33e – Het Kapblok

Er zijn:
Het kot met de planken en de houten planken kratten en bakken.

Er is:
De schildpad
en er zijn de kippen en de wespen
en de Duchéperen en de stadsperen aan de centrale boom.

Er zijn ook nog:
Het gras en de plisplanten, en

het kerstenkruid en

de ortensia, de plisplanten en

de meiklokjes en

boterbloempjes

 

Sammy tuurt naar de wolken.
Zij varen als karvelen over de daken naar hun onbekende bestemmingen.
Zij voeren de geesten van de overledenen en de dode dieren met zich mee.
Dat kon je goed zien wanneer je er maar lang naar bleef kijken!

Daar een poes, en

daar een hond en

daar een grootvader op zijn sterfbed.
Ook vogels doorkruisen voortdurend de hemel ongrijpbaar als vliegtuigen.
Een Dakota, dan een DC3, dan een flying boxcar nu en constellation.
Hoog in de vrije blauwe hemel

Ver boven alle pijn.

Ongenaakbaar voor wie hen kwaad wil.

Zonder grenzen zonder wetten.

Daar de bliksemafleider op de school.
En hier de begraafplaats van de ratten en de kippen.
Het groene gras met donkere schaduwen.
Machinegeweren in de tent verscholen.

de dode witte naakte man tegen de perenboom plots onzichtbaar.
De hand die uit de muur steekt.

Hou de wacht onder je zware helm
de Duitse stoel, de Amerikaanse pet.
Het Brits vlaggetje.

Tussen de witgekalkte muren en de boom.

Er was ook een hok in de hof.
Het hok in de hof had een onbekende oorsprong.
Men stelde er zich geen vragen over zoals

men deed over dingen waarvan men meende dat

zij er altijd geweest waren.

Opslagplaats voor oude rommel zoals een zolder.
Onderdelen van oude meubels.
Vloerplanken, een Amerikaanse helm en een gasmasker uit de laatste oorlog.
Een zetel zonder poten en een badkuip- ooit gekocht – nooit gebruikt.

Sammy en Ruddy kenden al deze dingen.
Het waren voor hen  onderdelen voor belangrijk speelgoed.

De Houten Bak (die met en die zonder bodem)

de Troon die zetel zetel met blauwe voering zonder poten.

De Brede Plank en

de Lange Plank en

de Smalle Plank,

de Balk

de Bakstenen en

de Tapijten, waaronder

de Grote Tapijt,

de Kleine grijze Tapijt.

Het Kapblok,

de Duitse stoel

de Duitsche schep

de Amerikaanse muts…

Het kot was groen geverfd, misschien was het ooit blauw.
Het bestond uit ronde balken hoog als een grote mens, die stevig in de grond waren geheid en die verbonden waren met kippendraad, en houten planken, als dak lag daarover een zinken plaat.
Het bad werd met planken dichtgemaakt zodat het een geheime gang werd met schuifdeuren.
Op de Grote Zware Bak (die je niet kon optillen) stond de

Troon zonder Poten met

vergulde leuning.
De troon van de koning.
Maar het was ook mogelijk om er een citroen DS van te maken een tank, of een tweedekker-

misschien wel een ruimtetuig.

Advertenties

34 – De Stap

De Stap

Door Iris Nachtegaal

Sammy had een beste vriend, dat was Pieter.
Zijn vriend geleek op hem een beetje.
Samen brouwden ze fantastische verhalen, en lachten om dezelfde dingen.
Ze wilden met zo’n zwart-witte auto’s rijden als de Highway Patrole, met loeiende sirenes en walky-talkies hebben, waarmee ze altijd met elkaar in verbinding zouden kunnen staan.
Ze kenden elkaar sinds de kleuterjaren.
Waarover hadden zij het?
waarover spreken kleuters met elkaar?
De wereld was een avontuur.
Beiden keken een beetje neer op de andere klasgenootjes die ze voor dom hielden. In het eerste studiejaar behoorden ze beiden ook tot de besten van de klas.

Sammy werd trouwens erg geboeid door alles wat er te leren was – eindelijk kon hij leren lezen en begrijpen wat die tekens waren op de keukenklok.

Maar in het tweede studiejaar ging het allemaal mis.

We gaan “Pieters pluimpjes plukken!” Riepen de kinderen.
Zo klonk het al enkele dagen.
Pieter was het mikpunt van spot en pesterijen geworden.
Dat gebeurde vooral tijdens de speeltijd.
De jongens gingen in een halve kring om hem staan en plaagden hem.
Pieter ging ruggelings kort bij de toiletten staan, zodat ze hem niet overhoed langs achter konden aanvallen.
Sammy stond naast hem maar zei geen woord.
Het was vooral Pieters grootsprakige en luidkeelse reactie die de jongens daartoe aanzette. Hij hield zich fier rechtop de armen gekruist en diende ze roepend van antwoord.

Die dag gebeurde het weer en nu ook stond Sammy naast hem keek meer en meer bevreesd want het ging er heftiger en heftiger aan toe.
Het dreigde tot een gevecht te komen.
Eigenlijk was het vooral spektakel maken voor de jongens – maar zo zag Sammy dat niet.
Hij werd angstiger naast zijn beste vriend die hij steeds meer aanmaande van zich gedeisd te houden, – dan zouden ze vanzelf wel weggaan – het is omdat je zo fel doet dat ze telkens terugkomen! —had hij gezegd.

De jongens vormden weer een have kring en het alles herbegon; maar nu heftiger dan anders, en op een zeker moment deed Sammy iets dat de rest van zijn leven zou bepalen – iets dat hij altijd heeft onthouden of verdrongen.
Hij deed iets zeer eenvoudig, maar iets dat hij zich zijn leven lang zal beklagen, dat invloed zal hebben op de rest van zijn bestaan, iets dat hij nooit of nimmer nog kon goedmaken;

Sammy zette een stap opzij.

De belangrijkst stap van heel zijn leven.
Hij zette een stap opzij, weg van Pieter.
Als teken dat hij zich hier niet meer met Pieter wilde associëren.
Hij wilde hetzelfde lot als zijn beste vriend niet ondergaan.
Hij had angst gekregen.
Angst voor slaag en pijn en vernedering.

Hij was de laffe verrader van zijn beste vriend geworden – zo had iedereen het nu gezien.

Was het de zoon van een ambtenaar tegenover de zoon van een zelfstandige?
Hadden ze elk andere thuisinstructie meegekregen?
Andere gedragscodes?
De zoon van de handelaar: leer je mannetje staan, want je staat er in het leven alleen voor!
De zoon van de ambtenaar: hou je gedeisd en er zal jou niets overkomen – maak dat je niet opvalt!

Vanaf deze stap zal zijn leven een andere weg opgaan.
Hier kan hij nooit meer op terugkomen.
Vanaf hier had hij besloten voor een schutkleur te kiezen.
Samen een nummer met de anderen te zijn in plaats van uit te schieten en tegenwind te trotseren.
En daarbij hoorde een diepe eenzaamheid.
Want met die anderen zou hij nooit meer kunnen aansluiten als bij Pieter.
Die zouden nooit zijn vriend kunnen worden. Hij werd een ander tussen de anderen.

Met Pieter maakte hij zich los van zijn beste vriend en van vele open wegen in zijn leven.
Hier besloot hij te worden zoals zijn ouders, onopvallend en teruggetrokken in de massa.

De bel ging.
De jongens sloten aan.
De rij stapte met de meester mee naar het klaslokaal.
Pas toen pas viel het Sammy te binnen wat de gevolgen waren van wat hij gedaan had.
Want zijn plaats in de klas was naast Pieter.
Dat was al zo vanaf de grote school, en ook wel daarvoor in de kindertuin zaten ze dikwijls te samen.

Pieter had geen woord meer tegen Sammy gesproken.
Hij keek strak voor zich uit, het hoofd rechtop en gunde Sammy geen blik.
Wanneer het moment gekomen was dat de jongens plaatsnamen achter hun bank.
Bleef Pieter rechtstaan en stak zijn vinger op.

– Ja, Wat is er Pieter? vroeg de leraar.
– Ik wil niet meer naast Vanderstraet zitten!
– Wel, wat nu? Hebben jullie ruzie gemaakt? De beste vrienden?
– Ik wil niet meer naast hem zitten!
– Wel goed dan zullen we jullie verplaatsen,
Vanderstraet ga naast Andriesen zitten en jij Pieter naast Van Hemelrijk.

Zo verhuisde Sammy naar de tweede van de middenste rij.
Andriessen en Vanderstraet konden het met elkaar niet vinden.
Ze maakten nooit ruzie maar ze hadden niets gemeen.
Anriessen had een bleke haast huidskleur. Ros krullend haar, bruine donkere ogen met een strakke uitdrukking. Hij lachte nooit. Zijn grote blanke tanden verschenen enkel wanneer hij ze in een vraagstuk van wiskunde zat, dat hij altijd moeilijk en belangrijk scheen te vinden. Bij het lezen volgde hij de lettertekens met een wijsvinger die naar buiten kon klikken. Omdat er iets met zijn gewrichten was. Hij was niet onvriendelijk maar lachte nooit naar Sammy.
De jongens spraken alleen met elkaar wanneer het over een opdracht ging.

Sammy had zijn beste vriend verloren en zou er nooit nog één hebben. Hij zou nooit van Pieter leren hoe van zich af te bijten. Hoe indruk te maken door komedie te spelen en luider te roepen dan zijn tegenstander. Hij zou inderdaad nooit leren zijn rug recht te houden want vanaf dan zat Sammy steeds meer gebogen en in zijn handjes te wriemelen.
Kon hij van zichzelf aannemen dat hij een laf was?
Dat hij zou wijken wanneer het moeilijk werd met anderen. Wanneer er slagen dreigden. Slagen zoals hij er van zijn vader veel kreeg. En die hij zonder verweer diende te ondergaan – want indien hij zich zou durven verzetten tegen zijn vader, indien hij zou durven terugslaan dan ging vader hem doodslaan! – zo had hij ooit gezegd.
Of zoals zijn moeder zei – Je ziet er uit zag als iemand die zijn toer afwacht maar dat er nooit iets zou gebeuren. Als ge schrik hebt zijt ge weg.

Vanaf dan werd naar school gaan moeilijk voor Sammy.
Hij voelde zich alleen, bedreigd en angstig.
De klas werd kil en grijze ruimte waar hij zijn tijd diende uit te zitten.
Het lachen was verdwenen.

Sommige jongens gingen tijdens de speeltijd met de rug tegen de muur staan terwijl anderen liepen riepen en vechten.
Soms was nu Sammy één van hen.
Hij werd nooit één van de andere.
Het galmende speelplein werd een slagveld.
Een pijnlijke open plek.
Een harde plaats waar stenen scherpe kreten weerkaatsen.

De stap zijwaarts had zich afgespeeld op die grijze stenen, de groene saloon-deurtjes van de toiletten op een zonnige, koude lentedag

Later zou Sammy zou zich nooit meer kunnen associëren met iemand.
Er zou altijd iets blijven tussen hem en de anderen.

Een afstand die hij nooit zal kunnen overbruggen.

 

Dit veranderde Sammy’s leven voor altijd, al besefte hij dat maar vele jaren later.
Hij verdrong alles van dit gebeuren.
Hij had een andere weg ingeslagen.
Daar was een jongen waarmee hij zich verstond, die fantasie had zoals hij, die niet verstofte in zakelijkheid en ijver. Maar die ondernemende Pieter kwam uit een andere cultuur – een zoon van zelfstandige die diende te leren strijden voor zijn bestaan en Sammy was de zoon van een beambte die diende te kunnen plooien om te overleven.

Nooit zal hij nog zo’n vriend hebben.
Hij zal steeds wantrouwig blijven tegenover anderen en zich meer en meer afsluiten.
Soms kiezend voor grijs en ongeïnspireerd gezelschap in plaats van de mensen waar hij echt bij thuishoorde.

het truukje van de weerbare retoriek zou hij nooit van Pieter leren.
Want je diende goed te weten hoe dat moest – wat je in zo’n situatie diende te zeggen en te roepen en wat niet mocht, en hoe je lichamelijke houding, je lichaamstaal daarbij diende te zijn.

 

33 – De Ratten

De Ratten

Door Iris Nachtegaal

 

De kelder bij de grootouders was afgesloten met een zware houten deur.
Daarachter kon geen licht worden gemaakt.
Het gebeurde wel eens dat Sammy als straf in die kelder werd opgesloten.
Maar hij schreeuwde dan zo hard dat Bompa hem er spoedig uit liet.

Sammy had graag een huisdier gehad.
Een grote hond die hem zou kunnen beschermen.
Maar nu ontdekte Sammy in het duister van de kelder kleine blinkende oogjes.
Toen er door de deurspleet wat meer licht naar binnen viel, kon hij zien van wat ze waren: Grote grijze ratten.
Een huisdier zo maar in huis krijgen, zonder dat je het diende te vragen, het zomaar te krijgen, zonder dat iemand het hoefde aan te kopen!
Diertjes die zomaar vanzelf in huis komen!
Sammy vond de ratten heerlijk!

Wat zou er met deze nieuwe bewoners gaan gebeuren?
Sammy probeerde ze stilletjes te naderen, en wat broodkruimels toe te gooien.
Hij hield zijn ontdekking liefst geheim en sloop regelmatig stil naar de kelder, om het gedrag van zijn harige vriendjes met hun zwarte glimmende oogjes te volgen.
Hun pootjes leken wel kleine handjes. En hun snuit beefde alsof ze voortdurend aan ’t prevelen waren.

Maar toen grootvader ook de nieuwe gasten ontdekte ontstak hij in woede.
Hij greep terstond naar de kolenschop die aan kelderdeur stond en sloeg op de beesten in met de scherpe kant ervan.
Ze werden rillend op de spade naar de tuin gedragen waar ze beefden in hun doodsstrijd.
Hun ingewanden kwabbelden uit hun bondjasjes.
Eén na één droeg een woedende grootvader met de schop ze naar buiten – de ene al meer dood dan de andere.

Sammy keek toe en ging na of ze nog leefden.
Dan kregen ze een genadeslag van grootva.
Daarna werden ze in de grond gestopt met elk een zware steen op hun grafje.
Opdat ze er niet meer zouden kunnen uitkomen.
Zoals mensen

31 – De Pot

Op de Pot

Door Iris nachtegaal

In zijn buik huist er een klein gebocheld mannetje dat moeizaam zwoegend aan een zwengel draait waardoor een dik touw door Sammy’s aars naar buiten wordt gedreven.

Op de wc-pot gezeten houdt Sammy zijn ogen kort bij het verticaal geslepen raam waarachter het plastic gordijntje met de rode-witte patronen hangt.

Plots slaat zijn blik over naar oneindig en kijkt hij naar een monumentale rode muur waar witte massieve sferen die tot ver in de diepte reiken.

“Sans Pareil” staat op de jachtbak.

30 – De Strip

 

 

-Allee, Nokel Fons judast dat wolfbeest nog eens dan kunnen de kadeekes nog eens lachen!
Die onnozele nonkel Fons kotert met zijn wandelstok tussen de tralies en slaat toevallig de sluitpin van het wolvenkot los.

-Hee wacht eens Siske! Waarom gaan die mensen plots lopen?

De wolf wie dat gejudas al lang zijn wolvenbotten uithangt springt belust op wraakt uit zijn hok.

-Rap in de boom Siske! Die wolf is uitgebroken!

Halverwege struikelt Siske over haar eigen voeten en…

-Lopen Limbak met Siske in een boom!

-Vooruit Eusebie, gij ook de boom in! ‘t Ziet er een woest bijtbeest uit!!

-Pfff! Als ge denkt dat ik mij voor zo’n schoothondje derangeer!

-Eusebie als ge het niet voor u zelf doet, doe het dan voor dat beest…’t zal zijn tanden op uw knoken verbrijzelen!

-Er zal hier juist niets te verbrijzelen vallen…Ik steek hem binnen twee minuten terug in zijn kot!

De wolf die van het knokenetende soort is stormt likkebaardend op Tante Eusebie.

-Houd u koest en werp mij liever uw allumeurke eens!

Limbak gehoorzaamt verbaasd en wanneer de razende wolf nog enkele passen van haar verwijderd is. Steekt tante Eusebie kalm haar papaplu in brand.

-’t zal wel rieken want de mot zit erin! Maar dat is zelfs nog beter!

Zoals alle wilde dieren bevreesd voor vuur vlucht de wolf ijlings in zijn hok.

– Oef! Water en bloed heb ik gezweet!
Eusebie waar hebt gij dat geleerd?

Een foto toont de kleine Sammy die schrijlings zit op de armleuning van de clubfauteuil onder een lampadaire terwijl papa hem dit voorleest.

Papa leest uit het rode boekje waar Sammy alleen nog maar de prentjes van kan begrijpen. De geheimzinnige lettertekens worden door papa met stemmetjes tot leven gebracht.

Telkens moest papa deze bladzijde lezen, tot Sammy’s groot jolijt.
Wanneer Sammy het verhaal reeds kende veroorzaakte het voorzien van de afloop ervan dubbel plezier.

 

15 – De Jager

1,

Grootvader leerde mij sporen lezen.

Wanneer we gingen wandelen leerde hij me telkens letten op allerlei tekens:
aangevreten bladeren, gebroken takjes, uitwerpselen…
– Ze vormen telkens een spoor dat je onmiskenbaar zal leiden naar een bepaald dier – indien je ze juist hebt leren interpreteren.
Van zodra je een spoor gevonden hebt laat het je niet meer los.
Je ziet dan het dier voor je geestesoog – alsof het reeds daar voor jou staat.
– Je voelt niet wanneer wanneer je iets op het spoort bent – je bent daar zeker van.
De jager weet zeer goed aan wat hij zich mag verwachten. Zelfs de gestalte, de leeftijd van het beest, zijn gewicht – Dat beeld tekent zich duidelijker en duidelijker af naarmate hij verder in de sporen volgt..

In het bos kon grootvader steeds aanwijzen welke richting je diende uit te gaan en welk dier precies je daar zou aantreffen.
– Het bos was voor hem een soort “menukaart” zou je mogen zeggen.

Geen Westerling gelooft dat.
Ik weet dat dit aan jullie Europeanen heel moeilijk uit te leggen is.
Wij hebben zo iets als “voeling met de aarde”.
Een begrip dat ik hier slechts moeizaam kan omschrijven.
Het is zeker niet te verwarren met de romantische voorstellingen die jullie daarvan maken.
Het bestaat uit een intuïtieve zekerheid – een buikgevoel zeg maar – dat je vertelt in welke richting er voedsel te vinden is.
Welke plaats je moet kiezen om een kampement op te slaan of je hut te bouwen of je gebedsplaats – of waar je een graf moet delven.

De geesten kiezen hun plaats – dat kan je niet van dingen zeggen.

Maar die oude kerken van jullie waarom zijn die opgericht daar waar zij nu staan?

Hoe kon men destijds bepalen waar dat diende te gebeuren?

Hoe werd een plaats gewijd? Gekozen? Door wie en waarom?

Misschien is het daarom dat ik mij zo tot kerken aangetrokken voel – al dat i niet kan zeggen dat ik gelovig ben…

Maar vandaag is dat helemaal verdwenen

Hier in Europa wordt nu alles geregeld door ruimtelijke ordening, of de wilde ideeën een projectontwikkelaar.
Vandaag heeft men zelfs niet het flauwste benul waarover ik hier beschrijf – en ik weet dat – maar onze jagers die kennen dat nog!
Niet die jagers hier die schietgraag en luidruchtig het wild tussen twee autostrades opjagen.
Maar mensen die ooit lang in de beslotenheid van de natuur hebben geleefd of daar zijn geboren en opgegroeid zijn – die weten dat ongetwijfeld.
Het “instinkt van de jager” zeg maar – heeft iets te maken met kennis, maar evenveel met intuïtie en je toch kan je niet zeggen of het nu ene is of het andere is…

 

Het gaat zo:
Je blik valt onwillekeurig op een afgebroken tak – het is dan alsof je ogen je wenken.
Eerst twijfel je – dan vraag je je af: Heb ik nu wel goed gekeken?
– Maar wanneer dan andere sporen aantreft die eerste indrukken bevestigen, dan weet je met zekerheid wat er is.
Een geoefend jager weet ook precies wat hij opspoort.
Hoe meer je dat doet des te beter weet je naar wat te kijken wat je mag verwachten.
Een jager begeeft zich niet naar zijn prooi – Hij wordt naar zijn prooi toe gedreven.

2,

Vader werkte bij de kolonisten.
Hij had nooit meer gejaagd in zijn volwassen leven.
Maar zijn vader – mijn grootvader – die was een groot jager.
En hij heeft veel daarvan naar mij overgebracht.

Niet dat we veel dieren hebben gedood, dat zeker niet!
Dat mocht toen trouwens niet meer van de kolonisten.
– Wat die dan weer met dieren deden was ons een raadsel.
Ze in kooien bewaren? Waar was dat goed voor?
Waarom een beest zijn vrijheid ontnemen als je het niet opeet?
Een dier opgesloten in een kooi lijkt wel een mens.

Wij leerden voor de natuur respect te hebben en haar te vrezen.
Wij leerden voor haar te zorgen. En we wisten dat je nooit het recht hebt van haar zonder grondige reden te nuttigen.

Wij hadden waardering voor de natuur maar op een heel andere manier dan de Engelsen.
Wij waren genadig met de dieren en namen van hen enkel dat waar we behoefte aan hadden.
Niet meer, maar ook niet minder.
En we vroegen telkens om vergiffenis aan het wilde zwijn alvorens we het opaten.
– We hadden daar trouwens een gebedje voor – ééntje nog van voor onze missietijd dat aan de kinderen werd geleerd, omdat het kort was en fijn rijmde en geheimzinnig fluisterend kon worden uitgesproken.

3,

Grootvader kon niet geloven dat er zo iets bestond als “vleesindustrie” daar walgde hij van!
– Bijna zo heftig als toen de missionaris die films in onze parochie had vertoond over de oorlogen in Europa en de concentratiekampen.
– Ik was toen erg jong en ik heb zelf die beelden nooit gezien – maar ik herinner mij heel goed hoe diep grootvader daarvan was aangedaan, hoe hem de tranen hem in de ogen stonden. Zo’n wanhoop had ik in zijn blik nooit eerder gezien…
– Grootvader geloofde dat de hel werkelijk bestond en in Europa lag.
Europa leek ons het continent van de onderwereld.
De hel, zoals die door de missionaris werd voorgehouden – waar de zondaars in het eeuwige vuur werden gedoopt – die verschrikkelijke beelden van gedrochtelijke muilen die zielen opslokken – Die hel had een plaats op aarde en die plaats heette Europa – Hij geloofde toen weer eventjes dat de kolonisten die demonen waren die uit de onderwereld kwamen teruggekomen.

Duitsers kende hij helemaal niet.
Die waren nooit tot onze streken doorgedrongen – zelfs niet tijdens die oorlog.
Waarschijnlijk is het ons geluk geweest dat we van de kust door een hogen bergketen en een jungle  waren afgesloten –

Bij ons waren de Engelsen maar in kleine getallen toegekomen – met mondjesmaat.
Grootvader vertelde herhaaldelijk over die eerste keer toen hij ze zag. Hij was toen zelf nog een kind wanneer enkele blanken voor het eerst in onze streken verschenen. De dorpelingen dachten dat zij zielen waren die uit de onderwereld waren teruggekomen.
– Ze zagen er bleek uit en afschuwelijk zoals je van lijken mag verwachten – één van ons herkende zelfs zijn overleden oom.

Maar toen het ons duidelijk werd dat dat niet zo was – dan vonden wij hen vooral grappig en interessant.
Gestreden is er nooit geweest.
In ons dorp is nooit één schot gelost geworden. Tenzij dat ene door die Engelsman, die het nodig vond de werking van zijn geweer op een varkentje te demonstreren.
– We dachten toen even dat hij de donder beheerste.
Waarschijnlijk was hij zelf angstig geworden. Maar wij zijn nooit echt bang voor hen geweest.
We onthaalden hen als mensen die verdwaald waren in de jungle en hulpbehoevend waren. We geven ze te eten en verzorgden de gewonden.   We lachten vooral veel met hun kinderlijke onwetendheid en onhandigheid – hoe zij zich soms aanstelden als voor dingen die bij ons heel normaal waren- terwijl ze zich tegenover  echt gevaarlijke dingen er onvoorzichtig konden zijn.
We haalden daar dikwijls ons voordeel uit. Vooral bij de antropologen die kwamen om ons te bestuderen – daar haalden we de meeste grappen mee uit- daar bestaan heel wat lollige verhalen over.

4,

Mijn vader had zijn jagersinstinct helemaal verloren.
Hij wou geld verdienen in het mijnbedrijf. Delven naar wat men toen de “zwarte diamant” noemde.  En waarnaar onze streek toe werd genoemd.  Ik zag vader iedere morgen vertrekken gekleed in een driedelig pak met lederen aktetas onder de arm en een bijzonder ernstige gelaatsuitdrukking.

Maar doordat ik veel met grootvader op stap kon gaan werd dat instinkt bij mij wel wakker gehouden.

Dat voel ik nu terug.
Vreemd genoeg bij het lezen van deze teksten van Sammy
– Het is alsof ik sinds lang weer een spoor kan ruiken!

Iets zegt de jager in mij om verder te gaan – de afdrukken te volgen – en hoe langer ik ze volg hoe duidelijker Sammy voor verschijnt.

Maar iets doet mij aarzelen want ik weet tevens – met even grote zekerheid – dat er iets onheilspellend, iets dreigend in het centrum van dit doolhof  wacht.
Iets waarvoor ik moet waarschuwen?
Iets donker als een dichte wolk die haar schaduw over het land legt.

12 – Het Schip

Deze tekst heb ik aangetroffen op een beduimeld vergeeld papiertje –

Klaarblijkelijk werd het zorgvuldig uit een boekje gescheurd?
Waarschijnlijk uit een libretto van een volkszanger?

De paragraaf werd met rood potlood omcirkeld.
Hield Sammy dit bij om een persoonlijke reden?
Wat zou dit over hem kunnen zeggen?

Een schip dat lange langs de kade gelegen heeft
wie vertrouw het nog zeewaardig te zijn?
De kapitein ervan die lange tijd
’t sop niet meer heeft gezien
bezat zich nu in d’ havenkroegen,
en slaapt bij dag zijn roes nog uit.

Alleen dronken nog
en in zijn dromen spreekt
hij nog van uitvaren

Maar de zee beangstigt hem
hem mankt de moed
bij stormig weer zijn schuit te sturen
’t rollen van ’t schip alleen al
maakt hem zeeziek!

De lichtjes die hij ’s nacht ontwaarde
diep aan d’ horizon van de zwarte zee
die hem naar huis en vrouw deden trachten
zijn tot verbijsterende stralen geworden
in de scheelheid van zijn zatte kop

Wien spoort hem nog aan tot varen?
Wien wijst hem nog naar dien op te knappen schuit?

Wat pek hier wat olie daar en dit en dat vervangen
zeewaardig is dat schip
en vaarlustig zijn bemanning!

Stoutmoedig kunnen zij
naar d’einder staren
gewelfd hun borst
als bolle zeilen
als ’t fiere boegbeeld
onversaagt