34 – De Stap

De Stap

Door Iris Nachtegaal

Sammy had een beste vriend, dat was Pieter.
Zijn vriend geleek op hem een beetje.
Samen brouwden ze fantastische verhalen, en lachten om dezelfde dingen.
Ze wilden met zo’n zwart-witte auto’s rijden als de Highway Patrole, met loeiende sirenes en walky-talkies hebben, waarmee ze altijd met elkaar in verbinding zouden kunnen staan.
Ze kenden elkaar sinds de kleuterjaren.
Waarover hadden zij het?
waarover spreken kleuters met elkaar?
De wereld was een avontuur.
Beiden keken een beetje neer op de andere klasgenootjes die ze voor dom hielden. In het eerste studiejaar behoorden ze beiden ook tot de besten van de klas.

Sammy werd trouwens erg geboeid door alles wat er te leren was – eindelijk kon hij leren lezen en begrijpen wat die tekens waren op de keukenklok.

Maar in het tweede studiejaar ging het allemaal mis.

We gaan “Pieters pluimpjes plukken!” Riepen de kinderen.
Zo klonk het al enkele dagen.
Pieter was het mikpunt van spot en pesterijen geworden.
Dat gebeurde vooral tijdens de speeltijd.
De jongens gingen in een halve kring om hem staan en plaagden hem.
Pieter ging ruggelings kort bij de toiletten staan, zodat ze hem niet overhoed langs achter konden aanvallen.
Sammy stond naast hem maar zei geen woord.
Het was vooral Pieters grootsprakige en luidkeelse reactie die de jongens daartoe aanzette. Hij hield zich fier rechtop de armen gekruist en diende ze roepend van antwoord.

Die dag gebeurde het weer en nu ook stond Sammy naast hem keek meer en meer bevreesd want het ging er heftiger en heftiger aan toe.
Het dreigde tot een gevecht te komen.
Eigenlijk was het vooral spektakel maken voor de jongens – maar zo zag Sammy dat niet.
Hij werd angstiger naast zijn beste vriend die hij steeds meer aanmaande van zich gedeisd te houden, – dan zouden ze vanzelf wel weggaan – het is omdat je zo fel doet dat ze telkens terugkomen! —had hij gezegd.

De jongens vormden weer een have kring en het alles herbegon; maar nu heftiger dan anders, en op een zeker moment deed Sammy iets dat de rest van zijn leven zou bepalen – iets dat hij altijd heeft onthouden of verdrongen.
Hij deed iets zeer eenvoudig, maar iets dat hij zich zijn leven lang zal beklagen, dat invloed zal hebben op de rest van zijn bestaan, iets dat hij nooit of nimmer nog kon goedmaken;

Sammy zette een stap opzij.

De belangrijkst stap van heel zijn leven.
Hij zette een stap opzij, weg van Pieter.
Als teken dat hij zich hier niet meer met Pieter wilde associëren.
Hij wilde hetzelfde lot als zijn beste vriend niet ondergaan.
Hij had angst gekregen.
Angst voor slaag en pijn en vernedering.

Hij was de laffe verrader van zijn beste vriend geworden – zo had iedereen het nu gezien.

Was het de zoon van een ambtenaar tegenover de zoon van een zelfstandige?
Hadden ze elk andere thuisinstructie meegekregen?
Andere gedragscodes?
De zoon van de handelaar: leer je mannetje staan, want je staat er in het leven alleen voor!
De zoon van de ambtenaar: hou je gedeisd en er zal jou niets overkomen – maak dat je niet opvalt!

Vanaf deze stap zal zijn leven een andere weg opgaan.
Hier kan hij nooit meer op terugkomen.
Vanaf hier had hij besloten voor een schutkleur te kiezen.
Samen een nummer met de anderen te zijn in plaats van uit te schieten en tegenwind te trotseren.
En daarbij hoorde een diepe eenzaamheid.
Want met die anderen zou hij nooit meer kunnen aansluiten als bij Pieter.
Die zouden nooit zijn vriend kunnen worden. Hij werd een ander tussen de anderen.

Met Pieter maakte hij zich los van zijn beste vriend en van vele open wegen in zijn leven.
Hier besloot hij te worden zoals zijn ouders, onopvallend en teruggetrokken in de massa.

De bel ging.
De jongens sloten aan.
De rij stapte met de meester mee naar het klaslokaal.
Pas toen pas viel het Sammy te binnen wat de gevolgen waren van wat hij gedaan had.
Want zijn plaats in de klas was naast Pieter.
Dat was al zo vanaf de grote school, en ook wel daarvoor in de kindertuin zaten ze dikwijls te samen.

Pieter had geen woord meer tegen Sammy gesproken.
Hij keek strak voor zich uit, het hoofd rechtop en gunde Sammy geen blik.
Wanneer het moment gekomen was dat de jongens plaatsnamen achter hun bank.
Bleef Pieter rechtstaan en stak zijn vinger op.

– Ja, Wat is er Pieter? vroeg de leraar.
– Ik wil niet meer naast Vanderstraet zitten!
– Wel, wat nu? Hebben jullie ruzie gemaakt? De beste vrienden?
– Ik wil niet meer naast hem zitten!
– Wel goed dan zullen we jullie verplaatsen,
Vanderstraet ga naast Andriesen zitten en jij Pieter naast Van Hemelrijk.

Zo verhuisde Sammy naar de tweede van de middenste rij.
Andriessen en Vanderstraet konden het met elkaar niet vinden.
Ze maakten nooit ruzie maar ze hadden niets gemeen.
Anriessen had een bleke haast huidskleur. Ros krullend haar, bruine donkere ogen met een strakke uitdrukking. Hij lachte nooit. Zijn grote blanke tanden verschenen enkel wanneer hij ze in een vraagstuk van wiskunde zat, dat hij altijd moeilijk en belangrijk scheen te vinden. Bij het lezen volgde hij de lettertekens met een wijsvinger die naar buiten kon klikken. Omdat er iets met zijn gewrichten was. Hij was niet onvriendelijk maar lachte nooit naar Sammy.
De jongens spraken alleen met elkaar wanneer het over een opdracht ging.

Sammy had zijn beste vriend verloren en zou er nooit nog één hebben. Hij zou nooit van Pieter leren hoe van zich af te bijten. Hoe indruk te maken door komedie te spelen en luider te roepen dan zijn tegenstander. Hij zou inderdaad nooit leren zijn rug recht te houden want vanaf dan zat Sammy steeds meer gebogen en in zijn handjes te wriemelen.
Kon hij van zichzelf aannemen dat hij een laf was?
Dat hij zou wijken wanneer het moeilijk werd met anderen. Wanneer er slagen dreigden. Slagen zoals hij er van zijn vader veel kreeg. En die hij zonder verweer diende te ondergaan – want indien hij zich zou durven verzetten tegen zijn vader, indien hij zou durven terugslaan dan ging vader hem doodslaan! – zo had hij ooit gezegd.
Of zoals zijn moeder zei – Je ziet er uit zag als iemand die zijn toer afwacht maar dat er nooit iets zou gebeuren. Als ge schrik hebt zijt ge weg.

Vanaf dan werd naar school gaan moeilijk voor Sammy.
Hij voelde zich alleen, bedreigd en angstig.
De klas werd kil en grijze ruimte waar hij zijn tijd diende uit te zitten.
Het lachen was verdwenen.

Sommige jongens gingen tijdens de speeltijd met de rug tegen de muur staan terwijl anderen liepen riepen en vechten.
Soms was nu Sammy één van hen.
Hij werd nooit één van de andere.
Het galmende speelplein werd een slagveld.
Een pijnlijke open plek.
Een harde plaats waar stenen scherpe kreten weerkaatsen.

De stap zijwaarts had zich afgespeeld op die grijze stenen, de groene saloon-deurtjes van de toiletten op een zonnige, koude lentedag

Later zou Sammy zou zich nooit meer kunnen associëren met iemand.
Er zou altijd iets blijven tussen hem en de anderen.

Een afstand die hij nooit zal kunnen overbruggen.

 

Dit veranderde Sammy’s leven voor altijd, al besefte hij dat maar vele jaren later.
Hij verdrong alles van dit gebeuren.
Hij had een andere weg ingeslagen.
Daar was een jongen waarmee hij zich verstond, die fantasie had zoals hij, die niet verstofte in zakelijkheid en ijver. Maar die ondernemende Pieter kwam uit een andere cultuur – een zoon van zelfstandige die diende te leren strijden voor zijn bestaan en Sammy was de zoon van een beambte die diende te kunnen plooien om te overleven.

Nooit zal hij nog zo’n vriend hebben.
Hij zal steeds wantrouwig blijven tegenover anderen en zich meer en meer afsluiten.
Soms kiezend voor grijs en ongeïnspireerd gezelschap in plaats van de mensen waar hij echt bij thuishoorde.

het truukje van de weerbare retoriek zou hij nooit van Pieter leren.
Want je diende goed te weten hoe dat moest – wat je in zo’n situatie diende te zeggen en te roepen en wat niet mocht, en hoe je lichamelijke houding, je lichaamstaal daarbij diende te zijn.

 

Advertenties

32 – De Grote Vakantie

De grote vakantie

Door Iris Nachtegaal

Het was vakantie.
Sammy en Ruddy lagen nog in hun bedje.
Ze hoorden beide ouders zich klaarmaken om te vertrekken naar het werk.

Ze waren gewend aan het schelden en schreeuwen dat daarmee gepaard ging.
De voordeur sloeg dicht met een harde klap en er viel dan een stilte in het huis.
Een stilte die even later verbroken werd door het geratel van een zware sleutel in het sleutelgat.
Oma’s zwarte schoenen met dikke hakken galmden door de gang.
Deuren kriepten.  Geluiden stegen uit de keuken.
Het ontbijt  voor de broertjes werd klaargezet.
Ze riep van bedeneden af – Opstaan!
Maar daar werd niet direct een gevolg aan gegeven , de zware zwarte schoenen bonkten met tussenpausen op de houden trap.
Grootmoeder inspecteerde het huis van haar dochter.
Waarover ze haar bevindingen gaf.
Het was alsof ze zichzelf toesprak. Stil maar hoorbaar genoeg voor de kinderen.
-“Maar ziet dat hier liggen!, Al die rommel in huis! -en vuil! ik moet dat kind pardonneren! Dat kind wordt zot! Maar toch! Ziet dat hier nu een keer liggen!”
De broertjes klommen uit bed en kregen ontbijt met Ovomaltine en brood besmeerd met Kwatta. En soms een zacht gekookt eitje waar ze reepjes brood insopten.
Oma zweeg geen moment.
Niemand kan zich nog herinneren wat zo allemaal zei.

Dan ratelde de trapauto met Sammy en Ruddy naar het huis van de grootouders.
Opa was nog niet daar. Die deed zijn ochtendwandeling, met zijn krant in zijn jaszak.
Het middageten had tijd nodig en terwijl renden de jongens door de tuin.
De witgekalkte muren van de stadstuin met de perenbomen, het kot, de plisplanten, de ortensia, de schildpad en de hommels en de wespen die rond het kerstenkruid zwermden.

Vliegende dieren.
Vrije dieren.
Vogels en vliegende insecten.

Sammy wilde ze vangen. Vooral de hommels en de wespen.
Daarvoor gebruikte hij de lege sigarenkisten van grootvader.
Hij sloop behoedzaam naar een wesp op het kerstenkruid. Opende de doos rond het lila-achtige bloempje – en klapte ze dicht.
Daarna luisterde hij gespannen naar het zoemen in de doos.
Maar de doos sloot niet goed genoeg doordat er een stukje stengel tussen was geraakt.
De wesp was naar buiten gekropen en stak Sammy in de handpalm. Schreeuwend liep hij naar grootmoeder, die olie aan het rood opzwellende handje deed.

Metalen sigarenkistjes dienden  hier hun doel het beste. Metalen dozen sneden de stengels af en sloten beter, dan houten.
Sammy en Ruddy dachten ook een bijenkorf te kunnen opzetten met de gevangen insecten.
Maar het waren nooit echt bijen.

Hommels staken minder agressief dan wespen en waren dus gemakkelijker te pakken maar minder leuk. Kleine ter plaatse vliegende wespjes  -helikoptertjes- genoemd staken nooit en waren het minst verdienstelijk om te vangen.

 

 

31 – De Pot

Op de Pot

Door Iris nachtegaal

In zijn buik huist er een klein gebocheld mannetje dat moeizaam zwoegend aan een zwengel draait waardoor een dik touw door Sammy’s aars naar buiten wordt gedreven.

Op de wc-pot gezeten houdt Sammy zijn ogen kort bij het verticaal geslepen raam waarachter het plastic gordijntje met de rode-witte patronen hangt.

Plots slaat zijn blik over naar oneindig en kijkt hij naar een monumentale rode muur waar witte massieve sferen die tot ver in de diepte reiken.

“Sans Pareil” staat op de jachtbak.

25 – Het Bad

wassen

Door Iris Nachtegaal

Iedere dag omstreeks 7 uur ‘s avonds werden Sammy en zijn broertje Rudy gewassen in een zinken teil op de houten keukentafel.
Boven hun hoofdjes scheen het koele licht van een ronkende een TL buis.
Het water werd door een moortje verwarmd en dampend in de teil gegoten.
Sammy had angst van het water – angst voor verbranden.

Eerst werden de broertjes één na één duchtig ingezeept zodat hun haar op een schuimkuifje stond.

Sammy bleef stil zitten wanneer de handen van papa of mama in washandjes zacht maar zakelijk over zijn lichaam gleden.

Liggend in het warme water voelde hij een geborgenheid die hij anders niet ervoer.
Een gezellige verplichting:
Je moet nu in bad!
Nu ga je slapen!

24 – Het Vliegen

Ik laat ons onderzoek (mag ik het zo noemen?) tegenwoordig vooral over aan Iris.
Ze heeft ook een sleutel van het achterhuis gekregen en neemt daar regelmatig mijn plaats in.
Door het gat in de haag verschijnt ze dan in onze tuin en stapt door de sneeuw naar het gebouwtje tussen de populieren.

Ik heb het momenteel te druk.
Ik kom later thuis, en mijn vrije tijd gaat vooral naar de kinderen.
Maar in het weekeind ga ik eens kijken hoever ze daar staat.

Er ligt dan meestal een bladzijde of twee, volgeschreven met haar nette handschrift.
Ze gebruikt daarvoor het vergeelde lijntjespapier uit de atoma-schriftjes die Sammy onbeschreven liet.
Haar rond regelmatig meisjesgeschrift is makkelijk leesbaar.
Heel wat anders dan die hanenpoten van Sammy!
Ik typ ze voor U over naar dit blog:

Vliegen

Door Iris Nachtegaal

Trappers, pedalen, karkas, alles rammelde over de hoekige straatstenen wanneer de rode pedaalauto van Sammy en Ruddy voorbijraasde.
Voetgangers sprongen soms kwaad opzij.
De oude wekker die Sammy in het tuig had verborgen ratelde tegen de metalen kast – dat gaf een motor-achtig geluid, dat passanten vragend deed nakijken.

Door hard te rijden leek het of hij zich even van de wereld kon losmaken.
Losmaken van deze plaats.
Bewegen is beloven.
Rijden met een automobiel.

snelheid is vrij zijn.
Vrij waren vooral de vliegtuigen van het nabijgelegen vliegveld die soms laag over de daken scheerden.

Vliegen, zich losmaken van de grond, vrij zijn, weg van alle pijn.

Weg van het gebakkel, de regels, de wetten, de controle der grote mensen, de school en de streng kijkende agenten.

Ongrijpbaar worden,

onaards,

boven de wolken zijn,

grenzeloos zijn zoals goden.

Het gemakkelijke leven der engelen,

die aan geen aardse kwalen lijden,

geen pijn geen dreiging,

geen vernedering

geen debacle dienen te ondergaan.

19 – Het Plein

“Sammy”

door
Anker Tong & Iris Nachtegaal

 

 

 

Wat denken jullie hier van:
“Sammy Vander Straet” door Anker Tong en Iris Nachtegaal?
– We werken nu regelmatig aan dezelfde hobby – of hoe zou je dit anders kunnen noemen?
Iris heeft eerder letterkundige talenten en meer psychologisch doorzicht dan ik.

Ik ben een zoeker – ik wil tot een slotsom komen, een omsluitend antwoord op de vraag waarom Sammy zweeg  – dit vraagstuk oplossen. (Wat erg overeenkomt met mijn beroep: problemen zien en ze oplossen, “depanneren” zeg maar.)

– Iris niet- zij wil uitdiepen en de zaak langs alle kanten kunnen bekijken.

Ze zegt dat we niet noodzakelijk tot een eenduidige beeld hoeven te komen

– “Hier kunnen verschillende waarheden naast elkaar bestaan, verschillende geschiedenissen die elk naar hun eigen waarde geschat kunnen worden…”

(Soms geloof ik dat ze meer met Sammy te maken heeft gehad dan dat ze voor het ogenblik bereid is om toe te geven – hoe intiem hebben zij elkaar wel gekend?
Och, zou dat belangrijk kunnen zijn?

Zoeken jullie mee naar verklaringen en duidingen?

Alle hulp is welkom!

Daarom is dit een blog, niet?

 

Het Plein

Door Iris nachtegaal

Sammy zit aan het open raam.
Het zomers avondlicht speelt breekbare schaduwen over het stationsplein.

Sammy kijkt naar de steeds terugkomende gezichten.
Hij kent ze allemaal. Voor hem zijn ze transparant.
Hij kan dwars door hen heen kijken. Hij kan voelen hoe ze in hun vel zitten.

De twee meisjes die steeds samen zijn – waarvan er één altijd een hoofddoek draagt.
De jongeman die aarzelend en gebogen alleen door het park loopt.
De man met zwarte glimmend gepoetste schoenen – de blik steevast op de straatstenen gericht.
En de één-kamer-bewoners van het café aan de overkant.

Sammy geeft ze allemaal een naam: Arie Ragebol, Pietje Vlam, De Maestro, Douwe Kwak, Stafke Mottenbol, Den Duits, de Kolonel,…
Sammy kan zien wie eenzaam is, wie uit psychiatrie is ontslagen, wie een misdaad heeft begaan, of zal begaan. Wie wanhopig is, wie harde tijden beleefd heeft, wie zijn leven opnieuw in handen probeert te krijgen, wie zijn vriend in vertrouwen neemt, wie niet bekeken wil worden, wie wantrouwig is, gehaast vol schaamte gebogen zich schuldig voelt, zelfgenoegzaam genesteld is.
Hij ziet wie willoos door het leven gaat, of lichtvoetig, of vertwijfeld…

Hoe intelligent ze kunnen zijn of niet.

De groepen waar iedereen in opgaat. De dronken soldaten ’s nachts of de vechtpartijen in het café aan de overkant.

Het stationsplein wordt zijn blik op de wereld van de volwassenen.

Maar nu is het stil rond het stationsplein, af en toe een ronkt auto.
Vakantiezomer.
Een trein ratelt over de sporen remmen krijsen stoom suist, geluiden sterven weg hijgend suizend zuigend zuchten schollend.

De geblokte vrouw met de spleetogen, die nooit lacht, borstelt de stoep voor haar winkeltje aan de overkant. Haar man met zijn veel te grote Canadese pet komt terug van de parkvijver. Hij draagt een rieten stoel en visgerief op zijn rug.

De buurmeisjes groeien dikke Maagdenburgse halve bollen onder hun lichte truitjes. De buurman laat zijn dochters wel lang zonder bh lopen zegt moeder.

Hij is een zware man met een zwarte walrussnor die langs zijn mondhoeken naar beneden loopt.

Sammy kijkt en zwijgt wanneer hij langs de meisjes stapt.

Op een dag begon er plots één van hen te schelden:
– “Smeerlap! Waarom zit ge ons zo aan te staren? Scheer je weg! Moet ge klop hebben!”
Het zijn potige meisjes met kort ros haar en dikke benen.
Sammy zei niets en keek beschaamd weg.

Ogen kijken niet alleen – zij leggen ook contact – dat kon hij maar niet geleerd krijgen.
Hij keek zonder zich er bewust van te worden dat zijn blik ook communicatie was.
Hij keek zoals een kind, starend uit verwondering. Uit eenvoud.
Maar iets in hem maakte dat die naïviteit nooit tot de anderen doordrong.
In zijn blik dachten ze vreemde dingen te lezen, geslepenheid, broedend op een plan, een afwachtende houding.

Nu schalt de schreeuwerige stem van moeder door het huis.
Hij weet dat dit uren zal doorgaan.
Soms vraagt hij zich af waarop ze niet probeert van te zingen.
Het lijkt hem allemaal zoveel verloren energie en het is zo storend.
Zij schreeuwt tegen vader die het weer gelukt is van haar op stang te jagen.
Sammy weet dat vader dan onbeweeglijk blijft.
Haar stom aankijkt zonder één spier van zijn gelaat te verroeren. Of haar een kort gedempt antwoord toesnauwt.

Sammy stopt zij oren dicht met de vlakke handen.
Hij gaat op bed liggen.
Zucht, kijkt lang naar het plafond.
Zoekt dan de bakelieten koptelefoon die pijnlijk spant om de oren en luistert zo naar zijn muziek.
Het bandopnemertje speelt kosmische muziek.
Sammy luistert, denkt en kijkt.

Popmuziek is nieuw voor Sammy.
Vader is gekant tegen popmuziek en moeder wil geen enkele muziek horen.
Alles moet stil zijn – Haar “muizen-oren” verdragen geen enkele klank.

Sammy stelt scherp op zichzelf.
Kijkt.
Neemt zichzelf waar als een object – als iemand anders.
Hij probeert naar zichzelf te kijken zoals anderen hem zouden zien.
Dit wil zeggen met woorden van de anderen.
Hij is wat de anderen van hem denken – en toch ook weer niet.

Hij is wat hij voor zichzelf is.
En het zijn de anderen die dwalen.
Die houdt hij wat voor, zodat hij door hun identiteitscontroles kon geraken.
Sammy wil aan niemand blijven hangen of haperen.
Maar hij moet wel naar school of op familiebezoek.
Zou hij ook vrienden kunnen hebben?

Sammy heeft weinig vrienden.
Zijn broertje Rudy des te meer.
Wanneer de verjaardagsgeschenkjes op tafel laatst werden uitgestald was de salontafel vol cadeautjes voor Rudy van vrienden en buren.
Maar toen Sammy’s verjaardag kwam bleef de tafel nagenoeg leeg.

Sammy kijkt naar een wereld waar hij zich niet in kan plaatsen.
– Iedereen kijkt vanuit zijn eigen cinemazaal –
Iedereen heeft een eigen donkere kamer. Iedereen speelt een rol in de film van iemand anders- en anderen spelen een rol in je eigen film – Denkt hij, liggend op bed, starend naar het plafond.
– Iedereen reflecteert iedereen. Iedereen vormt een schim voor iedereen, een schaduw in een grot –

En waar is dan het centrum?
Is er wel een centrum?
Is de wereld rond mij wel echt? – denkt Sammy – of leef ik in een droom van de anderen?
Misschien vormen ze een samenzwering, die anderen? Misschien weten zij wel alles.
Misschien kijken ze wel van hoog boven naar mij? Vanaf een onzichtbare plaats, van achter een doorzichtige spiegel.
Misschien maak ik deel uit van een psychologisch experiment. Zoals een rat die haar weg moet zoeken door een doolhof.
Misschien bestaat er niets van dit alles alles.
Misschien word ik voortdurend geobserveerd.

Misschien…

12 – Het Schip

Deze tekst heb ik aangetroffen op een beduimeld vergeeld papiertje –

Klaarblijkelijk werd het zorgvuldig uit een boekje gescheurd?
Waarschijnlijk uit een libretto van een volkszanger?

De paragraaf werd met rood potlood omcirkeld.
Hield Sammy dit bij om een persoonlijke reden?
Wat zou dit over hem kunnen zeggen?

Een schip dat lange langs de kade gelegen heeft
wie vertrouw het nog zeewaardig te zijn?
De kapitein ervan die lange tijd
’t sop niet meer heeft gezien
bezat zich nu in d’ havenkroegen,
en slaapt bij dag zijn roes nog uit.

Alleen dronken nog
en in zijn dromen spreekt
hij nog van uitvaren

Maar de zee beangstigt hem
hem mankt de moed
bij stormig weer zijn schuit te sturen
’t rollen van ’t schip alleen al
maakt hem zeeziek!

De lichtjes die hij ’s nacht ontwaarde
diep aan d’ horizon van de zwarte zee
die hem naar huis en vrouw deden trachten
zijn tot verbijsterende stralen geworden
in de scheelheid van zijn zatte kop

Wien spoort hem nog aan tot varen?
Wien wijst hem nog naar dien op te knappen schuit?

Wat pek hier wat olie daar en dit en dat vervangen
zeewaardig is dat schip
en vaarlustig zijn bemanning!

Stoutmoedig kunnen zij
naar d’einder staren
gewelfd hun borst
als bolle zeilen
als ’t fiere boegbeeld
onversaagt

7 – De Burcht

Een felle wind rukte ontelbare papiertjes los en deed ze dwarrelen als grote witte vlinders over het grasveld.
Ze bleven maar uit de gebarsten kist stromen.
Ik slaagde erin van ééntje uit haar vlucht te graaien.
Het bleek een vel uit een oud schoolschrift te zijn.
– beschreven met vlekkerig bic op lijntjespapier –
Het handschrift was erg moeilijk te ontcijferen.

Ik las:

“Er was eens een koning en die leefde met zijn hofhouding in een gesloten burcht.

Op een dag had hij een wet uitgevaardigd die bepaalde dat al zijn onderdanen enkel nog “ja” mochten zeggen wanneer zij hem een antwoord gaven.
Hijzelf was de enige in het rijk die ook “neen” mocht zeggen.
Dat gebeurde vooral wanneer zijn onderdanen hem iets vroeger – of zomaar voor de lol van het “neen” te kunnen zeggen.

Deze koning droeg een zware kroon.
Die was zo zwaar dat hij er af en toe onder kreunde.
Dan kwamen zijn onderdanen toegesneld.
Hij diende dan even te gaan zitten want de kroon knelde dan zo erg dat zij hem veel pijn deed.

De koningin – (die eveneens enkel ja mocht zeggen) – herhaalde steeds wat de koning zei – behalve wanneer de koning “neen” zei, want dan zei ze helemaal niets.
Zij volgde hem als een schaduw.
En zij zegde steeds alles na wat hij zei (wanneer dat niet al te ingewikkeld was).

En er was ook het klein prinsje.
Die lachte altijd en riep af en toe eens “neen!”.
Maar dat bracht de koning en de koningin alleen maar aan ’t lachen, want het prinsje was hun oogappeltje.

Wanneer het gebeurde dat er iemand buiten de burcht moest of dat iemand naar binnen kwam dan werden die door de wachters streng in het oog gehouden.
Dat had de koning zo opgedragen.
De valbrug viel enkel neer voor degene die wist hoe zich volgens de hofregels te gedragen.

In een klein torentje aan de uithoek van deze burcht leefde een blinde bultenaar.
Hij was de hofnar.
Hij zweeg al jaren want het was niet makkelijk om grappig zijn wanneer je enkel “ja” mag zeggen.

En bij ieder “ja” kreeg hij het gevoel dat zijn bult nog meer groeide.

De nar was ook niet echt blind.
De duisternis van de burcht had zijn zicht schimmig gemaakt.
Doordat het zonlicht slechts zeer dun naar binnen kon sijpelen –
want de luiken waren steeds gesloten.

Het licht deed de koning pijn.
Wanneer de luiken open werden gelaten – omdat het kuisdag was bijvoorbeeld- dan hield de koning altijd de ogen gesloten.
Of de drukte de handen voor zijn aangezicht, om het pijnlijk licht te mijden.

Op een dag wilde de nar naar buiten.

Hij wou het licht van de zon kunnen zien en wilde weten wat er daar achter de horizon lag.
Die kon hij vanuit zijn torenkamertje net boven de slotmuur zien golven.

Hij had de burcht nooit verlaten.
Hij kende de omgeving enkel door langs de spleten van de luiken naar buiten te turen.
Of door de grote spiegeltafel in de centrale hal van het slot.
– Die weerspiegelde de omgeving via de periscoop in de hoogste toren.

Des avonds schaarde de gehele hofhouding zich rond deze spiegelende tafel.
Ze keken dan neer op het gebeuren van die dag in de wereld.
En ze luisterden aandachtig naar de koning die de toestand voorzag van uitvoerig commentaar.
Maar het viel ook voor dat iedereen alleen maar zweeg en keek.
Zo verliepen trouwens de meeste avonden.

Op een dag dag sloop de nar weg langs de zaalwachters.
Ze hielden hun middagdutje doordat er zo zelden iemand voorbijkwam.

Hij sloop heel voorzichtig op de tenen tot bij de grote poort.
Ontrolde daar traag het rad met de zware ijzeren ketting.
En liet haast geruisloos de valbrug dalen.
Niemand in het slapende paleis had iets gehoord.
Ook de koning had niets gehoord – maar hij voelde wel dat er iets gaande was en trok even zijn ééne oog open.

Nu waagde de hofnar zich naar buiten, de wereld in.

De zon scheen en de vogeltjes floten in de groene bomen wanneer hij met steeds snellere passen de slingerweg volgde naar de daken die achter de heuvel uitstaken.

Daar kwam hij in een dorp te midden van een drukke markt.

Daar – in de drukte van markt stond de hofnar bedeesd om zich heen te kijken.
De schouders wat opgetrokken.
Zijn hoofd gebogen zodat zijn bult nu wel enorm leek.

Tot zijn verwarring riep iedereen daar door elkaar – iedereen sprak daar zomaar!
En dat mocht en dat kon – was dat daar bij wet toegestaan?

De ene riep “ja!” en de andere weer “neen!”
Hij hoorde stemmen en nog andere stemmen door elkander.
Die riepen, die spraken, die mompelden,…
Hij hoorde lachen en schelden en nog veel meer, en ook woorden waarvan de nar niet wist wat ze zouden kunnen betekenen.

De mensen bemerkten hem en verwonderden zich over zijn uiterlijk en vroegen de vreemdeling waar hij vandaan kwam.
Ze verbaasden zich erover dat hij op iedere vraag steeds met “ja” antwoordde ook wanneer dat niet gemeend kon zijn – of zelfs ongepast was.

De nar wees naar de burcht en vertelde dat hij van de koning kwam.

Het volk kende die hoeve wel – die daar achter de heuvel lag maar dat het een burcht was, dat wisten ze niet, en dat die oude man met die daar met zijn vrouw en knechten woonden een koning was, daar hadden ze nog nooit van gehoord!
Zij wisten wel dat daar een vriendelijke man leefde die last had met iets aan zijn hoofd en een vrouw die goedaardig en een tikkeltje bedeesd was en steeds vriendelijk “ja” knikte, maar zij bevroedden niet dat deze een koning en een koningin waren.

Niemand in het dorp had er zich ooit rekenschap van gegeven van wat er in dat pachthof omging, en dat daar hofregels waren.

De nar keerde terug naar zijn vertrouwde burcht waar hij kon zwijgen, of steeds kon weten wat het antwoord was.
Waar men zijn koning als koning eerde wiens wil zijn wet was.

Hierbuiten – in deze verwarrende vreemde wereld lagen de regels anders.
Hier was zijn plaats niet – in deze buitenwereld werd hij niet begrepen en aangestaard.

Terug in de burcht stond de koning hem op te wachten, want hij had gevoeld dat de nar hem verraden had en ontsnapt was.

Hij stond hem aan de poort met de nog slapende wachters op te wachten.

De koning grijnsde en zei:
“Zie je nu wel dat je zonder mij niet verder kan!
Zie je nu wel dat heel je bestaan van de burcht afhangt en dat je beter hier zou blijven, en nooit meer weg zou gaan.”

De nar kromp ineen toen hij dit hoorde.
Ja! zei de koningin die nu ook tevoorschijn was gekomen – “zo is het, buiten de burcht ben je helemaal niets.
Zonder ons ben je niemand!”
“Neen!” Lachte het prinsje en het koningspaar lachte met hem mee.

De nar sloopt zwijgend weer naar binnen.
Achter hem viel kasteelpoort dicht met een knal die door de gangen galmde.”