33 x – Grijs en Geel

Sammy’s ouders waren ongewenste kinderen.
Allebei.
Sammy zijn uniek leven, zijn unieke ouders zijn unieke sectoren in een universum.

Zijn leven waarin alles hem voorkam als uit het leven van iemand anders.

Wie?

Om het even wie, maar toch anders.
Daaraan kon hij alles in zijn bestaan herkennen.
Hij had een vader en een moeder zoals andere kinderen.
Een huis waarin hij opgroeide.
Voor ieder kind is de geboorteplaats de gewoonste plaats van de wereld.

Voor de ene is dat een paleis voor de andere een concentratiekamp.
Sammy groeide op en werd zich bewust van wie hij was en wat hem omgaf.

De wereld kreeg vorm van uit een huis langs een spoorwegberm
nabij een kleine industriestad.

Geluk is alleen zijn
Sammy kende geluk enkel als alleen zijn.
Geluk kon voor het kind nooit met iemand te samen.
Iedereen verwekte onrust, geluid, geroep lawaai, verstoring.

De ouders schenen steeds met iets bezig te zijn dat zich binnen in hen bevond.
Zij keken recht voor hen uit.

Zelden in het gelaat van het jongetje die naast hen stond en waarvan ze toch het handje vasthielden

de wereld was heel groot
– maar hij was hier, gevangen
de wereld was avontuurlijk
– maar hij zat hier, vastgehouden
en dat hij ook een leven had zoals alle anderen
– maar die anderen hadden een leven.

Sammy bestond, slechts, kreeg niet het gevoel van te…

de wereld was bedreigend beangstigend en veel te groot.
Sammy ervoer zichzelf als een personage – een bewegend punt in het bestaan

de anderen waren machten die een wereld beheersten die de zijne niet was.
Hij, zat gevangen onder een grijze stolp van regels waarin hij ronddraaide, draaide als een vlieg.
Regels en angst – grijs en geel.
Regels voor het doen, die opgevolgd dienden te worden zonder om redenen te vragen.
Een wereld van verplichtingen.

De school was zo een regel.
Het werk van de ouders. Waar de treinen hen iedere koude ochtend naartoe voerden.
De grijze speelplaats tussen de regels van angst.
En daarboven de blauwe lucht met vrij vliegende tuigen en vogels.

In de blauwe hemel lacht de natuur.
Een open ruimte met mogelijkheden.
De aarde lag daaronder, grijs en winters
en wanneer het wolkendek zich sloot
Scheen de macht van de regels over alles te heersen.
Als om de mens nog meer te straffen met het gesloten bestaan
Alle uitzicht op hoop te ontnemen.

Aan de wereld diende je te voldoen.
Tijd tikte je zwijgende aanwezigheid weg.
Tijdsdruk om gehoorzaamheid.

Spelen was enkel mogelijk wanneer de aandacht van de anderen naar iets anders gericht was.
Wanneer de volwassenen met iets onbegrijpelijks bezig waren, dan pas werd het goed. dan kreeg het kind een moment van eenzame vrijheid terug.
dan kon zijn verhaal losbarsten.
Zijn eigen wereld los van alles.

Advertenties

33f – De Werelreizigster

Op weg naar huis lag het tabakswinkeltje van juffrouw  Mariette
Daar ging Oma sigaren kopen voor Opa.
Het donkere oude winkeltje, een trapje op, gerond glas bij de deurgang, een uitstalraam  met zware bijeengebonden overgordijnen en de kleine toog waar alle typen pijpen uitgestald waren, goud-omlijste kadertjes  een zilverling en keizer Nero, de geur van duizenden tabakssoorten , het achterkamertje met de afgesloten donkere overgordijnen  afgeschermd van de rest van de wereld waar soms de steeds zwart geklede oude moeder met grote donkere bril dreigend verscheen.

Sigarendozen sigarenbandjes lintjes knopen pijpen garen allerlei rookgerij uitgeaafelde oosterse tapijt

de stem van Mariette verstomt wanneer de moeder te voorschijn komt steeds gesteund op haar stok die tikt op de plankenvloer

De moeder donker strak schrikwekkend zwart en stom een geest.

De dochter de eeuwige winkeldochter, voor het leven gebonden, verbonden opgesloten.

Sammy voelde beklemming in dat huis – een macht sterker dan de dood, dan de angst voor deze oude heks.

Maar op een dag ging de oude moeder dood.

Mariette verkocht het tabakswinkeltje en trok de wijde wereld in.

Tot lang daarna ontvingen oma en opa regelmatig postkaartjes van Mariette,  die steeds van  uit verre landen verzonden waren.

33e – Het Kapblok

Er zijn:
Het kot met de planken en de houten planken kratten en bakken.

Er is:
De schildpad
en er zijn de kippen en de wespen
en de Duchéperen en de stadsperen aan de centrale boom.

Er zijn ook nog:
Het gras en de plisplanten, en

het kerstenkruid en

de ortensia, de plisplanten en

de meiklokjes en

boterbloempjes

 

Sammy tuurt naar de wolken.
Zij varen als karvelen over de daken naar hun onbekende bestemmingen.
Zij voeren de geesten van de overledenen en de dode dieren met zich mee.
Dat kon je goed zien wanneer je er maar lang naar bleef kijken!

Daar een poes, en

daar een hond en

daar een grootvader op zijn sterfbed.
Ook vogels doorkruisen voortdurend de hemel ongrijpbaar als vliegtuigen.
Een Dakota, dan een DC3, dan een flying boxcar nu en constellation.
Hoog in de vrije blauwe hemel

Ver boven alle pijn.

Ongenaakbaar voor wie hen kwaad wil.

Zonder grenzen zonder wetten.

Daar de bliksemafleider op de school.
En hier de begraafplaats van de ratten en de kippen.
Het groene gras met donkere schaduwen.
Machinegeweren in de tent verscholen.

de dode witte naakte man tegen de perenboom plots onzichtbaar.
De hand die uit de muur steekt.

Hou de wacht onder je zware helm
de Duitse stoel, de Amerikaanse pet.
Het Brits vlaggetje.

Tussen de witgekalkte muren en de boom.

Er was ook een hok in de hof.
Het hok in de hof had een onbekende oorsprong.
Men stelde er zich geen vragen over zoals

men deed over dingen waarvan men meende dat

zij er altijd geweest waren.

Opslagplaats voor oude rommel zoals een zolder.
Onderdelen van oude meubels.
Vloerplanken, een Amerikaanse helm en een gasmasker uit de laatste oorlog.
Een zetel zonder poten en een badkuip- ooit gekocht – nooit gebruikt.

Sammy en Ruddy kenden al deze dingen.
Het waren voor hen  onderdelen voor belangrijk speelgoed.

De Houten Bak (die met en die zonder bodem)

de Troon die zetel zetel met blauwe voering zonder poten.

De Brede Plank en

de Lange Plank en

de Smalle Plank,

de Balk

de Bakstenen en

de Tapijten, waaronder

de Grote Tapijt,

de Kleine grijze Tapijt.

Het Kapblok,

de Duitse stoel

de Duitsche schep

de Amerikaanse muts…

Het kot was groen geverfd, misschien was het ooit blauw.
Het bestond uit ronde balken hoog als een grote mens, die stevig in de grond waren geheid en die verbonden waren met kippendraad, en houten planken, als dak lag daarover een zinken plaat.
Het bad werd met planken dichtgemaakt zodat het een geheime gang werd met schuifdeuren.
Op de Grote Zware Bak (die je niet kon optillen) stond de

Troon zonder Poten met

vergulde leuning.
De troon van de koning.
Maar het was ook mogelijk om er een citroen DS van te maken een tank, of een tweedekker-

misschien wel een ruimtetuig.

32 b – Het Vuur

Licht Vuur

Door Iris Nachtelgaal

Sammy hield van vuur maken.
Krantenpapier of hout in brand steken.

Vlammen zijn wonderlijk dansende geesten.

Hij zorgde er wel voor dat hij steeds een emmer water bij de hand had. Maar grootmoeder was erop uitgekomen dat hij een brandje had aangemaakt in het hok. Niet omdat ze brand had geroken maar omdat de jongens zich in het kot hadden teruggetrokken en stil waren.
Te laat hadden ze haar zien afkomen. Met rasse schreden naderde ze en zweeg, wat uitzonderlijk was.
Ze keek grim. Zoals een non op een devote manier grim kijkt.
Zo waren ontdekt!
En ‘s avonds ging zij dat zeker aan Ma en Pa vertellen.
Om de slagen en gekijf af te wenden dacht Sammy dat het beter was om het zelf te berde te brengen voordat oma het zou aanbrengen.

Hij kon haar de pas afsnijden.

Moeder zei dat hij een pyromaan was, en dat hij zich zou moeten schamen.
Maar zan het aanmaken van een kampvuur werd niet gedacht.

Sammy zal zich nooit een aanmoedigend woord van zijn ouders kunnen herinneren. Niet één enkele goedkeuring.
Maar hij stond daar nooit bij stil.
Hij aanvaarde dat onvoorwaardelijk.
Omdat hij zich niet kon voorstellen dat het anders kon.
Hij nam het beeld de ouders van hem hadden over als getrouw.
En had enkel de kritiek voor zichzelf die de ouders op hem gaven.

Hij diende voor de wereld te verbergen hoe slecht en mislukt hij wel was.

Niemand mocht te weten komen welk ongebroed zijn vader had.

Wanneer zij samen met vader aan tafel zitten, zijn ze met zijn jongere broertje in de weer en soms met elkaar.
Hem kijken ze nooit aan.
Vader zit soms schuin aan tafel.
Hij leunt daarbij op de elleboog terwijl hij met de romp gedraaid in zijn bord plukt.
Kijkt ook niet meer naar moeder.
Met de rug naar Sammy.

Wanneer de soep wordt opgediend snort hij – Die soep is zuur! Ik wil ze niet!- Hij zet zijn bord neer op de vloer.
De hond komt er aan ruiken en keert zich af.
-zie de hond wil het ook niet!
-moeder ontsteekt in woede.
Haar geschreeuw zal uren duren.
En bij de buren duidelijk te horen zijn.
Wat roept zij?
Niemand zal het zich ooit herinneren.

50 – Het Harnas

Sammy

Door Iris Nachtegaal

Hoe hij wegschoof, en verder wegschoof om plaats te maken voor die verdrukkende vader die alle ruimte innam. Zoals een jongere boom krom groeit onder een oudere die hem licht en ruimte ontneemt.
Vader die het centrum van het huishouden en het universum scheen te zijn.
Alles draaide rond hem, en wat dat niet deed werd listig ontmoedigd.

Sammy had geleerd om zich te redden door zich af te zonderen.
Door eenzaamheid op te zoeken, door zich in zijn kamertje terug te trekken.
Wanneer hij alleen was, dan kon hij standhouden.

Door het breken met de anderen, kon hij voor zichzelf zorgen.

– Kwam hij tot leven in zijn eigen verhalen.

En dat bleef zo.
In hem was zijn eigen ruimte.
met zijn eigen ritme.
Zijn eigen verhaal waar aan anderen een rol werd toebedeeld.
Soms werden zij figuranten, of personages, stemmen, dialogen.
Telkens in moeilijke perioden zal dit zijn uitweg zijn.
Zich terug trekken.

Daaruit vloeide voort, dat ook hij, tegenover de anderen, een rol ging spelen.

Eens hij het stilzwijgen had verbroken restte hem deze aangemeten rol.
Zoals hij ook de anderen tot personage in zijn voorstellingswereld had gemaakt.
Zo speelde hij nu zelf zijn eigen rol ten overstaan van die anderen.
Zijn wereld was zijn schouwtoneel.

Soms kwam Sammy hovaardig over. Breedsprakig, zelfs betweterig.
Zoals ook zijn vader die rol tegenover de huisgenoten speelde.
Hij had nooit geleerd om mens tussen de mensen te zijn.
Om met anderen te delen.
Hij voelde zich steeds een vreemde, een buitenstaander.
Met wie niemand iets deelt.

En die zelf ook nooit geleerd heeft om te delen met anderen.

Zich in zichzelf keren – ultiem terugtrekken.
Voor alléén zijn kiezen.

Zijn eigen hulpverlener worden.
Zijn kostbaarste bezit werd dat kamertje.
Dat ontstolen moment waarin hij zich kon afsluiten.
Dat schild waaronder hij af en toe naar de anderen kon.
Dat harnas dat hem beschermde.
Hij werd toeschouwer – geen mededinger of medewerker, of mede…

En soms keerde dat even om – dan stapte hij zelf in een rol om naar de anderen toe te kunnen. Een andere mogelijkheid bestond er voor hem niet.

De buitenwereld – een theater – een arena.

Het werd onmogelijk om op te komen voor zichzelf, om zich te verdedigen vanuit deze toestand.
Omdat hij zijn eigenlijke positie onmogelijk kon bepalen.
Kon hij nooit de kracht zijn emoties voelen.
Hij kon die ook niet laten blijken doordat hij afhankelijk was van het omhulsel dat hij om zich heen gesponnen had. Van uit zijn eigen kern voelen en handelen was onmogelijk, omdat hij die niet kende.  Of toch – zo beeldde hij zich dat in.
Hij wist niet wie hij was en waartegen hij zich diende te verweren.
Maar de anderen die zagen dat echter wel.

De jongeren om hen heen werden trouwens meer en meer meester in dat sociaal spel, waarin ze opgroeiden.
Die hadden geleerd om komedie te spelen.

Ze hadden door doen en laten opgestoken hoe zich te verhullen. De anderen wisten wel wie ze waren en wat ze wilden.

Zij kenden zichzelf genoeg om te weten dat zij zich konden voordoen zoals zij niet waren om te bekomen wat zij wilden. Zij leerden zich precies op deze leeftijd  gedragen op de manier waarop dat hen het best uitkwam, het meest voordeel opleverde. Voor hen was verhullen bespelen, een manier om verdoken hun slag thuis te halen. Jongeren uit de betere burgerij waren daar voortreffelijk in.

De zonen van politici, en in het bijzonder deze die veel naar de kerk gingen muntten daarin uit!
Maar Sammy’s schild was zijn enige toevluchtsoord.

Geen bewust gekozen strategie die gegroeid was uit het sociaal spel maar een schuiloord uit noodzaak.

Daardoor leerde kon hij zichzelf nooit goed leren kennen.
Hij zweeg, zodat noch hij, noch de anderen, precies wisten wie hij was.

Maar op sommige momenten kon dat omslaan.
Dan kon hij plots agressief te keer gaan.
Gestuwd door een onbedwingbare macht…

(Dat zou allemaal duidelijker worden tijdens een verblijf in een vakantie kolonie aan de kust; een briefwisseling werpt hier veelt op – maar dit vertel ik jullie later)

– Liefde –

Hij werd verliefd van op een afstand.
En zelfs wanneer het tot omgang kwam bleef hij zich afsluiten.
Tot op het seksueel moment.
De andere was steeds een brug die hij diende te overschrijden. Nooit een gezellig gebeuren.
Hij had vooral slechte vrienden, die van hem gebruik wisten te maken. Of die hem verwijten maakten in dezelfde woorden als zijn ouders. Dat was de bekende wereld voor hem.

Een meisje trok hem bijzonder aan, precies omdat ze hem verwierp, omdat ze hem “belachelijk” vond, zoals zijn moeder.
Zij gebruikte dezelfde woorden.
Zij zag op dezelfde manier als zijn moeder zijn bespottelijkheid. Zijn kleinheid, zijn “onnozelheid”, zijn lafheid…
Zo dat hi dacht dat zij hem werkelijk zag zoals hij was.

In zijn slechte vrienden hoorde hij de weerklank van de woorden van vader en en in zijn slechte vriendinnen de verwijten van moeder.
Anderen naderden hem tot oneindig.

Sammy keek en luisterde en bouwde zo zijn wereld op.
Met de objecten uit de buitenwereld die hem daar het meest geschikt toe leken. Een theater gericht naar een toeschouwer.
Deze omstandigheden die niet om dialoog vroegen.
Die dingen raakten hem waaraan hij kon meedoen als toeschouwer.
Waarin zijn veelheid van zielroersels hun plaats en vorm in konden vinden. Die exploreerden zijn steeds groeiende wereld. Litteratuur liet hem zien dat de mensen meer waren dan gevels zonder iets daarachter. Muziek werd zijn voorstellingswereld van passies, beelden vooral film de mogelijkheden in de werkelijkheid.
Alles andere wat zijn verbeelding niet tartte werd door Sam saai bevonden.
Elke stoffelijke directe omgang met de wereld. Elke handelswijze die zich daartoe beperkte. En iedere zakelijke voorstelling De wereld die kon worden opgeteld en afgetrokken interesseerde hem niet.
Alles wat niet probeerde het mysterie te doorgronden. Het begrijpen van wonderlijke dingen zoals de lichtbreking door een prisma in kleuren.

Maar liefde kan je niet alleen beleven.
Verliefd worden en seksualiteit.
Lichamelijke nabijheid.
Sammy kende geen vorm van aanraking.
Sinds jaren mocht niemand hem lijfelijk aanraken ook zijn ouders niet. Hij duwde hen weg wanneer ze hem wilden knuffelen. Hij vertrouwde hen niet meer. De ene keer waren zijn zacht, omdat ze iets van hem wilden gedaan krijgen. En daarna staken zij hem het mes in de rug. Ze waren onvoorspelbaar.
Ze hadden hem te veel pijn gedaan.
En hij raakte ook niemand aan. Hij keek en luisterde.
Keek door de anderen heen en luisterde door hen heen.
Begreep hen soms beter dan zijzelf zich begrepen.

Zijn blik werd ongenadig. Maar hij bracht geen woord uit.
Of soms heel scherp en raak. Zodat moeder kwaad op hem werd.
“Waarom bekijkt ge mij altijd zo?! Waarom kijkt ge mij zo naar mij !?” schreeuwde zij uit.
Ze kon zijn blik niet meer verdragen.
Zijn verwijtende borende blik. Die de indruk gaf alles gezien te hebben. En een mond die nooit sprak.

Maar Sammy mekte al spoedig dat allen zijn, en met rust gelaten te worden, een buitengewone luxe is. Dat gold zeker zo voor een kind. Kinderen worden niet alleen gelaten.
Kinderen moeten in groep blijven. Meespelen de anderen. Meestappen. In de rij lopen.
Deze schoolse situaties werden Sammy tot hel.
Het verplicht moeten meedoen – de verplichting om voortdurend te moeten omgaan met anderen werd een hel. Zijn hel dat waren de anderen. De klas en alles wat daarmee verband kon houden.
En het samenzijn met de ouders. Het samen aan tafel zitten. Samen met mama en papa en met zijn broertje. Dat dagelijks rond de tafel waar blikken zelden zijn richting uitgingen.
Waar was de uitweg? – dacht hij.

35 – De Overkant

De Overkant

Door Iris Nachtegaal

Sammy kijkt uit het raam van de bovenverdieping.
Dit is de laatste ochtend van de zomervakantie.
Het stationsplein broeit zijn dagelijkse drukte.
Grote drommen stappen door de straat naar de fabrieken.
De tijd passeert.
Voertuigen rijden af en aan.
Alles beweegt.
Behalve de groene verweerde gevel van het oude hotelcafé aan de overkant.
Sammy zou willen dat alles bleef zoals nu.
Dat alles stil zou blijven staan.
Dat de tijd even zou ophouden.
Als op een foto. Dat het Nu zou blijven zijn zonder immer te veranderen.
Dat alles zich gewoon zou blijven herhalen.
Dat er geen nieuwe dingen meer zouden gebeuren.
Dat vandaag alles zou zijn, zoals morgen en over morgen.
Zoals de stilstand van deze groene verweerde gevel temidden van het geraas.

De tijd verloopt te snel.
Alles verandert veel te vlug.
De tijd snelt voort naar een wending die hij niet meer vertrouwt.
Wat er zal gaan gebeuren beangstigt hem.
Die veranderingen in zijn lichaam.
Die volwassene die hij zou worden en moest worden.

Met volle geweld dient zich de toekomst aan.
Alle wensen en onzekerheden.
De harde eisen van de wereld.

Waarom kan het niet blijven zoals het nu is?
Al die veranderingen, de middelbare school.
Het volwassen worden, eerst puber, dan man worden,
Baard krijgen, groot worden.
veranderen vreemd worden.
Angst overvalt hem.

En spijt om alles wat daar nu is – daar nu voor hem – in de gewone grijze verveling – ook dat zou verdwijnen.
Nu de dingen hun plaats en regelmaat hebben gevonden.

Kijk naar de ouderen, die trager stappen alsof de wereld hen toebehoort, en met de jongeren omgaan alsof die slechts tijdelijke gasten zouden zijn.
Zij hebben gezworen bij het verleden.
Bij de twee wereldoorlogen en de bezettingen, en de honger die ze hebben geleden.
Hun eigen jeugd die ze nooit gekend hadden.
Wat een brood of een sigaret kon betekenen zouden deze jongeren nooit kunnen begrijpen.

Honger lijden en onzekerheid.
Een vliegende bom boven het huis horen en luisteren of de motor afslaat – de stilte voor inslag. En wanneer komt de volgende?

Sammy kijkt naar de verweerde gevel met de groenige afbladderende restjes verf aan de overkant.
De tijd heeft zich getekend, de natuur heeft teruggenomen van wat van haar was ontnomen.
Het stationsplein met de bekende gezichten van onbekenden.
De man met de fiets, de Taunus 12 m die iedere dag om hetzelfde uur langs rijdt, nu volgt een Simca, dan de knorrende NSU en een reutelende Volkswagen.
Tijdloos dragen de glimmende stenen van deze straten iedere onafwendbare beweging.

34 – De Stap

De Stap

Door Iris Nachtegaal

Sammy had een beste vriend, dat was Pieter.
Zijn vriend geleek op hem een beetje.
Samen brouwden ze fantastische verhalen, en lachten om dezelfde dingen.
Ze wilden met zo’n zwart-witte auto’s rijden als de Highway Patrole, met loeiende sirenes en walky-talkies hebben, waarmee ze altijd met elkaar in verbinding zouden kunnen staan.
Ze kenden elkaar sinds de kleuterjaren.
Waarover hadden zij het?
waarover spreken kleuters met elkaar?
De wereld was een avontuur.
Beiden keken een beetje neer op de andere klasgenootjes die ze voor dom hielden. In het eerste studiejaar behoorden ze beiden ook tot de besten van de klas.

Sammy werd trouwens erg geboeid door alles wat er te leren was – eindelijk kon hij leren lezen en begrijpen wat die tekens waren op de keukenklok.

Maar in het tweede studiejaar ging het allemaal mis.

We gaan “Pieters pluimpjes plukken!” Riepen de kinderen.
Zo klonk het al enkele dagen.
Pieter was het mikpunt van spot en pesterijen geworden.
Dat gebeurde vooral tijdens de speeltijd.
De jongens gingen in een halve kring om hem staan en plaagden hem.
Pieter ging ruggelings kort bij de toiletten staan, zodat ze hem niet overhoed langs achter konden aanvallen.
Sammy stond naast hem maar zei geen woord.
Het was vooral Pieters grootsprakige en luidkeelse reactie die de jongens daartoe aanzette. Hij hield zich fier rechtop de armen gekruist en diende ze roepend van antwoord.

Die dag gebeurde het weer en nu ook stond Sammy naast hem keek meer en meer bevreesd want het ging er heftiger en heftiger aan toe.
Het dreigde tot een gevecht te komen.
Eigenlijk was het vooral spektakel maken voor de jongens – maar zo zag Sammy dat niet.
Hij werd angstiger naast zijn beste vriend die hij steeds meer aanmaande van zich gedeisd te houden, – dan zouden ze vanzelf wel weggaan – het is omdat je zo fel doet dat ze telkens terugkomen! —had hij gezegd.

De jongens vormden weer een have kring en het alles herbegon; maar nu heftiger dan anders, en op een zeker moment deed Sammy iets dat de rest van zijn leven zou bepalen – iets dat hij altijd heeft onthouden of verdrongen.
Hij deed iets zeer eenvoudig, maar iets dat hij zich zijn leven lang zal beklagen, dat invloed zal hebben op de rest van zijn bestaan, iets dat hij nooit of nimmer nog kon goedmaken;

Sammy zette een stap opzij.

De belangrijkst stap van heel zijn leven.
Hij zette een stap opzij, weg van Pieter.
Als teken dat hij zich hier niet meer met Pieter wilde associëren.
Hij wilde hetzelfde lot als zijn beste vriend niet ondergaan.
Hij had angst gekregen.
Angst voor slaag en pijn en vernedering.

Hij was de laffe verrader van zijn beste vriend geworden – zo had iedereen het nu gezien.

Was het de zoon van een ambtenaar tegenover de zoon van een zelfstandige?
Hadden ze elk andere thuisinstructie meegekregen?
Andere gedragscodes?
De zoon van de handelaar: leer je mannetje staan, want je staat er in het leven alleen voor!
De zoon van de ambtenaar: hou je gedeisd en er zal jou niets overkomen – maak dat je niet opvalt!

Vanaf deze stap zal zijn leven een andere weg opgaan.
Hier kan hij nooit meer op terugkomen.
Vanaf hier had hij besloten voor een schutkleur te kiezen.
Samen een nummer met de anderen te zijn in plaats van uit te schieten en tegenwind te trotseren.
En daarbij hoorde een diepe eenzaamheid.
Want met die anderen zou hij nooit meer kunnen aansluiten als bij Pieter.
Die zouden nooit zijn vriend kunnen worden. Hij werd een ander tussen de anderen.

Met Pieter maakte hij zich los van zijn beste vriend en van vele open wegen in zijn leven.
Hier besloot hij te worden zoals zijn ouders, onopvallend en teruggetrokken in de massa.

De bel ging.
De jongens sloten aan.
De rij stapte met de meester mee naar het klaslokaal.
Pas toen pas viel het Sammy te binnen wat de gevolgen waren van wat hij gedaan had.
Want zijn plaats in de klas was naast Pieter.
Dat was al zo vanaf de grote school, en ook wel daarvoor in de kindertuin zaten ze dikwijls te samen.

Pieter had geen woord meer tegen Sammy gesproken.
Hij keek strak voor zich uit, het hoofd rechtop en gunde Sammy geen blik.
Wanneer het moment gekomen was dat de jongens plaatsnamen achter hun bank.
Bleef Pieter rechtstaan en stak zijn vinger op.

– Ja, Wat is er Pieter? vroeg de leraar.
– Ik wil niet meer naast Vanderstraet zitten!
– Wel, wat nu? Hebben jullie ruzie gemaakt? De beste vrienden?
– Ik wil niet meer naast hem zitten!
– Wel goed dan zullen we jullie verplaatsen,
Vanderstraet ga naast Andriesen zitten en jij Pieter naast Van Hemelrijk.

Zo verhuisde Sammy naar de tweede van de middenste rij.
Andriessen en Vanderstraet konden het met elkaar niet vinden.
Ze maakten nooit ruzie maar ze hadden niets gemeen.
Anriessen had een bleke haast huidskleur. Ros krullend haar, bruine donkere ogen met een strakke uitdrukking. Hij lachte nooit. Zijn grote blanke tanden verschenen enkel wanneer hij ze in een vraagstuk van wiskunde zat, dat hij altijd moeilijk en belangrijk scheen te vinden. Bij het lezen volgde hij de lettertekens met een wijsvinger die naar buiten kon klikken. Omdat er iets met zijn gewrichten was. Hij was niet onvriendelijk maar lachte nooit naar Sammy.
De jongens spraken alleen met elkaar wanneer het over een opdracht ging.

Sammy had zijn beste vriend verloren en zou er nooit nog één hebben. Hij zou nooit van Pieter leren hoe van zich af te bijten. Hoe indruk te maken door komedie te spelen en luider te roepen dan zijn tegenstander. Hij zou inderdaad nooit leren zijn rug recht te houden want vanaf dan zat Sammy steeds meer gebogen en in zijn handjes te wriemelen.
Kon hij van zichzelf aannemen dat hij een laf was?
Dat hij zou wijken wanneer het moeilijk werd met anderen. Wanneer er slagen dreigden. Slagen zoals hij er van zijn vader veel kreeg. En die hij zonder verweer diende te ondergaan – want indien hij zich zou durven verzetten tegen zijn vader, indien hij zou durven terugslaan dan ging vader hem doodslaan! – zo had hij ooit gezegd.
Of zoals zijn moeder zei – Je ziet er uit zag als iemand die zijn toer afwacht maar dat er nooit iets zou gebeuren. Als ge schrik hebt zijt ge weg.

Vanaf dan werd naar school gaan moeilijk voor Sammy.
Hij voelde zich alleen, bedreigd en angstig.
De klas werd kil en grijze ruimte waar hij zijn tijd diende uit te zitten.
Het lachen was verdwenen.

Sommige jongens gingen tijdens de speeltijd met de rug tegen de muur staan terwijl anderen liepen riepen en vechten.
Soms was nu Sammy één van hen.
Hij werd nooit één van de andere.
Het galmende speelplein werd een slagveld.
Een pijnlijke open plek.
Een harde plaats waar stenen scherpe kreten weerkaatsen.

De stap zijwaarts had zich afgespeeld op die grijze stenen, de groene saloon-deurtjes van de toiletten op een zonnige, koude lentedag

Later zou Sammy zou zich nooit meer kunnen associëren met iemand.
Er zou altijd iets blijven tussen hem en de anderen.

Een afstand die hij nooit zal kunnen overbruggen.

 

Dit veranderde Sammy’s leven voor altijd, al besefte hij dat maar vele jaren later.
Hij verdrong alles van dit gebeuren.
Hij had een andere weg ingeslagen.
Daar was een jongen waarmee hij zich verstond, die fantasie had zoals hij, die niet verstofte in zakelijkheid en ijver. Maar die ondernemende Pieter kwam uit een andere cultuur – een zoon van zelfstandige die diende te leren strijden voor zijn bestaan en Sammy was de zoon van een beambte die diende te kunnen plooien om te overleven.

Nooit zal hij nog zo’n vriend hebben.
Hij zal steeds wantrouwig blijven tegenover anderen en zich meer en meer afsluiten.
Soms kiezend voor grijs en ongeïnspireerd gezelschap in plaats van de mensen waar hij echt bij thuishoorde.

het truukje van de weerbare retoriek zou hij nooit van Pieter leren.
Want je diende goed te weten hoe dat moest – wat je in zo’n situatie diende te zeggen en te roepen en wat niet mocht, en hoe je lichamelijke houding, je lichaamstaal daarbij diende te zijn.

 

33 – De Ratten

De Ratten

Door Iris Nachtegaal

 

De kelder bij de grootouders was afgesloten met een zware houten deur.
Daarachter kon geen licht worden gemaakt.
Het gebeurde wel eens dat Sammy als straf in die kelder werd opgesloten.
Maar hij schreeuwde dan zo hard dat Bompa hem er spoedig uit liet.

Sammy had graag een huisdier gehad.
Een grote hond die hem zou kunnen beschermen.
Maar nu ontdekte Sammy in het duister van de kelder kleine blinkende oogjes.
Toen er door de deurspleet wat meer licht naar binnen viel, kon hij zien van wat ze waren: Grote grijze ratten.
Een huisdier zo maar in huis krijgen, zonder dat je het diende te vragen, het zomaar te krijgen, zonder dat iemand het hoefde aan te kopen!
Diertjes die zomaar vanzelf in huis komen!
Sammy vond de ratten heerlijk!

Wat zou er met deze nieuwe bewoners gaan gebeuren?
Sammy probeerde ze stilletjes te naderen, en wat broodkruimels toe te gooien.
Hij hield zijn ontdekking liefst geheim en sloop regelmatig stil naar de kelder, om het gedrag van zijn harige vriendjes met hun zwarte glimmende oogjes te volgen.
Hun pootjes leken wel kleine handjes. En hun snuit beefde alsof ze voortdurend aan ’t prevelen waren.

Maar toen grootvader ook de nieuwe gasten ontdekte ontstak hij in woede.
Hij greep terstond naar de kolenschop die aan kelderdeur stond en sloeg op de beesten in met de scherpe kant ervan.
Ze werden rillend op de spade naar de tuin gedragen waar ze beefden in hun doodsstrijd.
Hun ingewanden kwabbelden uit hun bondjasjes.
Eén na één droeg een woedende grootvader met de schop ze naar buiten – de ene al meer dood dan de andere.

Sammy keek toe en ging na of ze nog leefden.
Dan kregen ze een genadeslag van grootva.
Daarna werden ze in de grond gestopt met elk een zware steen op hun grafje.
Opdat ze er niet meer zouden kunnen uitkomen.
Zoals mensen

32 – De Grote Vakantie

De grote vakantie

Door Iris Nachtegaal

Het was vakantie.
Sammy en Ruddy lagen nog in hun bedje.
Ze hoorden beide ouders zich klaarmaken om te vertrekken naar het werk.

Ze waren gewend aan het schelden en schreeuwen dat daarmee gepaard ging.
De voordeur sloeg dicht met een harde klap en er viel dan een stilte in het huis.
Een stilte die even later verbroken werd door het geratel van een zware sleutel in het sleutelgat.
Oma’s zwarte schoenen met dikke hakken galmden door de gang.
Deuren kriepten.  Geluiden stegen uit de keuken.
Het ontbijt  voor de broertjes werd klaargezet.
Ze riep van bedeneden af – Opstaan!
Maar daar werd niet direct een gevolg aan gegeven , de zware zwarte schoenen bonkten met tussenpausen op de houden trap.
Grootmoeder inspecteerde het huis van haar dochter.
Waarover ze haar bevindingen gaf.
Het was alsof ze zichzelf toesprak. Stil maar hoorbaar genoeg voor de kinderen.
-“Maar ziet dat hier liggen!, Al die rommel in huis! -en vuil! ik moet dat kind pardonneren! Dat kind wordt zot! Maar toch! Ziet dat hier nu een keer liggen!”
De broertjes klommen uit bed en kregen ontbijt met Ovomaltine en brood besmeerd met Kwatta. En soms een zacht gekookt eitje waar ze reepjes brood insopten.
Oma zweeg geen moment.
Niemand kan zich nog herinneren wat zo allemaal zei.

Dan ratelde de trapauto met Sammy en Ruddy naar het huis van de grootouders.
Opa was nog niet daar. Die deed zijn ochtendwandeling, met zijn krant in zijn jaszak.
Het middageten had tijd nodig en terwijl renden de jongens door de tuin.
De witgekalkte muren van de stadstuin met de perenbomen, het kot, de plisplanten, de ortensia, de schildpad en de hommels en de wespen die rond het kerstenkruid zwermden.

Vliegende dieren.
Vrije dieren.
Vogels en vliegende insecten.

Sammy wilde ze vangen. Vooral de hommels en de wespen.
Daarvoor gebruikte hij de lege sigarenkisten van grootvader.
Hij sloop behoedzaam naar een wesp op het kerstenkruid. Opende de doos rond het lila-achtige bloempje – en klapte ze dicht.
Daarna luisterde hij gespannen naar het zoemen in de doos.
Maar de doos sloot niet goed genoeg doordat er een stukje stengel tussen was geraakt.
De wesp was naar buiten gekropen en stak Sammy in de handpalm. Schreeuwend liep hij naar grootmoeder, die olie aan het rood opzwellende handje deed.

Metalen sigarenkistjes dienden  hier hun doel het beste. Metalen dozen sneden de stengels af en sloten beter, dan houten.
Sammy en Ruddy dachten ook een bijenkorf te kunnen opzetten met de gevangen insecten.
Maar het waren nooit echt bijen.

Hommels staken minder agressief dan wespen en waren dus gemakkelijker te pakken maar minder leuk. Kleine ter plaatse vliegende wespjes  -helikoptertjes- genoemd staken nooit en waren het minst verdienstelijk om te vangen.

 

 

31 – De Pot

Op de Pot

Door Iris nachtegaal

In zijn buik huist er een klein gebocheld mannetje dat moeizaam zwoegend aan een zwengel draait waardoor een dik touw door Sammy’s aars naar buiten wordt gedreven.

Op de wc-pot gezeten houdt Sammy zijn ogen kort bij het verticaal geslepen raam waarachter het plastic gordijntje met de rode-witte patronen hangt.

Plots slaat zijn blik over naar oneindig en kijkt hij naar een monumentale rode muur waar witte massieve sferen die tot ver in de diepte reiken.

“Sans Pareil” staat op de jachtbak.