51 – De Race

Luc

Door Iris Nachtegaal

 

Luc werd Sammy’s vriend.
Hij was een jongen die uit Afrika over gekomen was en hier niemand kende.
Luc en Sammy gingen ieder weekeinde naar de film.
Een film over race wagens en het ruwe rijden door onbebouwde wegen.
Het was zonnig weer en kermis.
Na de film gingen ze daar naartoe.

Een circuit van snelle autootjes om te racen.
Rammele, gammele raceautootjes door een dikke rubberen band omspannen zoals autoscooters, jongensachtig brutaal zoals het hoorde!  luidruchtig, metaal en staal en een ruw metalen knop als gaspedaal, rammelend over de houten planken in een 8-vorm achternagezeten door de andere rijders …

Maar het liep verkeerd.

Of draaide Sammy de bocht te kort af, of reed een andere op hem in?

Raakte zijn arm in het stuurwiel dat omsloeg door de klap?

Een heftige pijn in zijn arm.

Sammy stapte uit het karretje, alles zinderde duizelde als duizenden bijen in zijn hoofd, brandend pijn in zijn arm, die hij zich als een roodgloeiend licht voorstelde  die hij omhoog hield,

Alles stopte, duizelde, mensen keken, bleven staan,
Sammy leunde tegen een boom en de mensen kwamen om hem heen staan, en zagen hoe bleek hij was, dat er iets scheelde, hij duizelde weg, vroeg om hulp..

“He Sammy je uurwerk!” hoorde hij Luc roepen “het is stuk”

Het volk dat in een kring om Sammy stond, keek, maar reageerden niet. Alsof de bleke lijdende jongen, ruggelings tegen deze boom ineengezakt, een deel uitmaakte van het kermis spektakel.

Advertenties

32d – De Hond met de Zwarte Kop

De Hond

Door Iris nachtegaal

Sammy reed met zijn fietsje langs de overkant toen een deur op een kier ging. Een man liet een hond vrij uit.

Een grote hond met een zwarte kop, een dalmatiër die Sammy blaffend achterna liep.

De veilige thuishaven lag een de overkant dus fietste Sammy snel de straat over zonder nog te durven omkijken.

Een auto stopte met knarsende remmen.

De chauffeur was daarna niet meer in staat om verder te rijden.
De geburen boden hem een glas water aan.
Hij had een voorgevoel, daardoor was hij trager gaan rijden.

De dalmatiër met de zwarte kop werd nadien nooit meer in de straat gezien.

32C – Het Blauwe Gevaar

Madam Lauwers

Door Iris Nachtegaal

Madam Lauwers- fel blauw mantelpak, gouden ringen, oorringen en in de mondhoek een gouden tand, die niet zichtbaar werd wanneer ze lachte maar wanneer ze grijnsde.
Madam Lauwers lachte nooit.

Zij luisterde met gesperde ogen naar wat grootmoeder zei.
Zij zweeg met een kramp om haar mond.
Sammy voelde dat ze luisterde met een bedoeling.

Iemand die op die manier luistert is gevaarlijk wanneer je vrijuit spreekt.

Maar grootmoeder zag dat niet.
Ze praatte lustig door. En het blauwe gevaar ging met de strakke blik de deur uit.

De week daarop – zoals iedere iedere week- kwam ze aanbellen. Maar oma liet haar niet meer binnen.
-…dat ze niet meer moest komen,
– En ik die dacht hier met vriendelijke mensen te doen te hebben!
kon Sammy haar door de straat horen roepen.
Maar Sammy was blij dat ze niet meer zou terugkeren!

32 b – Het Vuur

Licht Vuur

Door Iris Nachtelgaal

Sammy hield van vuur maken.
Krantenpapier of hout in brand steken.

Vlammen zijn wonderlijk dansende geesten.

Hij zorgde er wel voor dat hij steeds een emmer water bij de hand had. Maar grootmoeder was erop uitgekomen dat hij een brandje had aangemaakt in het hok. Niet omdat ze brand had geroken maar omdat de jongens zich in het kot hadden teruggetrokken en stil waren.
Te laat hadden ze haar zien afkomen. Met rasse schreden naderde ze en zweeg, wat uitzonderlijk was.
Ze keek grim. Zoals een non op een devote manier grim kijkt.
Zo waren ontdekt!
En ‘s avonds ging zij dat zeker aan Ma en Pa vertellen.
Om de slagen en gekijf af te wenden dacht Sammy dat het beter was om het zelf te berde te brengen voordat oma het zou aanbrengen.

Hij kon haar de pas afsnijden.

Moeder zei dat hij een pyromaan was, en dat hij zich zou moeten schamen.
Maar zan het aanmaken van een kampvuur werd niet gedacht.

Sammy zal zich nooit een aanmoedigend woord van zijn ouders kunnen herinneren. Niet één enkele goedkeuring.
Maar hij stond daar nooit bij stil.
Hij aanvaarde dat onvoorwaardelijk.
Omdat hij zich niet kon voorstellen dat het anders kon.
Hij nam het beeld de ouders van hem hadden over als getrouw.
En had enkel de kritiek voor zichzelf die de ouders op hem gaven.

Hij diende voor de wereld te verbergen hoe slecht en mislukt hij wel was.

Niemand mocht te weten komen welk ongebroed zijn vader had.

Wanneer zij samen met vader aan tafel zitten, zijn ze met zijn jongere broertje in de weer en soms met elkaar.
Hem kijken ze nooit aan.
Vader zit soms schuin aan tafel.
Hij leunt daarbij op de elleboog terwijl hij met de romp gedraaid in zijn bord plukt.
Kijkt ook niet meer naar moeder.
Met de rug naar Sammy.

Wanneer de soep wordt opgediend snort hij – Die soep is zuur! Ik wil ze niet!- Hij zet zijn bord neer op de vloer.
De hond komt er aan ruiken en keert zich af.
-zie de hond wil het ook niet!
-moeder ontsteekt in woede.
Haar geschreeuw zal uren duren.
En bij de buren duidelijk te horen zijn.
Wat roept zij?
Niemand zal het zich ooit herinneren.

50 – Het Harnas

Sammy

Door Iris Nachtegaal

Hoe hij wegschoof en verder wegschoof om plaats te maken voor die verdrukkende vader die alle ruimte innam. Zoals een jongere boom krom groeit onder een oudere die hem licht en ruimte ontneemt.
Vader die het centrum van het huishouden en het universum scheen te zijn.
Alles draaide rond hem, en wat dat niet deed werd listig ontmoedigd.

Sammy had geleerd om zich te redden door zich af te zonderen.
Door eenzaamheid op te zoeken, door zich in zijn kamer terug te trekken.
Wanneer hij alleen was kon hij standhouden. Door het breken met de anderen, kon hij voor zichzelf zorgen. – Kwam hij tot leven in zijn eigen verhalen.
En dat bleef zo.
In hem was zijn eigen ruimte.
Zijn eigen ritme.
Zijn eigen verhaal waarin anderen hun rol toebedeeld kregen.
Soms werden zij figuranten, of personages, stemmen, dialogen.
Telkens in moeilijke perioden zal dit zijn uitweg zijn.
Zich terug trekken.

Daaruit vloeide voort dat ook hij, tegenover de anderen, een rol ging spelen. Eens hij het stilzwijgen had doorbroken restte hem deze aangemeten rol.
Zoals hij ook de anderen tot personage in zijn voorstellingswereld had gemaakt.
Zo speelde hij nu zelf zijn rol ten overstaan van de anderen.
Zijn wereld was een schouwtoneel.
Soms kwam hij hovaardig over. Breedsprakig, betweterig soms.
Zoals ook zijn vader die rol tegenover de huisgenoten speelde.
Hij had nooit geleerd om tussen de mensen te zijn.
Om met anderen te delen.
Hij voelde zich steeds een vreemde, een buitenstaander.
Met wie niemand iets deelt, die zelf nooit geleerd heeft om te delen met anderen.

Zich in zichzelf keren, zich ultiem terugtrekken.
Voor allen zijn kiezen. Zijn eigen hulpverlener worden.
Zijn kostbaarste bezit werd dat kamertje voor hem alleen.
Dat ontstolen moment waarin hij zich kon afsluiten.
Dat schild waarmee hij af en toe naar de anderen kon.
Dat harnas dat hem beschermde.
Hij werd toeschouwer – geen mededinger of medewerker, of mede…

En soms keerde dat om – hij stapte in een rol om naar de anderen toe te kunnen gaan.

De buitenwereld – een theater – een arena.

Het werd onmogelijk om zich te verdedigen vanuit deze toestand.
Omdat hij zo zijn eigenlijke positie onmogelijk bepalen.
Hij kon nooit van uit zijn eigen kern de kracht van emoties voelen.
Hij kon die ook niet laten blijken door afhankelijk te zijn van het omhulsel dat hij om zichzelf gesponnen had. Of toch zo beeldde hij zich dat in.
Hij wist niet wie hij was en waartegen hij zich diende te verweren.
De anderen zagen dat echter wel. De jongeren om hen heen werden trouwens meer en meer meester in dat sociaal spel, groeiden erin.
Die andere hadden geleerd om door komedie te verhullen of te bespelen.
Maar zijn schild zijn enige toevluchtsoord

Daardoor leerde kon hij zichzelf nooit goed leren kennen.
Hij zweeg zodat noch hij noch de anderen precies wisten waarvoor hij stond.

Op sommige momenten kon dat omslaan.
Hij kon plots agressief worden.
Gestuwd door een onbedwingbare macht.

(Dat zou allemaal duidelijker worden tijdens een verblijf in een vakantie kolonie aan de kust; een briefwisseling werpt hier veelt op – maar dit vertel ik jullie later)

– Liefde –

Hij werd verliefd van op een afstand.
En zelfs wanneer het tot omgang kwam bleef hij zich afsluiten.
Tot op het seksueel moment.
De andere was steeds een brug die hij diende te overschrijden. Nooit een gezellig gebeuren.
Hij had vooral slechte vrienden, die van hem gebruik wisten te maken. Of die hem verwijten maakten in dezelfde woorden als zijn ouders. Dat was de bekende wereld voor hem.

Een meisje trok hem bijzonder aan, precies omdat ze hem verwierp, omdat ze hem “belachelijk” vond, zoals zijn moeder.
Zij gebruikte dezelfde woorden.
Zij zag op dezelfde manier als zijn moeder zijn bespottelijkheid. Zijn kleinheid, zijn “onnozelheid”, zijn lafheid…
Zo dat hi dacht dat zij hem werkelijk zag zoals hij was.

In zijn slechte vrienden hoorde hij de weerklank van de woorden van vader en en in zijn slechte vriendinnen de verwijten van moeder.
Anderen naderden hem tot oneindig.

Sammy keek en luisterde en bouwde zo zijn wereld op.
Met de objecten uit de buitenwereld die hem daar het meest geschikt toe leken. Een theater gericht naar een toeschouwer.
Deze omstandigheden die niet om dialoog vroegen.
Die dingen raakten hem waaraan hij kon meedoen als toeschouwer.
Waarin zijn veelheid van zielroersels hun plaats en vorm in konden vinden. Die exploreerden zijn steeds groeiende wereld. Litteratuur liet hem zien dat de mensen meer waren dan gevels zonder iets daarachter. Muziek werd zijn voorstellingswereld van passies, beelden vooral film de mogelijkheden in de werkelijkheid.
Alles andere wat zijn verbeelding niet tartte werd door Sam saai bevonden.
Elke stoffelijke directe omgang met de wereld. Elke handelswijze die zich daartoe beperkte. En iedere zakelijke voorstelling De wereld die kon worden opgeteld en afgetrokken interesseerde hem niet.
Alles wat niet probeerde het mysterie te doorgronden. Het begrijpen van wonderlijke dingen zoals de lichtbreking door een prisma in kleuren.

Maar liefde kan je niet alleen beleven.
Verliefd worden en seksualiteit.
Lichamelijke nabijheid.
Sammy kende geen vorm van aanraking.
Sinds jaren mocht niemand hem lijfelijk aanraken ook zijn ouders niet. Hij duwde hen weg wanneer ze hem wilden knuffelen. Hij vertrouwde hen niet meer. De ene keer waren zijn zacht, omdat ze iets van hem wilden gedaan krijgen. En daarna staken zij hem het mes in de rug. Ze waren onvoorspelbaar.
Ze hadden hem te veel pijn gedaan.
En hij raakte ook niemand aan. Hij keek en luisterde.
Keek door de anderen heen en luisterde door hen heen.
Begreep hen soms beter dan zijzelf zich begrepen.

Zijn blik werd ongenadig. Maar hij bracht geen woord uit.
Of soms heel scherp en raak. Zodat moeder kwaad op hem werd.
“Waarom bekijkt ge mij altijd zo?! Waarom kijkt ge mij zo naar mij !?” schreeuwde zij uit.
Ze kon zijn blik niet meer verdragen.
Zijn verwijtende borende blik. Die de indruk gaf alles gezien te hebben. En een mond die nooit sprak.

Maar Sammy mekte al spoedig dat allen zijn, en met rust gelaten te worden, een buitengewone luxe is. Dat gold zeker zo voor een kind. Kinderen worden niet alleen gelaten.
Kinderen moeten in groep blijven. Meespelen de anderen. Meestappen. In de rij lopen.
Deze schoolse situaties werden Sammy tot hel.
Het verplicht moeten meedoen – de verplichting om voortdurend te moeten omgaan met anderen werd een hel. Zijn hel dat waren de anderen. De klas en alles wat daarmee verband kon houden.
En het samenzijn met de ouders. Het samen aan tafel zitten. Samen met mama en papa en met zijn broertje. Dat dagelijks rond de tafel waar blikken zelden zijn richting uitgingen.
Waar was de uitweg? – dacht hij.

49 – De Vlek

 

de vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had steeds het gevoel van vuil te zijn, te stinken een donkere vlek te zijn voor de anderen.
Moeder en ook vader wezen hem daar regelmatig op.
Ze zegden regelmatig dat hij kwalijk rook – Sammy stonk!
Het klonk bezorgd, werd op een bekommerde toon gegeven, als een raadgeving, iets waar een ouder een kind op diende te wijzen opdat het mer zorg voor zichzelf zou dragen.
Maar eigenlijk was het een verwijt.

Er was een donkere reden waarom Sammy’s moeder dat steeds deed.
Terwijl vader hem ontmoedigde door cynische spot. Die eigenlijk de schijn had van aan te porren: op te roepen tot het beter te doen. mer te presteren.

Maar eigenlijk was het niet dat, het was ontmoedigen zodat Sammy zou opgeven.

Sammy vond dit niet vreemd.
Hij geloofde werkelijk dat ze het goed met hem meenden, en dat hij inderdaad stonk en voor niets deugde en dat zijn ouders het bij het rechte eind hadden – dat hij voor niets deugde en voor alles zijn ouders nodig had.
Die spanden zich immers voortdurend voor hem in, die ondersteunden hem, of beter – zij droegen hem voortdurend als last.

Later nestelden deze stemmen van vader en moeder zich in zijn binnenste.

Hij droeg ze voortdurend met zich mee en ze bleven steeds op die zelfde toon tot hem spreken.

48 – De Vlek en het Meisje

De Vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden angst voor woorden angst voor de anderen.
Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek moest mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek naar de beelden op de tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden en die zijn gedachten na enkele minuten lieten afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe dat anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie. Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield. en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, de diepe donkere rustige ogen.
Haar bleek gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje dat koelde in de waterpunt.
De geluiden van krekels van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar strek vasthouden.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

47d – De brief van Iris

Beste volgers,

Iris is nog steeds niet terug.

Ze reist door een Oosters land om te mediteren.

Gisteren ontvingen we een lange brief van Iris Nachtegaal  – (Ze weigert nog steeds pertinent om ieder elektronische apparaat te gebruiken – wegens de ongezonde straling – beweert zij)

– Zij schrijft dat het met haar bijzonder goed gaat.

Ze is in de leer is bij een Meester. Het zou eerder een “goeroe” – een geestelijke leermeester- zijn.

Tijdens één van haar meditatie oefeningen verscheen plots het beeld van Sammy aan haar.
Hier is wat zij daarover schreef:

 

Ik probeerde mij te concentreren op al wat ik hoorde, tijdens die meditatie.

Mijn aandacht ging naar de stemmen in de tuin, het gefluit van de vogels, het ruisen van de wind.

Plotseling verscheen het beeld van Sammy aan mij. Ik stelde mij voor dat hij het was die luisterde, en die zich dieper en dieper probeerde te concentreren.

Dan verscheen het beeld van Victor, zijn vader. Sammy zag het beeld van zijn vader scherper dan zijneigen afbeelding, die vaag bleef als een reflectie over het water.
Dan hoorde ik het ruisen van een snelle stroom die hoog vanuit de bergen door het dal kliefde, en krachtig langs rotsen schuurde.

De beelden van Sammy en zijn vader vloeiden toen in elkaar, en alles werd rivier, en alles werd streven en stromen en vloeien.

Alles stroomde samen naar één doel, naar één verlangen, één lijden, en alles werd één rivier.
Ik hoorde een stem die vol van verlangen klonk, vol brandende pijn, vol van onlesbaar streven. Ik zag Sammy langs oever van de stroom rennen, immer haastiger volgde hij het klaterende water.
Deze rivier bestond uit hem en de zijnen en uit alle mensen die hij ooit had gekend, zoals de spoedende golven van het water haastten Sammy zich, lijdend, turend naar de verte, naar daar waar de stroom zou uitmonden – een waterval, een meer, de zeeën, en alle einddoelen die hij wou bereiken, zouden daar in vervulling gaan, als hij maar steeds deze zelfde rivier bleef volgen, deze stroom die steeds meer zwol door andere rivieren die zich in haar stortten.
Damp en mist stegen uit het water, oprijzend als stoom uit een geiser en hoog in de lucht, werd regen en dwarrelde uit de hemel neer, werd lente, werd weer stroom, kliefde weer door de rotsen, meanderde door vlakten, stroomde uit in zee, werd regen, werd weer rivier, streefde opnieuw, stroomde opnieuw.
Maar de stem die ik steeds hoorde begon te veranderen.
Ze klonk nog, maar klagend, zoekend, … Steeds meer andere stemmen voegden zich bij haar – stemmen van vreugde en verdriet – goede en slechte stemmen, lachende en rouwende – honderd stemmen, duizend stemmen.

Sammy luisterde.

Hij bleef staan en hield de adem in, sloot de ogen en luisterde scherp.
Verdiept, volledig leeg, volledig opgenomen, voelde hij dat hij NU was en STILTE.
Het was de rivier die nu sprak – het geklater werd het geroezemoes van duizenden en nog duizenden stemmen die in hem huisden.
Maar nu, voor de eerste maal in zijn leven, zag hij alles helder en nieuw.
Hij begon de vele stemmen van elkaar te kunnen onderscheiden – de gelukkigen van de huilenden, de kinderen van de volwassen, de mannen van de vrouwen. Allemaal hoorden ze bij elkaar, de klaagzang van verlangen en het gelach, de schreeuw van woede en het gekreun van de stervenden, alles was één, allen werden met elkander verbonden, verweven en duizendvoudig verstrengeld.
En daar te midden hoorde hij thans zijn eigen stem, die hij nu duidelijk kon onderscheiden van die van zijn vader.

Even zag hij zich als kind aan de hand van zijn vader een groot helder gebouw binnen stappen, een tempel waar het licht als uit de muren straalde, onder de koepel van een blauwe klare hemel.
Daar hoog op die lichtende berg konden zij samen deze rivier overzien, met alle stemmen, alle doelen die mensen zich stellen, alle verlangens, alle lijden, alle deugt, alle goed en kwaad, dat alles samen was de wereld die ze aanschouwden.
Zo bruiste de stroom van gebeurtenissen, de muziek van het leven.

Vader glimlachte naar hem. Liet langzaam Sammy’s hand los, en wandelde dan de heuvel af, steeds verder naar de rivier toe – waar hij werd opgenomen in een witte mist.
Sammy bleef aandachtig luisteren – nu hoorde hij duizenden liedjes uit het geruis opstijgen.
Zijn ziel hoefde zich niet meer te binden aan de stem van zijn vader of aan andere stemmen.
Hij was nu helemaal ondergedompeld in zijn zelf – Hij ervoer zich gelijk één met het geheel, een stem tussen alle stemmen van alle mensen die er ooit waren geweest – het lied groeide aan en aan, groeide uit tot een polyfonie van duizenden liederen, in duizend talen, groeide nu grommend uit tot het geweldige lied van de duizend stemmen dat een enkel woord werd en uit het ruisen van de stroom steeg nu één klank, één zindering – “AUM” : de voltooiing.

 

Tot volgende week!

 

Anker Tong

47b – geen melk vandaag

Beste volgers,

We moeten onze berichtgeving even onderbreken.

Iris is met vakantie, en voor de kinderen is zijn de eindtoetsen zijn begonnen.

We hebben het hier nu even te druk om het verhaal van Sammy uit te spinnen.

Even geduld,

Anker Tong

47 – Omgekeerd Blozen

 

Het Meisje

door Iris Nachtegaal

 

Sammy woonde op loopafstand van de school.
Die lag aan de andere kant van het driehoekige huizenblok.
Links of rechts – wat is de kortste weg?.
Iedere straat was een andere belevenis een ander lot.
Een ander gevoel om mee naar school te stappen.
De officiële heldere weg, langs de straat van de opkomende en ondergaande zon.
De bloeiende Japanse kerselaars in het late septemberlicht.
Of de donkere weg, onder de schaduwen van hoge huizen, langs de achterstraat.
Twee wegen die naar hetzelfde leiden. Naar dezelfde school.

Even een wisselend van het lot.

Op een dag sprong er een meisje recht voor zijn voeten.
Zij had in huis een aanloop genomen en sprong uit de deuropening precies op dat moment waarop Sammy langs kwam.
Ze keek hem aan en bloosde.

Sammy vergat haar nooit.

Telkens wanneer hij haar huis naderde verwachtte hij haar.
Langs haar huis lopen werd een avontuur.
Zou de deur weer opengaan?
Is zij het die ginds ver loopt? Of daar over het plein?
Wanneer hij haar zag dan verkrampte heel zijn lichaam en zijn ademhaling werd kort en snel, en iedere vrije beweging werd hem onmogelijk.

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden, angst voor woorden, angst voor anderen.

Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek kwam mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden – die zijn gedachten na enkele seconden reeds deden afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.

naar hun eerste echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou dan direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe het anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie.

Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield, dingen waarover hij het met niemand kon hebben, die duizenden verhalen die in hem dwarrelden  – en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken, met kracht klinken, wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, haar diepe donkere rustige ogen.
Haar bleke gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van het gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje vruchtensap dat koel bleef in een waterpunt.
De geluiden van krekels en van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar zacht tegen zich aandrukken.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

Maar die eerste kus kwam er nooit.
Dat verlangde woord kwam nooit – nooit die aanraking.

Het bleef bij enkele ontvluchte blikken.
Het meisje passeerde hem en hij keek haar na.
Bijna dag na dag.

Hij zorgde er voor op een straathoek bij de school te wachten vanwaar hij haar kon zien.
Meestal waren er ook nog enkele jongens die daar bij hem bleven wachten op het moment waarop de schoolpoort zou opengaan.
De prefect stapte langs: “Waarom wachten jullie hier wanneer de schoolpoort daar is!” zei hij, naar het hek wijzend.

Sammy besefte dat voor alles een uitleg diende te worden gegeven aan volwassenen.
Dat er geen vorm van vrijheid bestond, ook niet een subtiele onschuldige.
Je diende steeds in de pas te lopen.

Stijf in het stramien te staan.

Lopen werd een sportprestatie.

Gaan werd marcheren.

Een spel diende volgens de regels te worden gespeeld.

Je aanwezigheid diende verantwoord te worden.

Zij passeerde – hij keek.
Zij keek weg, of keek zij hem even aan?
Zij wist dat zij bekeken werd.

Maar op een keer stak ze de straat over.
Zij passeerde hem vlakbij en keek hem aan.
Bijna uitdagend, of vragend.
Hij wist het zeker dat ze ook van hem hield.
Maar hij keek weg, of grijnsde?
Zij ging voorbij en scheen binnensmonds te zuchten – misschien te vloeken?

Hij kon niet.
Hij kon dat niet wat hij het sterkste verlangde.

Het was Sammy onmogelijk om maar één eenvoudig woord of een vriendelijke groet te richten aan die ene persoon die hij zo graag zag.
Die ene persoon waar al zijn gedachten naar gericht waren van af het moment waarop hij ontwaakte.
want iedere morgen was zij zijn eerste gedachte: zij! zij! zij!

Het moment waarop hij haar verwachtte werd alles boeiend – kreeg de wereld  haar kleuren terug. Werd zijn bestaan opnieuw spannend.
Maar nooit kon hij om de ijzeren macht heen die hem telkens weerhield.

Hij had geen stem, geen woorden.
Er bestonden geen woorden.
Er was niets in hem, dat hem kon doen beseffen, dat hij iemand kon zijn voor iemand anders.

Hij was een omhulsel waarvan hij zelf de inhoud niet kende.
Een inhoud die niemand ooit had gezien, of die verborgen diende te worden.
Die nietig en vuil en onbenullig was.
Een wezen dat het recht niet had om te leven of te ademen.

Hij kon zich voordoen, hij kon zich een schijn geven.
Hij kon even een rol spelen, zoals een acteur dat had gekund.
Zijn gelaat in een grimas vertrekken.

Zoals zijn ouders hem voortdurend bestempelden – een sukkel, iemand waar niemand iets in kon zien – die arm, angstig en zielig was, steeds op mislukkingen afstevende, die steeds laf wegvluchtte,

 

vader en moeder:

“Wat zal je zijn zonder ons?”

“Wat zal je in de wereld gaan doen zonder ons?”

“Wat zal je gaan doen wanneer wij er niet meer zijn?”

 

Het was alsof Sammy zich niet van het vuil kon ontdoen dat zijn poriën doordrong.
Hij voelde zich smerig zweterig en stinkend.
Een schande voor zo’n reus van een vader, en een zorgende moeder.

Het was allemaal zijn schuld!

 

“Neen… deze keer komt zij niet meer naar hem toe.
zij komt naar de deur die vlak bij hem opengaat en ze wil naar binnen, maar even lijkt het of ze wel naar hem komt en of dat…

Hij kijkt nu strak voor zich uit.
Tegelijk zichzelf vervloekend, maar er komt niet één woord.
Zelfs geen vriendelijke blik.
Zijn geest is verlamd.
Hij is de afwezige aanwezige.
Hij is nergens. Hier niet, nergens.

Hij is een wolk,
Een hark,

Een vogelschrik stram in de wind.
Zo iemand wil niemand bij zich.
Zeker geen vrouw niet of een meisje!”

Hij wil enkel nog kijken, niet zijn, niet spreken, dit zwevende wezen…”

Sammy kon haar nooit vergeten.
Tijdens het naar huis lopen kon hij niet anders dan aan haar denken.
En hoe hij uit zijn geslotenheid kon losbreken.
Dat hij weer tegen die muur opbotste die als een lomp obstakel in hem was opgetrokken.
Vastzitten.
Blockage.
Dat zijn stembanden waren uit zijn keel verdwenen.
Dat zijn mimiek was verstard.

Dat hij niet in staat was, en dat niet in staat kon zijn.

Misschien had zij iets willen zeggen of vragen (was dat haast gebeurt?) dan had hij stram, misschien wel kortaf geweest geweest. Kil afstandelijk – Het omgekeerde blozen.
In gebreke blijven, zelfverwijt, onzekerheid, zich slecht wanen,
Zichzelf als fout.
als vlek, iets vettig dat door anderen slechts geduld werd.

Iets dat steeds maar verbeterd diende te worden of opgeruimd!

Wanneer het zweeg en zich gedroeg als een schaduw.
Zijn eigen stroeve schaduw die hij ooit kon ontkomen.