48 – De Vlek en het Meisje

De Vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden angst voor woorden angst voor de anderen.
Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek moest mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek naar de beelden op de tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden en die zijn gedachten na enkele minuten lieten afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe dat anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie. Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield. en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, de diepe donkere rustige ogen.
Haar bleek gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje dat koelde in de waterpunt.
De geluiden van krekels van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar strek vasthouden.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

Advertenties

47 – Omgekeerd Blozen

 

Het Meisje

door Iris Nachtegaal

 

Sammy woonde op loopafstand van de school.
Die lag aan de andere kant van het driehoekige huizenblok.
Links of rechts – wat is de kortste weg?.
Iedere straat was een andere belevenis een ander lot.
Een ander gevoel om mee naar school te stappen.
De officiële heldere weg, langs de straat van de opkomende en ondergaande zon.
De bloeiende Japanse kerselaars in het late septemberlicht.
Of de donkere weg, onder de schaduwen van hoge huizen, langs de achterstraat.
Twee wegen die naar hetzelfde leiden. Naar dezelfde school.

Even een wisselend van het lot.

Op een dag sprong er een meisje recht voor zijn voeten.
Zij had in huis een aanloop genomen en sprong uit de deuropening precies op dat moment waarop Sammy langs kwam.
Ze keek hem aan en bloosde.

Sammy vergat haar nooit.

Telkens wanneer hij haar huis naderde verwachtte hij haar.
Langs haar huis lopen werd een avontuur.
Zou de deur weer opengaan?
Is zij het die ginds ver loopt? Of daar over het plein?
Wanneer hij haar zag dan verkrampte heel zijn lichaam en zijn ademhaling werd kort en snel, en iedere vrije beweging werd hem onmogelijk.

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden, angst voor woorden, angst voor anderen.

Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek kwam mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden – die zijn gedachten na enkele seconden reeds deden afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.

naar hun eerste echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou dan direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe het anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie.

Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield, dingen waarover hij het met niemand kon hebben, die duizenden verhalen die in hem dwarrelden  – en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken, met kracht klinken, wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, haar diepe donkere rustige ogen.
Haar bleke gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van het gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje vruchtensap dat koel bleef in een waterpunt.
De geluiden van krekels en van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar zacht tegen zich aandrukken.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

Maar die eerste kus kwam er nooit.
Dat verlangde woord kwam nooit – nooit die aanraking.

Het bleef bij enkele ontvluchte blikken.
Het meisje passeerde hem en hij keek haar na.
Bijna dag na dag.

Hij zorgde er voor op een straathoek bij de school te wachten vanwaar hij haar kon zien.
Meestal waren er ook nog enkele jongens die daar bij hem bleven wachten op het moment waarop de schoolpoort zou opengaan.
De prefect stapte langs: “Waarom wachten jullie hier wanneer de schoolpoort daar is!” zei hij, naar het hek wijzend.

Sammy besefte dat voor alles een uitleg diende te worden gegeven aan volwassenen.
Dat er geen vorm van vrijheid bestond, ook niet een subtiele onschuldige.
Je diende steeds in de pas te lopen.

Stijf in het stramien te staan.

Lopen werd een sportprestatie.

Gaan werd marcheren.

Een spel diende volgens de regels te worden gespeeld.

Je aanwezigheid diende verantwoord te worden.

Zij passeerde – hij keek.
Zij keek weg, of keek zij hem even aan?
Zij wist dat zij bekeken werd.

Maar op een keer stak ze de straat over.
Zij passeerde hem vlakbij en keek hem aan.
Bijna uitdagend, of vragend.
Hij wist het zeker dat ze ook van hem hield.
Maar hij keek weg, of grijnsde?
Zij ging voorbij en scheen binnensmonds te zuchten – misschien te vloeken?

Hij kon niet.
Hij kon dat niet wat hij het sterkste verlangde.

Het was Sammy onmogelijk om maar één eenvoudig woord of een vriendelijke groet te richten aan die ene persoon die hij zo graag zag.
Die ene persoon waar al zijn gedachten naar gericht waren van af het moment waarop hij ontwaakte.
want iedere morgen was zij zijn eerste gedachte: zij! zij! zij!

Het moment waarop hij haar verwachtte werd alles boeiend – kreeg de wereld  haar kleuren terug. Werd zijn bestaan opnieuw spannend.
Maar nooit kon hij om de ijzeren macht heen die hem telkens weerhield.

Hij had geen stem, geen woorden.
Er bestonden geen woorden.
Er was niets in hem, dat hem kon doen beseffen, dat hij iemand kon zijn voor iemand anders.

Hij was een omhulsel waarvan hij zelf de inhoud niet kende.
Een inhoud die niemand ooit had gezien, of die verborgen diende te worden.
Die nietig en vuil en onbenullig was.
Een wezen dat het recht niet had om te leven of te ademen.

Hij kon zich voordoen, hij kon zich een schijn geven.
Hij kon even een rol spelen, zoals een acteur dat had gekund.
Zijn gelaat in een grimas vertrekken.

Zoals zijn ouders hem voortdurend bestempelden – een sukkel, iemand waar niemand iets in kon zien – die arm, angstig en zielig was, steeds op mislukkingen afstevende, die steeds laf wegvluchtte,

 

vader en moeder:

“Wat zal je zijn zonder ons?”

“Wat zal je in de wereld gaan doen zonder ons?”

“Wat zal je gaan doen wanneer wij er niet meer zijn?”

 

Het was alsof Sammy zich niet van het vuil kon ontdoen dat zijn poriën doordrong.
Hij voelde zich smerig zweterig en stinkend.
Een schande voor zo’n reus van een vader, en een zorgende moeder.

Het was allemaal zijn schuld!

 

“Neen… deze keer komt zij niet meer naar hem toe.
zij komt naar de deur die vlak bij hem opengaat en ze wil naar binnen, maar even lijkt het of ze wel naar hem komt en of dat…

Hij kijkt nu strak voor zich uit.
Tegelijk zichzelf vervloekend, maar er komt niet één woord.
Zelfs geen vriendelijke blik.
Zijn geest is verlamd.
Hij is de afwezige aanwezige.
Hij is nergens. Hier niet, nergens.

Hij is een wolk,
Een hark,

Een vogelschrik stram in de wind.
Zo iemand wil niemand bij zich.
Zeker geen vrouw niet of een meisje!”

Hij wil enkel nog kijken, niet zijn, niet spreken, dit zwevende wezen…”

Sammy kon haar nooit vergeten.
Tijdens het naar huis lopen kon hij niet anders dan aan haar denken.
En hoe hij uit zijn geslotenheid kon losbreken.
Dat hij weer tegen die muur opbotste die als een lomp obstakel in hem was opgetrokken.
Vastzitten.
Blockage.
Dat zijn stembanden waren uit zijn keel verdwenen.
Dat zijn mimiek was verstard.

Dat hij niet in staat was, en dat niet in staat kon zijn.

Misschien had zij iets willen zeggen of vragen (was dat haast gebeurt?) dan had hij stram, misschien wel kortaf geweest geweest. Kil afstandelijk – Het omgekeerde blozen.
In gebreke blijven, zelfverwijt, onzekerheid, zich slecht wanen,
Zichzelf als fout.
als vlek, iets vettig dat door anderen slechts geduld werd.

Iets dat steeds maar verbeterd diende te worden of opgeruimd!

Wanneer het zweeg en zich gedroeg als een schaduw.
Zijn eigen stroeve schaduw die hij ooit kon ontkomen.

46 – Juichende meisjes

 

Juichende meisjes

door Iris Nachtegaal

Trein met juichende meisjes
Sammy fietst alleen langs de meters hoge spoorberm.
Hij voelt zich stoer want hij heeft zijn zwarte anorak aan.
Boom na boom na boom ritmeert de weg met naakte takken.

De aanhef van een groeiend grommelend geluid wordt een naderende trein hoog boven op de berm naast hem.
Drie meisjes van zijn leeftijd leunen uit het raam, en waaien naar hem slaken kreten en juichten.
Sammy stopt plots, zwaait toch even terug.
Kan niet geloven.

Lacht.

Erkend worden, gezien, geapprecieerd.
Voelt zich even bestaan.
Eén enkel ogenblik.
Hij glimlacht nu, ademt dieper.
De meisjes wuiven tot de trein uit zijn gezicht verdwijnt.

Hij lacht en wuift terug.

44 – Iris’ twijfel

Ik heb jullie verleden week geen post nagelaten omdat ik dit niet meer aan kan. Ik heb niet de moed meer om over Sammy te vertellen.

In deze teksten ontdek ik een kind dat volledig in zichzelf verzonken is – (ik beef terwijl ik dit schrijf.)

Dit kind had nooit de kans, noch de mogelijkheid, om met iemand delen wat er in hem omging.
Iedereen bleef buiten zijn bereik.
Waar waren zijn ouders heel die tijd?
Wie waren zij?
Welke rol speelden zij?
Voor hen was Sammy blijkbaar verder weg dan wanneer hij op het verste eiland van de wereld ware geweest.

Ik begrijp nauwelijks dat niemand dit heeft gezien!
Iedereen die daar bewust van getuigen zou hebben geweest, zou gehuiverd hebben!
Maar niemand schonk aan dat kind blijkbaar de nodige aandacht.
Deze jongen beleefde zijn jeugd als een beeld of een pop, vreemd en stijf.

Ik weet echt niet hoe het hier verder moet!
Ik heb aan Anker gevraagd om deze zaak te laten rusten.
Hij heeft daar wel begrip voor – maar aan de ander kant weet ik dat Anker een man is die niet opgeeft en de kunst kent om mensen te overhalen.
(Indien jullie hem zouden kennen, dan zouden jullie direct begrijpen wat ik hiermee bedoel…)

Ook door jullie talrijke reacties, die Anker hier voor mij heeft uitgetikt, hebben mij zwaar getroffen.

Ik weet echt niet of ik dit nog aankan.
En daarom vraag ik jullie de tijd die mij nodig is om al deze emoties te kunnen verwerken.

veel liefs,
Iris Nachtegaal

43 – Afwezig

Iris heeft deze keer geen bericht achtergelaten.
Ik kan jullie dus dit keer niet vertellen over Sammy.

Dank jullie voor de overvloedige reacties!
Ze hebben ons tot nadenken gestemd.
Ik heb ze allemaal uitgeprint en aan Iris bezorgt.
Die ze zal beantwoorden.

Bij de post waren verschillende volgers die je best ervaringsdeskundigen zou kunnen noemen. Die hebben ons hun eigen geschiedenis verteld.
Je bent blijkbaar nooit alleen met je verhaal.
Ieder verhaal wordt in zovele andere weerspiegelt – zei Iris nog laatst.
“Dat is precies wat het tot verhaal maakt – het is uniek en dan toch ook weer niet.”

Alvorens Iris’ reacties op die persoonlijke berichten te publiceren zal ik steeds vooraf om jullie goedkeuring vragen, en nooit echte namen noemen.

Tot volgende week!
Anker Tong

42 – De Engel

Sammy

 

Door Iris Nachtegaal

‘s Avonds in bed gelegen, kon Sammy nadenken.
Een belangrijk deel van zijn leven speelde zich in bed af.
Daar werd hij pas zichzelf, daar pas, wanneer de lichten uit waren en hij alleen met zichzelf kon zijn.
Dan kon hij zijn fantasie de vrije loop laten.

Denken en dromen over alles wat hem bezighield zonder dat iemand hem daarbij opmerkingen maakte, zonder dat iemand zei dat hij zijn aandacht niet mocht afdwalen, zonder dat iemand hem verweet: “Je ben aan’t dromen Sammy, let toch op!”.
In bed was er niets dat zijn aandacht kon opeisen dan zijn eigen gedachtengang, zijn eigen angsten en hopen, verlangens, zijn fantasie.

Sammy dook dan in verhalen die hij steeds verder uitwerkte en waar vele figuren hun rol bleven spelen;

Iedere mens en iedere situatie met anderen was voor Sammy een vraagstuk.
Iedere omgang met anderen werd een reden om zich vragen te stellen.

Sammy dacht:
– Wie ben ik voor de anderen en wie zijn zij voor mij?
– Hoe gedraag ik mij tegenover de anderen? en waarom en hoe gedragen zij zich tegenover mij? en waarom?
– Hoe krijg ik contact met anderen?
– Wie zijn ze en wie ben ik?
Wie word ik in hun ogen en wie worden zij in de mijne?

De massa die hem omringt en waar hij niet in kan opgaan – die hem observeert – die hij observeert.

De familie rond de tafel.

Vrolijk en onbezonnen kon hij nooit zijn – hij kon zich nooit laten gaan.
Dat kende hij niet.
Voortdurend leefde hij met angst, en de vrees om gecontroleerd te worden.
Bekeken vanuit een controlepost waar steeds iemand hem keurde, iets op hem aan te merken had.

Die stemmen bleven hem achtervolgen.
Stemmen die vragen stellen, ontmoedigen, niet kunnen begrijpen, uitroepen, zuchten…
Steeds die stemmen die het gemeenzame zeggen,
vol van onbegrip zijn
vol van oppervlakte…

Sammy leerde voor engel op aarde.
Het was maar pas later dat hij dat zou ontdekken.

In hem leefde een vreemd, zwijgend, toekijkend wezen.
Die afwezig-aanwezig was.

De blik van een starende vreemde, die
op zichzelf bestond en sterker was dan hij en al het andere.

Sterker dan alles in hem en rond hem heen.

Die kracht nam het van hem over.
Die was het die het hem belette te spreken.

wanneer treinen ’s nachts langs dorpen razen.
verschuilt een wereld zich achter gevels.

0 – Sammy

 

 

Sammy

Ramses Shaffy

Sammy loop niet zo gebogen
denk je dat ze je niet mogen
waarom loop je zo gebogen Sammy
met je ogen Sammy op de vlucht
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want daar is de blauwe lucht

Sammy loop niet zo verlegen
zo verlegen door de stegen
waarom loop je zo verlegen Sammy
door de regen Sammy van de stad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want dan word je lekker nat

Sammy
kromme kromme Sammy
dag Sammy
domme domme Sammy
kijkt niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

Sammy wil bij niemand horen
zich door niets laten verstoren
toch voelt hij zich soms verloren Sammy
hoge toren Sammy kan niet aan
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want daarboven lacht de maan

Sammy wilt met niemand praten
maar toch voelt hij zich verlaten
waarom voel je je verlaten Sammy
op de straten Sammy van de stad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
want dan word je lekker nat

Sammy
kromme kromme Sammy
dag Sammy
domme domme Sammy
kijk niet om zich heen
doet alles alleen
en vind de wereld heel gemeen

Sammy wil heus wel veranderen
maar is zo bang voor de anderen
waarom zou je niet veranderen Sammy
want de anderen Sammy zijn niet kwaad
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
anders is het vast te laat
Sammy loopt maar door de nachten
op een wondertje te wachten
wie zou dit voor jouw verzachten Sammy
want jou nachten Sammy zijn zo koud
hoog Sammy
kijk omhoog Sammy
er is één die van je houdt

40 – De Fiets

FIETS

Door Iris Nachtegaal

Fietsen is een feest!
Het feest van de vrijheid.

Hier nikkelblinkend in de zon!
Rood-wit het frame met daarop
“Flandria” in sprookjesschrift,
oranje de dikke banden en
bruin uitnodigend een driehoekig zadeltje.
En een bel met zilveren gerinkel.
Eindelijk weg het driewielertje.
Trappers die Torpedotrappelen,
gewonnen-verloren gewonnen-verloren
een feest van lichten, spaken met vele schichten

bolebolebole bolebolebolebolebolebolebolebolebole

Deze fiets zou de wereld voor Sammy openen.
Met deze fiets zal hij de ruimte in snelheid doorklieven, met onmetelijke verkenningsmogelijkheden

Snelheid snelheid, de wereld raast voorbij, sneller dan lopen, losmaken van de aarde, vooruitschieten, nu ben ik hier, nu ben ik daar, niet hier niet daar, ik ben vooruit, en ben
tegen, tegen de wind, tegen de zwaartekracht.
Tegen alles was vasthoudt en gevangen houdt – dit is is vrij zijn!

Laat ze nu maar rennen!
Grootmoeder en grootvader kunnen mij nu niet meer aan, niemand kan mij inhalen als ik dat niet wil!
Ik ben nu hier ik ben nu daar en straks ginder.

De wind is wind is snelheid streelt langs de wangen in het gezicht speelt en fluit en schreeuwt;

Vluchten van het licht in de schaduw van de bomen in het park in het flitsend licht tussen de bladeren steeds rond en rond het vijvertje en vooruit en weg weg!
Het piepend melodietje van wielen en ketting.

Bollebollebolle!

Rik Van Looy! – Rik Van Looy!! – Rik Van Looy!!!

39 – de stemmen

 

 

Stemmen

door Iris Nachtegaal

Voor Sammy betekende iedere ontmoeting een definitie, een rol in een spel, een toegewezen taak, een stolp over zijn denkvermogen, een stem die krijste zodat hij niet meer denken kon, enkel nog dat stemgeluid kon horen.

De wereld is een gevangenis.
Iedereen is de gevangene van iedereen.
Door de kijkende, loerende, glurende, bezwerende, foeterende anderen
– de autoritaire anderen – de anderen die niet begrepen, niet voelden, bevelen schreeuwden, oordeelden, die rechter waren van uit hun zetel, en alles van boven af aan volgden.
Die eisen stelden, zegden hoe het zijn moest, wanneer het moest, en wanneer het diende te stoppen.

Het onder de aandacht te zijn, beheerst overheerst te worden.

Het liefst had Sammy gehad dat ze allemaal oplosten.

Sammy had dat tv-spel gezien over een bankbediende die zich in de kluis tijdens de middagpauze had teruggetrokken om ongestoord te kunnen lezen terwijl buiten alles door een ramp vergaat.
Hij weet niet wat de wereld is overkomen.
Enkel dat hij nu de enige overlevende is.
Hij beschikt over alle goederen en er zijn bibliotheken met duizenden boeken die hij nu ongestoord kon lezen.
Want er is nu niemand meer die hem zal kunnen storen of afleiden.

Er was steeds iets dat Sammy terugtrok.
Iets dat hem verhinderde om alleen en rustig te zijn.
Een orde, een bevel, een oproep een plicht.

Een andere stem die aan hem knaagde.

Alleen zijn op de wereld.
De wereld van de dingen voor hem alleen.
De wereld zonder wezens die hem verplichten, die hem opeisen, kwellen, vernederden, uitlachen.

Het geliefde maanlandschap.
Verlaten tot ver achter de horizon.
Ongestoord slapen, en dromen.
Ongestoord ontwaken.
Ongestoord kijken en luisteren.
Ongestoord zijn.

Zich tot zijn eigen waarde verheffen, en alleen daar zijn om dat te doen.
Zich daarop te kunnen concentreren op hij zijn aandacht wilde richten.
Zonder lawaai om hem heen, zonder storing.
Zonder geblaat, gezwets, gehuil of geroep van een stem.
Geen stem dan die in zijn binnenste, zijn innerlijke gesprekspartner zijn eeuwige kameraad.

Wie was die?
Van waar kwam die stem?
– dat oor aan de innerlijke telefoon die steeds naar hem luisterde.
Die hem steeds verstond.

38 – De Treinreis

Italië

Door Iris Nachtegaal

De chokolade-bruine trein raast door de Po-vlakte.
Rij na rij ruisen de ranken langs het raam – groengroen – groen, groen tot een fijne oker-gele lijn die vanaf de einder slangachtig slingerend een zandweg wordt en afzakt schuin nu recht nu schuin nu meelopend met de trein korter en korter komt tot de ratelende bel van de overweg ze doorbreekt.

Verschroeiend de zuiderse zomerzon.

Todeskaden! -todeskedan! -todeskeden!
schoe-schoe-schoe slaat de wind door de open treinramen
raast stemmen onder boven kraakt scheurt schokt mort
waggelwieggelt wiegt reizigers in slaap

Heen en weer en heen in slaap geschud.

Gebruinde mensen waggelende torsen op glimmend houten banken.
Een mond valt wijd open en toont zijn gouden tanden
de hals kan het hoofd niet meer rechthouden en zwaait het heen en weer
-/lijken / conentratiekamptreinen/ …

È pericoloso sporgersi

Triiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiiii!
fluit een tunnel in.

Huizen haken waggelend,
telefoondraden tekenen guirlandes door de wolkenloze hemel.

Groen – geel – geel – oranje – oker
velden bomen boom bomen struik struiken
wijnranken ranken aan ranken ranken marcheren in snelpas
staken verlaten

hok verlaten in de vlakte
Wie huist daar?

Schelle bel overweg op en neer gaat de toon zo:
rrrrrrrrriiiiiiiiiiieeeeeeeeeeeeeeeeelllllllllllllllllllrrrrrrrrrrr

Sammy hangt uit het treinraam.
De hete wind stroomt over zijn gelaat,
De Belofte, het verre land dichtbij.
Onbekend.
Bestemming de verwachting
bestemming de hoop
Het schone vrije einddoel.
het andere.

Deze morgen in de nachttrein had moeder hem en zijn broertje gewekt om de Zwitserland te laten zien.
Sammy zag voor het eerst bergen met sneeuwtoppen.
Rotsen bossen bruggetjes met bruisende watervalletjes
chaletjes en chocolade koeien.

Hoe ging het er aan toe het in Italië?
Brommers?
Vader wordt uitgevraagd over het vreemde land.
Nachttrein: slapen in een rijdende trein.
Woorden als “Couchette” duiken op.

Het lage station van Rimini centrale.
Oleanders uit een technicolor kleurenfilm.
met een Fiat-Taxi razend door het verkeer
azuurblauwe zee
cobaltblauwe hemel
riante bouwsels luifels blank, lila, oranje, gestreept rood geel parasolletjes
scooters drukte gebruinde mensen

AGIP VESPA OLIVETTI MARTINI

de stad is een bakhoven, af en toe de zee te zien tussen groen tussen witte blokken met grote terrassen stenen poorten
zo langs de kust tot aan het hotel
die avond leerde Sammy spaghetti opdraaien met vork en lepel.