32 b – Het Vuur

Licht Vuur

Door Iris Nachtelgaal

Sammy hield van vuur maken.
Krantenpapier of hout in brand steken.

Vlammen zijn wonderlijk dansende geesten.

Hij zorgde er wel voor dat hij steeds een emmer water bij de hand had. Maar grootmoeder was erop uitgekomen dat hij een brandje had aangemaakt in het hok. Niet omdat ze brand had geroken maar omdat de jongens zich in het kot hadden teruggetrokken en stil waren.
Te laat hadden ze haar zien afkomen. Met rasse schreden naderde ze en zweeg, wat uitzonderlijk was.
Ze keek grim. Zoals een non op een devote manier grim kijkt.
Zo waren ontdekt!
En ‘s avonds ging zij dat zeker aan Ma en Pa vertellen.
Om de slagen en gekijf af te wenden dacht Sammy dat het beter was om het zelf te berde te brengen voordat oma het zou aanbrengen.

Hij kon haar de pas afsnijden.

Moeder zei dat hij een pyromaan was, en dat hij zich zou moeten schamen.
Maar zan het aanmaken van een kampvuur werd niet gedacht.

Sammy zal zich nooit een aanmoedigend woord van zijn ouders kunnen herinneren. Niet één enkele goedkeuring.
Maar hij stond daar nooit bij stil.
Hij aanvaarde dat onvoorwaardelijk.
Omdat hij zich niet kon voorstellen dat het anders kon.
Hij nam het beeld de ouders van hem hadden over als getrouw.
En had enkel de kritiek voor zichzelf die de ouders op hem gaven.

Hij diende voor de wereld te verbergen hoe slecht en mislukt hij wel was.

Niemand mocht te weten komen welk ongebroed zijn vader had.

Wanneer zij samen met vader aan tafel zitten, zijn ze met zijn jongere broertje in de weer en soms met elkaar.
Hem kijken ze nooit aan.
Vader zit soms schuin aan tafel.
Hij leunt daarbij op de elleboog terwijl hij met de romp gedraaid in zijn bord plukt.
Kijkt ook niet meer naar moeder.
Met de rug naar Sammy.

Wanneer de soep wordt opgediend snort hij – Die soep is zuur! Ik wil ze niet!- Hij zet zijn bord neer op de vloer.
De hond komt er aan ruiken en keert zich af.
-zie de hond wil het ook niet!
-moeder ontsteekt in woede.
Haar geschreeuw zal uren duren.
En bij de buren duidelijk te horen zijn.
Wat roept zij?
Niemand zal het zich ooit herinneren.

Advertenties

50 – Het Harnas

Sammy

Door Iris Nachtegaal

Hoe hij wegschoof en verder wegschoof om plaats te maken voor die verdrukkende vader die alle ruimte innam. Zoals een jongere boom krom groeit onder een oudere die hem licht en ruimte ontneemt.
Vader die het centrum van het huishouden en het universum scheen te zijn.
Alles draaide rond hem, en wat dat niet deed werd listig ontmoedigd.

Sammy had geleerd om zich te redden door zich af te zonderen.
Door eenzaamheid op te zoeken, door zich in zijn kamer terug te trekken.
Wanneer hij alleen was kon hij standhouden. Door het breken met de anderen, kon hij voor zichzelf zorgen. – Kwam hij tot leven in zijn eigen verhalen.
En dat bleef zo.
In hem was zijn eigen ruimte.
Zijn eigen ritme.
Zijn eigen verhaal waarin anderen hun rol toebedeeld kregen.
Soms werden zij figuranten, of personages, stemmen, dialogen.
Telkens in moeilijke perioden zal dit zijn uitweg zijn.
Zich terug trekken.

Daaruit vloeide voort dat ook hij, tegenover de anderen, een rol ging spelen. Eens hij het stilzwijgen had doorbroken restte hem deze aangemeten rol.
Zoals hij ook de anderen tot personage in zijn voorstellingswereld had gemaakt.
Zo speelde hij nu zelf zijn rol ten overstaan van de anderen.
Zijn wereld was een schouwtoneel.
Soms kwam hij hovaardig over. Breedsprakig, betweterig soms.
Zoals ook zijn vader die rol tegenover de huisgenoten speelde.
Hij had nooit geleerd om tussen de mensen te zijn.
Om met anderen te delen.
Hij voelde zich steeds een vreemde, een buitenstaander.
Met wie niemand iets deelt, die zelf nooit geleerd heeft om te delen met anderen.

Zich in zichzelf keren, zich ultiem terugtrekken.
Voor allen zijn kiezen. Zijn eigen hulpverlener worden.
Zijn kostbaarste bezit werd dat kamertje voor hem alleen.
Dat ontstolen moment waarin hij zich kon afsluiten.
Dat schild waarmee hij af en toe naar de anderen kon.
Dat harnas dat hem beschermde.
Hij werd toeschouwer – geen mededinger of medewerker, of mede…

En soms keerde dat om – hij stapte in een rol om naar de anderen toe te kunnen gaan.

De buitenwereld – een theater – een arena.

Het werd onmogelijk om zich te verdedigen vanuit deze toestand.
Omdat hij zo zijn eigenlijke positie onmogelijk bepalen.
Hij kon nooit van uit zijn eigen kern de kracht van emoties voelen.
Hij kon die ook niet laten blijken door afhankelijk te zijn van het omhulsel dat hij om zichzelf gesponnen had. Of toch zo beeldde hij zich dat in.
Hij wist niet wie hij was en waartegen hij zich diende te verweren.
De anderen zagen dat echter wel. De jongeren om hen heen werden trouwens meer en meer meester in dat sociaal spel, groeiden erin.
Die andere hadden geleerd om door komedie te verhullen of te bespelen.
Maar zijn schild zijn enige toevluchtsoord

Daardoor leerde kon hij zichzelf nooit goed leren kennen.
Hij zweeg zodat noch hij noch de anderen precies wisten waarvoor hij stond.

Op sommige momenten kon dat omslaan.
Hij kon plots agressief worden.
Gestuwd door een onbedwingbare macht.

(Dat zou allemaal duidelijker worden tijdens een verblijf in een vakantie kolonie aan de kust; een briefwisseling werpt hier veelt op – maar dit vertel ik jullie later)

– Liefde –

Hij werd verliefd van op een afstand.
En zelfs wanneer het tot omgang kwam bleef hij zich afsluiten.
Tot op het seksueel moment.
De andere was steeds een brug die hij diende te overschrijden. Nooit een gezellig gebeuren.
Hij had vooral slechte vrienden, die van hem gebruik wisten te maken. Of die hem verwijten maakten in dezelfde woorden als zijn ouders. Dat was de bekende wereld voor hem.

Een meisje trok hem bijzonder aan, precies omdat ze hem verwierp, omdat ze hem “belachelijk” vond, zoals zijn moeder.
Zij gebruikte dezelfde woorden.
Zij zag op dezelfde manier als zijn moeder zijn bespottelijkheid. Zijn kleinheid, zijn “onnozelheid”, zijn lafheid…
Zo dat hi dacht dat zij hem werkelijk zag zoals hij was.

In zijn slechte vrienden hoorde hij de weerklank van de woorden van vader en en in zijn slechte vriendinnen de verwijten van moeder.
Anderen naderden hem tot oneindig.

Sammy keek en luisterde en bouwde zo zijn wereld op.
Met de objecten uit de buitenwereld die hem daar het meest geschikt toe leken. Een theater gericht naar een toeschouwer.
Deze omstandigheden die niet om dialoog vroegen.
Die dingen raakten hem waaraan hij kon meedoen als toeschouwer.
Waarin zijn veelheid van zielroersels hun plaats en vorm in konden vinden. Die exploreerden zijn steeds groeiende wereld. Litteratuur liet hem zien dat de mensen meer waren dan gevels zonder iets daarachter. Muziek werd zijn voorstellingswereld van passies, beelden vooral film de mogelijkheden in de werkelijkheid.
Alles andere wat zijn verbeelding niet tartte werd door Sam saai bevonden.
Elke stoffelijke directe omgang met de wereld. Elke handelswijze die zich daartoe beperkte. En iedere zakelijke voorstelling De wereld die kon worden opgeteld en afgetrokken interesseerde hem niet.
Alles wat niet probeerde het mysterie te doorgronden. Het begrijpen van wonderlijke dingen zoals de lichtbreking door een prisma in kleuren.

Maar liefde kan je niet alleen beleven.
Verliefd worden en seksualiteit.
Lichamelijke nabijheid.
Sammy kende geen vorm van aanraking.
Sinds jaren mocht niemand hem lijfelijk aanraken ook zijn ouders niet. Hij duwde hen weg wanneer ze hem wilden knuffelen. Hij vertrouwde hen niet meer. De ene keer waren zijn zacht, omdat ze iets van hem wilden gedaan krijgen. En daarna staken zij hem het mes in de rug. Ze waren onvoorspelbaar.
Ze hadden hem te veel pijn gedaan.
En hij raakte ook niemand aan. Hij keek en luisterde.
Keek door de anderen heen en luisterde door hen heen.
Begreep hen soms beter dan zijzelf zich begrepen.

Zijn blik werd ongenadig. Maar hij bracht geen woord uit.
Of soms heel scherp en raak. Zodat moeder kwaad op hem werd.
“Waarom bekijkt ge mij altijd zo?! Waarom kijkt ge mij zo naar mij !?” schreeuwde zij uit.
Ze kon zijn blik niet meer verdragen.
Zijn verwijtende borende blik. Die de indruk gaf alles gezien te hebben. En een mond die nooit sprak.

Maar Sammy mekte al spoedig dat allen zijn, en met rust gelaten te worden, een buitengewone luxe is. Dat gold zeker zo voor een kind. Kinderen worden niet alleen gelaten.
Kinderen moeten in groep blijven. Meespelen de anderen. Meestappen. In de rij lopen.
Deze schoolse situaties werden Sammy tot hel.
Het verplicht moeten meedoen – de verplichting om voortdurend te moeten omgaan met anderen werd een hel. Zijn hel dat waren de anderen. De klas en alles wat daarmee verband kon houden.
En het samenzijn met de ouders. Het samen aan tafel zitten. Samen met mama en papa en met zijn broertje. Dat dagelijks rond de tafel waar blikken zelden zijn richting uitgingen.
Waar was de uitweg? – dacht hij.

35 – De Overkant

De Overkant

Door Iris Nachtegaal

Sammy kijkt uit het raam van de bovenverdieping.
Dit is de laatste ochtend van de zomervakantie.
Het stationsplein broeit zijn dagelijkse drukte.
Grote drommen stappen door de straat naar de fabrieken.
De tijd passeert.
Voertuigen rijden af en aan.
Alles beweegt.
Behalve de groene verweerde gevel van het oude hotelcafé aan de overkant.
Sammy zou willen dat alles bleef zoals nu.
Dat alles stil zou blijven staan.
Dat de tijd even zou ophouden.
Als op een foto. Dat het Nu zou blijven zijn zonder immer te veranderen.
Dat alles zich gewoon zou blijven herhalen.
Dat er geen nieuwe dingen meer zouden gebeuren.
Dat vandaag alles zou zijn, zoals morgen en over morgen.
Zoals de stilstand van deze groene verweerde gevel temidden van het geraas.

De tijd verloopt te snel.
Alles verandert veel te vlug.
De tijd snelt voort naar een wending die hij niet meer vertrouwt.
Wat er zal gaan gebeuren beangstigt hem.
Die veranderingen in zijn lichaam.
Die volwassene die hij zou worden en moest worden.

Met volle geweld dient zich de toekomst aan.
Alle wensen en onzekerheden.
De harde eisen van de wereld.

Waarom kan het niet blijven zoals het nu is?
Al die veranderingen, de middelbare school.
Het volwassen worden, eerst puber, dan man worden,
Baard krijgen, groot worden.
veranderen vreemd worden.
Angst overvalt hem.

En spijt om alles wat daar nu is – daar nu voor hem – in de gewone grijze verveling – ook dat zou verdwijnen.
Nu de dingen hun plaats en regelmaat hebben gevonden.

Kijk naar de ouderen, die trager stappen alsof de wereld hen toebehoort, en met de jongeren omgaan alsof die slechts tijdelijke gasten zouden zijn.
Zij hebben gezworen bij het verleden.
Bij de twee wereldoorlogen en de bezettingen, en de honger die ze hebben geleden.
Hun eigen jeugd die ze nooit gekend hadden.
Wat een brood of een sigaret kon betekenen zouden deze jongeren nooit kunnen begrijpen.

Honger lijden en onzekerheid.
Een vliegende bom boven het huis horen en luisteren of de motor afslaat – de stilte voor inslag. En wanneer komt de volgende?

Sammy kijkt naar de verweerde gevel met de groenige afbladderende restjes verf aan de overkant.
De tijd heeft zich getekend, de natuur heeft teruggenomen van wat van haar was ontnomen.
Het stationsplein met de bekende gezichten van onbekenden.
De man met de fiets, de Taunus 12 m die iedere dag om hetzelfde uur langs rijdt, nu volgt een Simca, dan de knorrende NSU en een reutelende Volkswagen.
Tijdloos dragen de glimmende stenen van deze straten iedere onafwendbare beweging.

34 – De Stap

De Stap

Door Iris Nachtegaal

Sammy had een beste vriend, dat was Pieter.
Zijn vriend geleek op hem een beetje.
Samen brouwden ze fantastische verhalen, en lachten om dezelfde dingen.
Ze wilden met zo’n zwart-witte auto’s rijden als de Highway Patrole, met loeiende sirenes en walky-talkies hebben, waarmee ze altijd met elkaar in verbinding zouden kunnen staan.
Ze kenden elkaar sinds de kleuterjaren.
Waarover hadden zij het?
waarover spreken kleuters met elkaar?
De wereld was een avontuur.
Beiden keken een beetje neer op de andere klasgenootjes die ze voor dom hielden. In het eerste studiejaar behoorden ze beiden ook tot de besten van de klas.

Sammy werd trouwens erg geboeid door alles wat er te leren was – eindelijk kon hij leren lezen en begrijpen wat die tekens waren op de keukenklok.

Maar in het tweede studiejaar ging het allemaal mis.

We gaan “Pieters pluimpjes plukken!” Riepen de kinderen.
Zo klonk het al enkele dagen.
Pieter was het mikpunt van spot en pesterijen geworden.
Dat gebeurde vooral tijdens de speeltijd.
De jongens gingen in een halve kring om hem staan en plaagden hem.
Pieter ging ruggelings kort bij de toiletten staan, zodat ze hem niet overhoed langs achter konden aanvallen.
Sammy stond naast hem maar zei geen woord.
Het was vooral Pieters grootsprakige en luidkeelse reactie die de jongens daartoe aanzette. Hij hield zich fier rechtop de armen gekruist en diende ze roepend van antwoord.

Die dag gebeurde het weer en nu ook stond Sammy naast hem keek meer en meer bevreesd want het ging er heftiger en heftiger aan toe.
Het dreigde tot een gevecht te komen.
Eigenlijk was het vooral spektakel maken voor de jongens – maar zo zag Sammy dat niet.
Hij werd angstiger naast zijn beste vriend die hij steeds meer aanmaande van zich gedeisd te houden, – dan zouden ze vanzelf wel weggaan – het is omdat je zo fel doet dat ze telkens terugkomen! —had hij gezegd.

De jongens vormden weer een have kring en het alles herbegon; maar nu heftiger dan anders, en op een zeker moment deed Sammy iets dat de rest van zijn leven zou bepalen – iets dat hij altijd heeft onthouden of verdrongen.
Hij deed iets zeer eenvoudig, maar iets dat hij zich zijn leven lang zal beklagen, dat invloed zal hebben op de rest van zijn bestaan, iets dat hij nooit of nimmer nog kon goedmaken;

Sammy zette een stap opzij.

De belangrijkst stap van heel zijn leven.
Hij zette een stap opzij, weg van Pieter.
Als teken dat hij zich hier niet meer met Pieter wilde associëren.
Hij wilde hetzelfde lot als zijn beste vriend niet ondergaan.
Hij had angst gekregen.
Angst voor slaag en pijn en vernedering.

Hij was de laffe verrader van zijn beste vriend geworden – zo had iedereen het nu gezien.

Was het de zoon van een ambtenaar tegenover de zoon van een zelfstandige?
Hadden ze elk andere thuisinstructie meegekregen?
Andere gedragscodes?
De zoon van de handelaar: leer je mannetje staan, want je staat er in het leven alleen voor!
De zoon van de ambtenaar: hou je gedeisd en er zal jou niets overkomen – maak dat je niet opvalt!

Vanaf deze stap zal zijn leven een andere weg opgaan.
Hier kan hij nooit meer op terugkomen.
Vanaf hier had hij besloten voor een schutkleur te kiezen.
Samen een nummer met de anderen te zijn in plaats van uit te schieten en tegenwind te trotseren.
En daarbij hoorde een diepe eenzaamheid.
Want met die anderen zou hij nooit meer kunnen aansluiten als bij Pieter.
Die zouden nooit zijn vriend kunnen worden. Hij werd een ander tussen de anderen.

Met Pieter maakte hij zich los van zijn beste vriend en van vele open wegen in zijn leven.
Hier besloot hij te worden zoals zijn ouders, onopvallend en teruggetrokken in de massa.

De bel ging.
De jongens sloten aan.
De rij stapte met de meester mee naar het klaslokaal.
Pas toen pas viel het Sammy te binnen wat de gevolgen waren van wat hij gedaan had.
Want zijn plaats in de klas was naast Pieter.
Dat was al zo vanaf de grote school, en ook wel daarvoor in de kindertuin zaten ze dikwijls te samen.

Pieter had geen woord meer tegen Sammy gesproken.
Hij keek strak voor zich uit, het hoofd rechtop en gunde Sammy geen blik.
Wanneer het moment gekomen was dat de jongens plaatsnamen achter hun bank.
Bleef Pieter rechtstaan en stak zijn vinger op.

– Ja, Wat is er Pieter? vroeg de leraar.
– Ik wil niet meer naast Vanderstraet zitten!
– Wel, wat nu? Hebben jullie ruzie gemaakt? De beste vrienden?
– Ik wil niet meer naast hem zitten!
– Wel goed dan zullen we jullie verplaatsen,
Vanderstraet ga naast Andriesen zitten en jij Pieter naast Van Hemelrijk.

Zo verhuisde Sammy naar de tweede van de middenste rij.
Andriessen en Vanderstraet konden het met elkaar niet vinden.
Ze maakten nooit ruzie maar ze hadden niets gemeen.
Anriessen had een bleke haast huidskleur. Ros krullend haar, bruine donkere ogen met een strakke uitdrukking. Hij lachte nooit. Zijn grote blanke tanden verschenen enkel wanneer hij ze in een vraagstuk van wiskunde zat, dat hij altijd moeilijk en belangrijk scheen te vinden. Bij het lezen volgde hij de lettertekens met een wijsvinger die naar buiten kon klikken. Omdat er iets met zijn gewrichten was. Hij was niet onvriendelijk maar lachte nooit naar Sammy.
De jongens spraken alleen met elkaar wanneer het over een opdracht ging.

Sammy had zijn beste vriend verloren en zou er nooit nog één hebben. Hij zou nooit van Pieter leren hoe van zich af te bijten. Hoe indruk te maken door komedie te spelen en luider te roepen dan zijn tegenstander. Hij zou inderdaad nooit leren zijn rug recht te houden want vanaf dan zat Sammy steeds meer gebogen en in zijn handjes te wriemelen.
Kon hij van zichzelf aannemen dat hij een laf was?
Dat hij zou wijken wanneer het moeilijk werd met anderen. Wanneer er slagen dreigden. Slagen zoals hij er van zijn vader veel kreeg. En die hij zonder verweer diende te ondergaan – want indien hij zich zou durven verzetten tegen zijn vader, indien hij zou durven terugslaan dan ging vader hem doodslaan! – zo had hij ooit gezegd.
Of zoals zijn moeder zei – Je ziet er uit zag als iemand die zijn toer afwacht maar dat er nooit iets zou gebeuren. Als ge schrik hebt zijt ge weg.

Vanaf dan werd naar school gaan moeilijk voor Sammy.
Hij voelde zich alleen, bedreigd en angstig.
De klas werd kil en grijze ruimte waar hij zijn tijd diende uit te zitten.
Het lachen was verdwenen.

Sommige jongens gingen tijdens de speeltijd met de rug tegen de muur staan terwijl anderen liepen riepen en vechten.
Soms was nu Sammy één van hen.
Hij werd nooit één van de andere.
Het galmende speelplein werd een slagveld.
Een pijnlijke open plek.
Een harde plaats waar stenen scherpe kreten weerkaatsen.

De stap zijwaarts had zich afgespeeld op die grijze stenen, de groene saloon-deurtjes van de toiletten op een zonnige, koude lentedag

Later zou Sammy zou zich nooit meer kunnen associëren met iemand.
Er zou altijd iets blijven tussen hem en de anderen.

Een afstand die hij nooit zal kunnen overbruggen.

 

Dit veranderde Sammy’s leven voor altijd, al besefte hij dat maar vele jaren later.
Hij verdrong alles van dit gebeuren.
Hij had een andere weg ingeslagen.
Daar was een jongen waarmee hij zich verstond, die fantasie had zoals hij, die niet verstofte in zakelijkheid en ijver. Maar die ondernemende Pieter kwam uit een andere cultuur – een zoon van zelfstandige die diende te leren strijden voor zijn bestaan en Sammy was de zoon van een beambte die diende te kunnen plooien om te overleven.

Nooit zal hij nog zo’n vriend hebben.
Hij zal steeds wantrouwig blijven tegenover anderen en zich meer en meer afsluiten.
Soms kiezend voor grijs en ongeïnspireerd gezelschap in plaats van de mensen waar hij echt bij thuishoorde.

het truukje van de weerbare retoriek zou hij nooit van Pieter leren.
Want je diende goed te weten hoe dat moest – wat je in zo’n situatie diende te zeggen en te roepen en wat niet mocht, en hoe je lichamelijke houding, je lichaamstaal daarbij diende te zijn.

 

33 – De Ratten

De Ratten

Door Iris Nachtegaal

 

De kelder bij de grootouders was afgesloten met een zware houten deur.
Daarachter kon geen licht worden gemaakt.
Het gebeurde wel eens dat Sammy als straf in die kelder werd opgesloten.
Maar hij schreeuwde dan zo hard dat Bompa hem er spoedig uit liet.

Sammy had graag een huisdier gehad.
Een grote hond die hem zou kunnen beschermen.
Maar nu ontdekte Sammy in het duister van de kelder kleine blinkende oogjes.
Toen er door de deurspleet wat meer licht naar binnen viel, kon hij zien van wat ze waren: Grote grijze ratten.
Een huisdier zo maar in huis krijgen, zonder dat je het diende te vragen, het zomaar te krijgen, zonder dat iemand het hoefde aan te kopen!
Diertjes die zomaar vanzelf in huis komen!
Sammy vond de ratten heerlijk!

Wat zou er met deze nieuwe bewoners gaan gebeuren?
Sammy probeerde ze stilletjes te naderen, en wat broodkruimels toe te gooien.
Hij hield zijn ontdekking liefst geheim en sloop regelmatig stil naar de kelder, om het gedrag van zijn harige vriendjes met hun zwarte glimmende oogjes te volgen.
Hun pootjes leken wel kleine handjes. En hun snuit beefde alsof ze voortdurend aan ’t prevelen waren.

Maar toen grootvader ook de nieuwe gasten ontdekte ontstak hij in woede.
Hij greep terstond naar de kolenschop die aan kelderdeur stond en sloeg op de beesten in met de scherpe kant ervan.
Ze werden rillend op de spade naar de tuin gedragen waar ze beefden in hun doodsstrijd.
Hun ingewanden kwabbelden uit hun bondjasjes.
Eén na één droeg een woedende grootvader met de schop ze naar buiten – de ene al meer dood dan de andere.

Sammy keek toe en ging na of ze nog leefden.
Dan kregen ze een genadeslag van grootva.
Daarna werden ze in de grond gestopt met elk een zware steen op hun grafje.
Opdat ze er niet meer zouden kunnen uitkomen.
Zoals mensen

32 – De Grote Vakantie

De grote vakantie

Door Iris Nachtegaal

Het was vakantie.
Sammy en Ruddy lagen nog in hun bedje.
Ze hoorden beide ouders zich klaarmaken om te vertrekken naar het werk.

Ze waren gewend aan het schelden en schreeuwen dat daarmee gepaard ging.
De voordeur sloeg dicht met een harde klap en er viel dan een stilte in het huis.
Een stilte die even later verbroken werd door het geratel van een zware sleutel in het sleutelgat.
Oma’s zwarte schoenen met dikke hakken galmden door de gang.
Deuren kriepten.  Geluiden stegen uit de keuken.
Het ontbijt  voor de broertjes werd klaargezet.
Ze riep van bedeneden af – Opstaan!
Maar daar werd niet direct een gevolg aan gegeven , de zware zwarte schoenen bonkten met tussenpausen op de houden trap.
Grootmoeder inspecteerde het huis van haar dochter.
Waarover ze haar bevindingen gaf.
Het was alsof ze zichzelf toesprak. Stil maar hoorbaar genoeg voor de kinderen.
-“Maar ziet dat hier liggen!, Al die rommel in huis! -en vuil! ik moet dat kind pardonneren! Dat kind wordt zot! Maar toch! Ziet dat hier nu een keer liggen!”
De broertjes klommen uit bed en kregen ontbijt met Ovomaltine en brood besmeerd met Kwatta. En soms een zacht gekookt eitje waar ze reepjes brood insopten.
Oma zweeg geen moment.
Niemand kan zich nog herinneren wat zo allemaal zei.

Dan ratelde de trapauto met Sammy en Ruddy naar het huis van de grootouders.
Opa was nog niet daar. Die deed zijn ochtendwandeling, met zijn krant in zijn jaszak.
Het middageten had tijd nodig en terwijl renden de jongens door de tuin.
De witgekalkte muren van de stadstuin met de perenbomen, het kot, de plisplanten, de ortensia, de schildpad en de hommels en de wespen die rond het kerstenkruid zwermden.

Vliegende dieren.
Vrije dieren.
Vogels en vliegende insecten.

Sammy wilde ze vangen. Vooral de hommels en de wespen.
Daarvoor gebruikte hij de lege sigarenkisten van grootvader.
Hij sloop behoedzaam naar een wesp op het kerstenkruid. Opende de doos rond het lila-achtige bloempje – en klapte ze dicht.
Daarna luisterde hij gespannen naar het zoemen in de doos.
Maar de doos sloot niet goed genoeg doordat er een stukje stengel tussen was geraakt.
De wesp was naar buiten gekropen en stak Sammy in de handpalm. Schreeuwend liep hij naar grootmoeder, die olie aan het rood opzwellende handje deed.

Metalen sigarenkistjes dienden  hier hun doel het beste. Metalen dozen sneden de stengels af en sloten beter, dan houten.
Sammy en Ruddy dachten ook een bijenkorf te kunnen opzetten met de gevangen insecten.
Maar het waren nooit echt bijen.

Hommels staken minder agressief dan wespen en waren dus gemakkelijker te pakken maar minder leuk. Kleine ter plaatse vliegende wespjes  -helikoptertjes- genoemd staken nooit en waren het minst verdienstelijk om te vangen.

 

 

31 – De Pot

Op de Pot

Door Iris nachtegaal

In zijn buik huist er een klein gebocheld mannetje dat moeizaam zwoegend aan een zwengel draait waardoor een dik touw door Sammy’s aars naar buiten wordt gedreven.

Op de wc-pot gezeten houdt Sammy zijn ogen kort bij het verticaal geslepen raam waarachter het plastic gordijntje met de rode-witte patronen hangt.

Plots slaat zijn blik over naar oneindig en kijkt hij naar een monumentale rode muur waar witte massieve sferen die tot ver in de diepte reiken.

“Sans Pareil” staat op de jachtbak.

30 – De Strip

 

 

-Allee, Nokel Fons judast dat wolfbeest nog eens dan kunnen de kadeekes nog eens lachen!
Die onnozele nonkel Fons kotert met zijn wandelstok tussen de tralies en slaat toevallig de sluitpin van het wolvenkot los.

-Hee wacht eens Siske! Waarom gaan die mensen plots lopen?

De wolf wie dat gejudas al lang zijn wolvenbotten uithangt springt belust op wraakt uit zijn hok.

-Rap in de boom Siske! Die wolf is uitgebroken!

Halverwege struikelt Siske over haar eigen voeten en…

-Lopen Limbak met Siske in een boom!

-Vooruit Eusebie, gij ook de boom in! ‘t Ziet er een woest bijtbeest uit!!

-Pfff! Als ge denkt dat ik mij voor zo’n schoothondje derangeer!

-Eusebie als ge het niet voor u zelf doet, doe het dan voor dat beest…’t zal zijn tanden op uw knoken verbrijzelen!

-Er zal hier juist niets te verbrijzelen vallen…Ik steek hem binnen twee minuten terug in zijn kot!

De wolf die van het knokenetende soort is stormt likkebaardend op Tante Eusebie.

-Houd u koest en werp mij liever uw allumeurke eens!

Limbak gehoorzaamt verbaasd en wanneer de razende wolf nog enkele passen van haar verwijderd is. Steekt tante Eusebie kalm haar papaplu in brand.

-’t zal wel rieken want de mot zit erin! Maar dat is zelfs nog beter!

Zoals alle wilde dieren bevreesd voor vuur vlucht de wolf ijlings in zijn hok.

– Oef! Water en bloed heb ik gezweet!
Eusebie waar hebt gij dat geleerd?

Een foto toont de kleine Sammy die schrijlings zit op de armleuning van de clubfauteuil onder een lampadaire terwijl papa hem dit voorleest.

Papa leest uit het rode boekje waar Sammy alleen nog maar de prentjes van kan begrijpen. De geheimzinnige lettertekens worden door papa met stemmetjes tot leven gebracht.

Telkens moest papa deze bladzijde lezen, tot Sammy’s groot jolijt.
Wanneer Sammy het verhaal reeds kende veroorzaakte het voorzien van de afloop ervan dubbel plezier.

 

29 – Vaderloze vaders

Gisteren avond had Iris ons uitgenodigd op spaghetti met een flesje wijn.

We bleven lang napraten – de kinderen waren reeds naar bed.
We zaten met ons drieën aan de ronde tafel in haar eetkamer, waar iedere wand van beneden tot boven is bedekt met boekenrekken en schilderijtjes.

Iris heeft geen internet noch computer- (Ik vraag me soms af of ze wel elektriciteit in huis heeft, want meestal branden er kaarsen- toch wel! – want er was muziek – krassende vinylplaten uit de jaren zestig en zeventig met fel gekleurde hoezen.)

Het was aangenaam – Maria-Letizia geraakte erg geïnteresseerd in haar uiteenzettingen. We hadden het onder andere over Sammy – Iris vertelde honderduit over wat ze gelezen en ontdekt had.
Ze heeft een theorie rond Sammy ontwikkeld.

Ik zal zo goed als mogelijk hier proberen haar standpunt weer te geven.

Volgens Iris moet je de teksten van Sammy tussen de regels lezen.

– Het is dat wat er niet staat waar deze eigenlijk om gaan.

Je dient ze te bekijken als een soort fotografisch negatief – beweert zij – In die zin, dat de eigenlijke inhoud telkens deze is die wordt verzwegen.
Iedere tekst staat eigenlijk voor wat anders, namelijk deze verzwegen context.
Dat wat is weggelaten.
Je moet zijn teksten dus “omkeren” om te beter kunnen begrijpen – zoeken naar de witte plekken – naar dat wat niet gezegd wordt.

Sammy deed dat niet opzettelijk – hij was gewoon zo – door de dingen te benadrukken, door er te willen over schrijven wou hij wel iets kwijt.
Wat hij eigenlijk kwijt wou, dat kon hij niet direct zeggen direct, maar zit aan de achterkant verborgen.

En dat precies, wil Iris ontrafelen – daarom herschrijft zij zijn teksten vanuit haar invalshoek.
Die benadering is intuïtief – Ik volgt wat ik hier sterk aanvoel– zegt ze.

volgens Iris kan het vraagstuk te ontrafeld worden door aan te vatten bij de ouders van Sammy.
– wie waren zij?
– wat was hun verleden?
– hoe gingen zij met hem om?

In de geromantiseerde vorm die ze van zijn teksten brengt, laat zij zich soms inspireren door litteratuur.
Er is heel wat geschreven hier in het Westen, over enkelingen – die door hun existentie dolen.
Ze heeft gisteren ook enkele schrijvers opgenoemd waarop zij zich inspireert, maar ik ben hun namen vergeten.

Maar laat mij beginnen met haar uiteenzetting:

Sammy’s ouders groeiden op tijdens de oorlogsjaren.
Volgens haar kan Sammy geen alleenstaand geval zijn, maar het teken van het opgroeien van een hele naoorlogse generatie.

Volgens haar zou dit vooral kenmerkend zijn geweest voor jongeren uit gezinnen van zelfstandigen en hun kinderen die deel uitmaken van de generatie die tijdens de oorlog is opgegroeid.

Hun vaders waren afwezig in die moeilijke tijden, of toonden zich onder de beringen die iedere oorlog en bezetting met zich meebrengen, als zwakke figuren. De last en de verantwoordelijkheid om de zorg voor het gezin kwam daardoor op de schouders van de jongeren terecht kwam.

Dit zou zich vooral hebben voorgedaan in Duitsland na de oorlog.
Een groot gedeelte van die generatie jongeren bestond uit kinderen van gesneuvelde vaders.
Vooral de oudste zonen uit die gezinnen werden getroffen door het ontbreken van een vaderfiguur.
Daardoor werden zij belast met de verantwoordelijkheid voor het gezin.

Iris noemt deze kinderen “geparentificeerd”.
Dat wil zeggen dat ze in plaats van de noodzakelijke zorg voor een kind te ontvangen – zelf met de verantwoordelijkheid voor de ouders werden beladen.
De rollen waren dus omgekeerd.
Ze werden te vroeg, en met te veel verantwoordelijkheid opgezadeld waardoor hun jeugd hun werd ontstolen.
Soms gaan ze later lijden aan psychosomatische aandoeningen zoals migraine of anorexie omdat hun lichaam daardoor de zorg symbolisch kan opeisen waaraan ze tekort hebben geleden.

Maar aan de andere kant verschaft deze verantwoordelijke positie de opkomende jonge mens een groot voordeel:
Hij krijgt macht over het gezin.
In plaats van een kind te zijn dat moet gehoorzamen, wordt het gezin van hem afhankelijk. Hij wordt degene die lakens uitdeelt.

Deze jongeren verwerven een machtspositie.
In Duitsland kon je dat kort na de oorlog goed zien in het straatbeeld: opgeschoten pubers die rookten, een pak aan hadden en zich gedroegen als kleine volwassenen. Die bazig deden en zich thuis konden ontpoppen tot kleine dictators.

Maar de probleem komen vooral daarna – die worden overgedragen op de volgende generatie – 
Wanneer de vaderloze vaders zelf kinderen zullen krijgen!

Deze vaderloze vaders kunnen hun eigen rol moeilijk inschatten. Overdrijven met gehoorzaamheid en discipline te eisen en ervaren hun zoon als bedreigend.

Met een dochter ligt dat nog wat anders.
Het probleem duikt dan vooral op wanneer de meisjes pubers worden.
Wanneer er jongens aan huis komen.
Deze vaders werpen zich op als concurrent voor de man van hun dochter. Meer dan gewone vaders dat wel eens zouden kunnen voelen.
Als opponent – omdat de vaderlijke positie van zorgverlener in gedrang komt en doordat deze vaders geleerd hebben dat dat hun eigenlijke rol binnen het gezin is.
De vaders hebben te kort gekomen aan zorg en affectiviteit en hebben hun plaats opgeëist door hun nuttigheidswaarde zou je kunnen zeggen.
De dochters voelen deze woordenloze spanning onbewust aan, en gaan zich tegen hun geslachtelijke groei verzetten.

Vaders die uit hun zorgende rol dreigen te vallen, vrezen met hun plaats in het gezin te verliezen.
De vader dreigt zijn identiteit te verliezen – of door de man van zijn dochter.
En dat maakt dat hij zich verzet tegen iedere stap van zijn zoon of dochter naar onafhankelijkheid.
Zulke vaders zijn in zekere zin autoritair zonder streng te zijn.
Zulke vaders willen afhankelijke gezinsleden – waarover ze zuchtend zullen zeggen: “waar zouden jullie staan wanneer wij er niet waren voor jou?”
– “Wat zouden jullie zijn zonder mij?”

Dochters kunnen gaan lijden aan anorexia nervosa, indien zij niet lesbisch geaard zijn- want het naar huis brengen van een meisje in plaats van een jongen kan evenzeer optreden als een vorm van gehoorzaamheid aan het vaderlijk verbod. Ze worden nooit echt zeker van hun sexuele voorkeur. En kunnen het geluk niet vinden die andere meisjes in lesbische relaties wel aantreffen.

Sammy moet de zoon van zo’n vader geweest zijn – hij gehoorzaamt in ieder doen aan het vaderlijk verbod om NIET te zijn. Om te zwijgen, niet deel te nemen, afhankelijk te blijven.

Hij wil niet zijn, niet spreken, zijn aanwezigheid niet tonen. Letterlijk soms af-wezig zijn, “zich uitwissen”, als het ware,  om de vader in zijn centrale glorificerende rol te blijven eren.
In zijn zwijgen toont hij zijn trouw aan de familie.

Er is bij zo’n vader eigenlijk geen plaats voor een oudste zoon – omdat zij vanaf de geboorte zullen vrezen dat deze zoon hun plaats zal willen innemen. Op dezelfde manier als zijzelf hebben gedaan tegenover hun (afwezige) vader.

Ze beleven het Oedipus verhaal in omgekeerde zin – in plaats dat de zoon die de vader ervaart als weerstand en voorbeeld, is het de vader die in zijn zoon een obstakel ziet.

Het wordt nog veel ingewikkelder doordat alle normale fazen van het groeiproces hier zich anders zullen voordoen dan in een normaal gezin-

Alles wordt problematisch – iedere stap om groter te worden wordt tot een probleem gemaakt.
Alles wordt geproblematiseerd – steeds meer krijgt de zoon eigenaardige trekken, vertoont onaangepast gedrag, reageert overgevoelig, is lui op school, nukkig, onstabiel,… 
Parentificatie kan zich in vele vormen uiten.
Maar de vader verschijnt voor de openbaarheid als voorbeeld van zorg en verantwoordelijkheid, als goede bezorgde huisvader –
Over de zoon zegt de omgeving:

– “Wat zou hij geworden zijn zonder zijn vader!”

– “Hij heeft alles aan zijn ouders te danken!”

– “Waar had hij zonder zijn ouders gestaan?”

Tot zover de nota’s van onze avond bij Iris.

Mijn vrouw en ik bleven lang stil toen we naar huis terugkeerden.
Het was een heldere nacht – de hemel was bezaaid met ontelbare sterren.

 

28 – De Turnles

De turnles

Ik ben wat geschrokken toen ik deze tekst van Iris vond!
Hoe zij Sammy in de turnzaal beschrijft.

Sport en wiskunde zijn zowat de dingen die mijn aandacht nooit doen verslappen. Enkele uurtjes de benen strekken, “afzien”, je grenzen wat verder proberen te verleggen en dan lekker onder de douche – om daarna van één van de weldaden van dit land te kunnen genieten: Een héérlijk pakje friet met mayonaise en een fijn, koel, helder pintje bier erbij! – zalig!

Maar aan de hand van Sammy’s aantekeningen heeft Iris een heel ander beeld van turnen en sporten geschetst. Een zienswijze die blijkbaar een kenmerkend portret van Sammy toont.
Zijn ervaringen dateren ook nog uit een tijd toen dat hier “lichamelijke opvoeding” heette.
Lichaamsoefening voor jongens die een haast militair karakter vertoonden.

Hier volgt het:

 

 

Turnen

Door Iris Nachtegaal

De schoollokalen galmden.
Glanzende stenen in ondefinieerbare kleuren.
Gladde naakte groenblauwe muren.

In het schoolgebouw werd iedere kleur een zonde.
Een ongewenst teken van frivoliteit en lichtzinnigheid.
Blijheid diende verbannen te blijven tot buiten deze ruimten.
De gangen van de schoolgebouwen waren met een ondefinieerbare grijsachtig coloriet bekleed dat, dan aan groen, en dan weer eerder aan blauw deed denken.
Met overal gespikkelde tegels die iedere fantasie de kop indrukten.
Aan de wanden waren vergrijsde reproducties van oude kunstwerken uit kerken en musea te zien.

De turnzaal had nog meer leegte dan de andere lokalen en galmde dan ook nog harder.
De klaslokalen roken muf naar oud papier en stofferige rommel.
De turnzaal stonk naar zweet in turnpantoffels.

Een smal horizontaal raam, net onder het plafond maakte dat er een kenmerkend grijs licht naar binnen kon schijnen.
Het kaatsen van de bal had er een zinderend galmen tot gevolg.
De bevelen bulderden door de turnzaal.
Onderwerping, pressie juk.

De jongens hingen naast elkaar aan de sportramen.
Sammy zag hun ribbenkasten op en neer gaan en hun gespannen gezichten in de moeite die ze hen kostten om hun greep niet te lossen.

Sammy herkende de hangende gemartelde lichamen uit de foto’s van concentratiekampen.

Bruutheid hardheid tucht en discipline.

Galmende overstaanbare kreten.
Het knallen van de lederen bal op de betonnen vloer.
Out! He! How!
Klap gestamp van turnpantoffels.

daveren
galmen
denderen, donderen, dreunen,
bulderen
brullen, denderen, donderen, fluiten, gieren, razen, rommelen, stormen,
tekeergaan, tieren
bulderen, daveren, uitvaren
dreunen
bulderen, daveren, denderen, donderen, knallen, kraken, rommelen, trillen
denderen, donderen, dreunen
buitelen, donderen, duikelen, duvelen, flikkeren, glippen, instorten, kieperen, kletteren, kwakken,
omvallen, onderuit gaan, ploffen, plonzen, rollen, smakken, storten, struikelen, tuimelen, uitglijden
smijten (ww) :
, gooien, kegelen, keilen, kieperen, kletsen, knallen, kogelen, kwakken, lazeren, mieteren, patsen, plenzen, slaan, slingeren, smakken, sodemieteren, werpen
gooien (ww) :
kegelen, keilen, kieperen, kwakken, lazeren, mieteren, mikken, slingeren, smakken, smijten, sodemieteren, storten, werpen

 

Sammy walgde van de turnlessen.
Hij gruwde met heel zijn wezen om de lichamelijke dwang en de bevelen te moeten ondergaan.
De verplichte bewegingen.
Allemaal gelijk!

De zinloosheid.
Het beestachtige in de mens dat onmiskenbaar bovenkomt.
de africhting.
De haat in de ogen van de tegenstander.
De onmogelijkheid tot het maken van één vrije beweging, tot één gedachtengang.

Verstarring van de fysieke dwang.

Turnlessen waren onderricht in onderwerping, vernedering en gehoorzaamheid.

Het gedwongen inpassen.

 

Het begon reeds bij de dwang van het uitkleden in dat muffig hok.
De weë geuren.
Het lokaaltje met dat ééne kleine raam en die dikke muren met een deurloze opening dat als een hol toegang gaf tot de turnzaal,  en waar het altijd lijfelijk stonk.
Vale blauwgeelgroene linolium vloer.
Het grote klimrek dat beangstigend tot tegen het hoge plafond reikte.

 

de toegeblafte bevelen.
de onmogelijkheid tot keuze.
dat alles boezemde Sammy angst in

Die botte trekken van de turnleraar, een hersenloze centurion.
die graag seksuele zinspelingen maakte.
De niet aflatende druk om onder dwang handelingen te moeten uitvoeren.
De bevelen op te volgen. Bevelen steeds bevelen, steeds heersen.

De botte zelfingenomenheid en afgestomping die iedere turnleraar kenmerkte.

 

Het was Sammy nooit om mogelijk zijn aandacht bij turnoefeningen te houden.
Hooguit sloeg hij er in zich tien minuten op sport te concentreren.
Daarna gleden zijn gedachten noodwendig af.

In turnlessen kon hij enkel zinloosheid en beestachtigheid zien.

Zo worden honden afgericht.

Het scherp kirrend gefluit weerkaatste door de zaal en de bal botste en sloeg, belachelijk nutteloos, zinloos, beestachtig.

Maar nu komt de bal op Sammy af, en hij weet niet wat hij moet doen…

Het ergerde hem dat de klasgenoten wiens blikken anders zo mat voor zich uit staarden nu plots ernstig en scherp konden kijken.
Zij werden nu gemakkelijk kwaad door een wanstaltig belang te hechten aan wat er met een bal gebeurde.

Sammy wou liever niet meedoen.
Weg van die dwang – weg van deze anderen. Die nu, op ieder moment hun volle aandacht konden geven aan het meest ledige voorwerp ter wereld: een bal, en de meest zinloze handelingen die ermee gepaard gingen, die het meest botte in de mens naar boven brachten.

Ieder dierlijk gedrag is edeler dan de aanstellerij van sport.

Daardoor was het hem niet toegestaan om zijn denken richten,

Sport en turnen bannen verbeeldingskracht uit.

In de klas kon hij uren na elkaar wegdenken en dromen, terwijl de leraar een uur nodig had om iets uit te leggen dat gemakkelijk op tien minuten kon worden begrepen.

gedurende die tijd kon hij zich een wereld voorstellen, zich af te vragen hoe het daarbuiten was.

Maar de turnlessen dwongen hem gedurende twee uur al zijn aandacht verplicht en gedrild te richten naar dat dom wegspringend voorwerp.
Sammy haatte sport, haatte de turnleraar en haatte alle leerlingen die daar in konden meegaan.

Sport was voor hem de laagste mogelijke vorm van menselijk gedrag.
Het beest dat bovenkomt.
De gefrustreerde mens die rochelt, spuwt, brult, rood van kwaadheid aanloopt, die de andere schopt en slaat, duwt, het beestachtige stond op hun smoelen af te lezen.

Wanneer de bal dan toch op hem afkwam waren zijn gedachten zover verwijderd dat hij niet meer wist wat ermee aan te vangen.

naar welke kant moest de bal? In welk team speelde hij?
Was het doel gekeerd?
Er werd geroepen en gevloekt.

En de lamme sportleraar deed niets.
Voortdurend geplaatst te worden tegenover een tegenstrever.

De jongens schoven aan in rij voor de oefening aan de bok, die steeds iets wijzigde.
Sammy liep aan maar hij kon zich totaal niet meer voorstellen wat er van hem werd verwacht.
Hij liep en stopte zonder nog te weten wat te moeten doen.