21 – De Gevels

 

 

gevels zonder iets daarachter

door Iris Nachtegaal

 

1,
Sammy’s stem zat klein en diep in zijn keel verscholen.
Een stem die niet van hem was.
Die hij niet kon gebruiken.
Soms sprak hij dagen na elkaar geen enkel woord.
Het leek dan wel alsof zijn stembanden verschrompeld waren.
Alsof ze niet meer in zijn keel aanwezig waren.

Spreken,
zich tonen,
en tegenwoordig zijn,
iemand van wederwoord kunnen dienen,
zijn rol spelen was Sammy te zwaar.

Hij wilde helemaal niet spreken.
Hij wilde niemand meer zijn.
Hij kon niet begrijpen wat de anderen van hem wilden.
Zij wilden iemand anders, niet degene die hij was.
Maar het bleef hem een raadsel wie wilde zij dan wel wilden onder zijn gedaante?
Welke rol diende hij te vervullen?

Iedere woord dat hij uitbracht leek ongepast, en de woorden van anderen ontsprongen voor hem uit een niet te peilen bron.

Hij deed verwoede pogingen om, zoals een acteur, om niet uit de rol te vallen.
Een rol die hem de anderen hadden toebedeeld.

Een acteur zou even zijn bestaan van hem kunnen overnemen.
Deze zwaarte van hem afnemen.
Die zou dan zijn rol dienen te spelen tegenover de ouders.
Een acteur om alles op te vangen wat hij telkens diende te incasseren, en die daarvoor vergoed zou kunnen worden.

Of een advocaat – een tussenpersoon die hem zou verdedigen – iemand die de ouders zelf ook zouden respecteren.
Iemand die het voor hem zou kunnen opnemen, en naar wie wel zou geluisterd worden.
Die alle dingen in hun juiste verhoudingen zou kunnen herstellen.

Maar zo iemand was er niet.
Nergens, ook niet in de familie.

Zijn rol was uniek, enkel voor hem weggelegd en voor niemand anders.
Niemand kon, of mocht hem vervangen- of het voor hem opnemen.
Hij droeg het lot van de Eerstgeborene, aan wie het toekomst alleen zijn kruis moet dragen.

De anderen waren vreemden.
Alle anderen – ook zijn ouders.
Ze zijn – Gevels zonder iets daarachter- dacht hij.

2,

Niet spreken, was voor Sammy vanzelfsprekend.

Hij verkrampte in iedere situatie waar gesproken zou moeten worden.
Op school, wanneer het in de klas zijn beurt was om voor te lezen.
Aan het bord komen, te antwoorden, dan waren dat momenten van erge spanning.

Door te zwijgen kon hij voor zichzelf een levensruimte creëren die hem elders werd ontzegd.

Door te zwijgen kon zijn binnenruimte groeien naarmate ruimte rond hem verschrompelde.

Naarmate zijn vrijheid werd ingeperkt.

Blijkbaar hadden sommige klasgenoten daar eveneens moeilijkheden mee – Zij begonnen eveens te stotteren wanneer ze vooraan werden geroepen.
Voor één van hen – een meisje – was het dan zelfs onmogelijk om dan nog een woord uit te brengen… Toen de lerares haar had verplicht om toch een spreekbeurt te houden zoals de anderen, bleef het meisje weg van school.

Wanneer de schoolbel was afgegaan holde Sammy naar huis.
Er was dan niemand thuis – hij kon dan enkele uurtjes ongestoord doen wat hij wou.
Kon hij denken en dromen terwijl hij naar muziek luisterde in het huis met de gesloten blinden.

 

3,

Hij was op zijn kamer.
De gesloten overgordijnen lieten een grauwblauw licht binnen.
Hij lag op bed om te liggen en te denken.
Het huis was beladen met spanning – ieder samenzijn met de anderen is spanning. Vrij zijn is vrij zijn van de spanningen van de andere?
Afhankelijk, het droeve lot van de gesloten ouders en de diklippige broer.
Daarbuiten danste de wereld de zestiger jaren door.
The summer of Love.
Sammy hoorde iedereen buiten kermis vieren opgesloten in een kil en donker huis.

 

Wanneer de spanning te groot werd Sammy duizeling.
Het gebeurde ook dat hij flauwviel bij de dokter.
Wanneer het lichaam als onafwendbaar werd ervaren, als object, als kwetsbaar vlees dat hem gevangen hield dan ging het bezwijmen, ontsnappen, wilde zich uitwissen.

Sammy haatte het een lijf te moeten zijn, steeds ergens te moeten zijn, iemand te moeten zijn, gekwetst te kunnen worden, pijn te lijden, aanspreekbaar te worden, bepaald te zijn, bepaald te zijn door zijn lijfelijke aanwezigheid.
Het onvermijdelijke zijn tussen de onvermijdelijke anderen.

Het liefst had hij zich van zijn lichaam ontdaan.
Ontsnappen aan het lichamelijk omhulsel en de pijn die het kon meebrengen.
Zuiver licht zijn, dat wilde hij.
De wereld van uit het perspectief van een engel te kunnen bekijken.
Niet meer verplicht te kunnen worden om mee te doen.
Om voortdurend te moeten omgaan met anderen.

Gezien te worden.
Een identiteit te moeten hebben.
Te moeten strijden.
Voortdurend zijn emoties te moeten beheersen.
Zijn zwakten te verbergen voor anderen voor wie hij doorzichtig scheen.
Niet te wenen, niet angstig te kijken, niet te stotteren.
vlot te kunnen spreken wanneer hij dat moest.
(die woorden, waar haalde al die mensen hun woorden? Die ze zo vloeiend uit hun mond stroomden, alsof het hen geen enkele moeite koste –

Voor Sammy woog ieder woord zwaar als lood.

3.

Voor hem lag een foto van het oppervlak van de planeet Mars die door een ruimtesonde was genomen.
Een woestijn, een vlakte bezaaid met stenen tot aan de horizon.
Daar hoorde hij thuis, dacht hij.
Daar dwalen en nooit een mens moeten ontmoeten.
– Daar alleen zijn met mijn gedachten, dacht hij – omgeven door een eeuwige mist die de grond scheen uit te ademen.
Geen fysieke pijn meer, noch de angst ervoor.
De prik afwachten van de injectienaald – de onderwerping aan het geneeskundig onderzoek, de dwingelandij van de lessen lichamelijke opvoeding, de overheerisng van sport…

Het liefst wilde hij niet zijn, of niet meer zijn.
Niet meer voelen.

Hij viel in zwijm in het ziekenhuis, en zo wilde hij blijven.
Verdwijnen in duizelig suizen, niet meer bijkomen, niet meer wakker worden, aan geen verlangens meer te hoeven voldoen, niet meer te moeten voor anderen.
Hij wilde in dromen blijven vrij van iedereen en alle pijn.

In de school zonderde hij zich meer en meer af.
In de onpare klas was hij de enige die alleen aan de bank zat.

Sammy droeg steeds meer zwart of donkerblauwe kleren met rolkraag.
Zijn vet zwart haar, waarvoor hij zich schaamde, vormde plakkerige schilfertjes. En het begon en meer en meer uit te vallen.
Toen een kale plek aan de zijkant van het voorhoofd zichtbaar werd kamde hij zijn haar daarover.

Sammy had geen vrienden meer.
Moeizaam maakte hij contact met één of twee jongens uit zijn klas die even onhandig en harkerig waren als hijzelf.

 
De strijd om zelfvertrouwen verlegde zich van huis tot huis van plaats tot plaats-

De fladderende mot, de wachter, de cherub met vlammend zwaard.

Hij wist nooit hoe hij zich tegenover ouders of familie diende te gedragen.
Voelde zich steeds ongemakkelijk in hun aanwezigheid.
Hij haperde in een rol gedrukt – waarvan hij de tekst niet goed kende – dat onvermijdelijke stotteren wanneer iemand hem iets vroeg – en die onbeheerbare gelaatsuitdrukkingen, die spanning in die opgetrokken schouders.
Een onbestemde rol.

Tijdens familiebezoek veranderde hij een soort pop.
Een houterig marionet.
Die geen blijf wist met zijn ledematen en die de handen voortdurend in elkaar wrong.

Hij bewoog zich stram.
Hij zat ongemakkelijk en kon geen woord uitbrengen.
Hij had moeite met het luisteren naar wat de volwassenen rond hem zeiden – zijn gedacht dreef voortdurend af

Hij voelde zich een ledenpop die de ouders met zich hadden meegenomen om aan de familie te tonen.
En die nu hier proper en wel gekleed aan tafel zat.
Wanneer hij dan toch probeerde om een woord te zeggen werd dat onthaald spottende blikken. Of vroeg moeder in het midden van zijn zin of hij nog koffie wilde.

Aanzoeken – ongestelde vragen – eisen – vergen – verzoeken
zo klinken de stemmen die willen dat hij plooit.

Hij voelde zich een vlek.
Stemmen die niet willen
die verzoeken,
ondervragen
verstard temidden van de gezelligheid en de beweging buiten zijn stolp

Stemmen die hem gevangen houden.
Die willen dat hij achtergrond blijft, geruis, schaduw.

Slechts in muziek kon hij de enige stem horen die hij kon herkennen. De loeiende gitaar van Jimi Hendrix.
Pijn explosie – verdrongenheid uitschreeuwt.
Harde zuivere aanwezigheid van geluid – een hamer op een klok zinderende ratel. Een vlammende vlag strijkend over die de bonte massa.

Muziek werd zijn medium.
Het zoog hem diep op.
Het maakte hem onmetelijk.
Kon doordringen tot daar door waar woorden nooit konden komen.
Geluiden besnaarden hem.
Klank openbaarde.

Daarin woonde zijn innerlijke stem die nu waarachtig werd en alle sarrende geesten kon verjagen.

Beethoven in zijn strijd en zijn hart voor het volk,
En sombere elektronische muziek bracht hem in een objectwereld die verlost was van mensheid.

Advertenties