijn broertje Rudy des te meer.
Wanneer de verjaardagsgeschenkjes op tafel laatst werden uitgestald was de salontafel vol cadeautjes voor Rudy van vrienden en buren.
Maar toen Sammy’s verjaardag kwam bleef de tafel nagenoeg leeg.

Sammy kijkt naar een wereld waar hij zich niet in kan plaatsen.
– Iedereen kijkt vanuit zijn eigen cinemazaal –
Iedereen heeft een eigen donkere kamer. Iedereen speelt een rol in de film van iemand anders- en anderen spelen een rol in je eigen film – Denkt hij, liggend op bed, starend naar het plafond.
– Iedereen reflecteert iedereen. Iedereen vormt een schim voor iedereen, een schaduw in een grot –

En waar is dan het centrum?
Is er wel een centrum?
Is de wereld rond mij wel echt? – denkt Sammy – of leef ik in een droom van de anderen?
Misschien vormen ze een samenzwering, die anderen? Misschien weten zij wel alles.
Misschien kijken ze wel van hoog boven naar mij? Vanaf een onzichtbare plaats, van achter een doorzichtige spiegel.
Misschien maak ik deel uit van een psychologisch experiment. Zoals een rat die haar weg moet zoeken door een doolhof.
Misschien bestaat er niets van dit alles alles.
Misschien word ik voortdurend geobserveerd.

Misschien…

18 – De Geboorte

Iris en ik zitten hier nu regelmatig samen om de “erfenis van Sammy te verdelen”.

We hadden enkele oude röntgenfoto’s gevonden.
Toen we deze tegen het licht hielden konden wij duidelijk een baby onderscheiden die nog in de buik zat.
Het opmerkelijke eraan was dat de navelstreng zich blijkbaar rond de hals van de foetus had gedraaid – (het zijn erg oude foto’s – ze zijn niet bijzonder scherp)
Er lagen ook nog enkele familiefoto’s bij.

Iris Nachtegaal heeft deze gegevens over Sammy’s geboorte samengevoegd en geromantiseerd in de volgende tekst:

1,

Middernacht
Sterrenparels vallen uit het hemelzwart.
Zij druppelen, gorgelen, worden opgeslokt door de duizenden kelen van afvoerbuizen.
Glinsterend stippelen zilveren regendruppels onder wiegende straatlantaarns, verstarde cyclopen die neerkijken over de glimmende verlaten straten.

De daken van Grauwegomme glanzen onder een aanhoudende regen.
Een voordeur gaat open.
De  gestalte van een jonge man verschijnt in tegenlicht.
Hij draagt een alpin en een bleke regenjas met opgeslagen kraag.
Hij brengt een fiets naar buiten .

Victor Vander Straet fietst door de druilerige nacht naar het kerkplein -daar wachten taxi’s – zijn vrouw staat op het punt te bevallen.
Zij gaat bevallen van hun eerste kind!

“Verantwoordelijkheid! weer een nieuwe verantwoordelijkheid op mijn schouders, en als dat maar goed gaat!”
Regen slaat hem in het gezicht.
De fiets slipt af en toe op de gladde kasseien – spat hoog op door de plassen. Victor voelt niet – hoort niet – wil enkel vooruit – zo vlug mogelijk  doorzetten – want iedereen wacht op hem.

De taxi’s staan aan het eind van de laan.
Knorrende diesels, muisgrijze bolhoedvormige wagens.
Niets daarvan ziet hij, niet de regen, noch de straten enkel deze taak die voor hem staat.
De verantwoordelijkheid voor de nieuwkomer, een meisje of een jongen, een zoon of een dochter, de zorg, de vijand, de redding, de naam
– wat diende – wat moest van de pastoor het geslaagde huwelijk
– de kinderwens van zijn jonge vrouw – zijn toekomstig vaderschap.
De ronde zwarte auto bracht hen beiden naar het ziekenhuis.
Zij zwijgzaam verkrampt.
“Hebt ge zeer?” vraagt hij haar – zij knikt neen en houdt de lippen op elkaar geperst haar gelaat is strak en bleek .
Zo heeft hij haar nog nooit gezien.
Nu moet hij zich sterk tonen, zij hangt van hem af. Alles hangt van hem af zoals gewoonlijk – Een duistere stad verschuift onpeilbaar achter beregende ramen. De ruitenwissers huilen.
– Nog eventjes zegt hij we zijn er bijna – fluistert hij
Strak en wit staat het hoge bed klaar – met daarnaast een bazige verpleegster.

2,

Hij mag niet bij het kraambed.
Hij wacht op de gang en hoort de dokter tegen de verpleegster fezelen dat er iets zeldzaams aan het kind te zien is.

Is het de navelstreng – die als een strop rond het halsje geknoopt is?

De vroedvrouw grijpt de pas geborene aan de voetjes vast, met de kop hangend naar beneden. Het kind spartelt als een vis.
Dan kletst ze op de billetjes.
Lucht stroomt voor het eerst door de longen en de baby.
Sammy huilt om zijn eerste wereldse ervaring.

3,

De foto’s laten een gelukkige moeder zien omringd door de familieleden met glunderende blikken.
De ouders wilden een moderne korte Engelse naam: Sammy
Sammy werd een gemakkelijke baby.

Het gebeurde wel eens dat hij  ‘s nachts weende.

Maar wanneer dat te herhaaldelijk voorkwam dan weerhield Victor zijn vrouw om weer uit het bed te klimmen –
“Hij speelt met uw voeten!” zei hij – “Nu is het genoeg! Ge zij daarnet al geweest!”
Het wenen van Sammy stopte na enige tijd en bleek na enige duur steeds te verminderen, niettegenstaande de baby  ’s nachts verschillende keren wakker werd.

Het kind bleef dan in het donker staren zonder nog te huilen of enig ander geluid te maken.
En een warmte voelde op zijn borst – die van zijn eigen hand.