53 – Jaak Timpermans

Deze week heeft Iris geen tekst voor jullie gemaakt. Ze is nochtans lang met jullie talrijke vragen bezig geweest.

Iris werd de laatste maanden volledig opgenomen door de zorg  voor haar moeder. Ze was voortdurend onrustig omdat ze de aanpak hier in het ziekenhuis te Grauwegomme niet langer vertrouwde. – Haar moeder is hoog bejaard en op die leeftijd kan alles onomkeerbaar worden – zei ze. Het was ook erg moeilijk om een dokter te kunnen spreken en bovendien merkte zij dat moeder voortdurend onder verdoving gehouden werd.

Nu heeft zij de knoop doorgehakt. Iris is op eigen initiatief met een ambulance en twee ambulanciers naar het ziekenhuis gereden om haar moeder daar weg te halen.  En ze draagt nu zelf zorg voor haar.

Vandaar dat ze nu even afwezig zal blijven.

 

Over jullie vragen: Een aantal hiervan gaan over de ouders van Sammy.

Wie waren zij en hoe gingen zij met hem om?

Ze komen hier haast niet in beeld, noch zijn vrienden of de omgeving.

We hebben ons best gedaan om hierover meer informatie te achterhalen.

Eén van de bronnen was Jaak Timpermans. Die Sammy persoonlijk heeft gekend. Al waren ze blijkbaar niet de beste vrienden.

Volgens Jaak Timpermans stonden zijn ouders in de buurt bekend als beiden vriendelijke bescheiden, hulpvaardige  en hardwerkende mensen.

Het was heel wat moeilijker om mensen uit de buurt te vinden die ons iets over Sammy zelf  konden vertellen. De meesten liep hij zonder omzien voorbij.

 

Jaak is onze naaste buur. Mijn vrouw en ik beperken ons tot een beleefdheidsgesprek. Ik ga jullie eerlijk bekennen dat wij niet zoveel van Jaak houden. Hij baat het tennisveld uit dat pal achter ons huis gelegen is. Sport is het enige onderwerp waarmee ik met hem regelmatig in gesprek ga.  Wanneer het over zijn vroegere buur ging wordt hij telkens erg  negatief.  Zijn stem doet mij aan iets of iemand denken maar ik kan ze niet thuisbrengen.Waar zou ik ze nog hebben kunnen horen…een snerpende nasale stem, die stoot vanonder een dun donker snorretje dat net de lengte van zijn dunne lippen volgt onder een scherpe neus en ogen waarvan de leden zich nooit lijken te sluiten. Alsof hij steeds op zijn hoede is, steeds wantrouwig.

Hij heeft tot nu toe niet één positief woord over Sammy tegen ons uitgesproken.

Wat we vernamen is dat Sammy’s ouders beiden een administratief werk deden. Voor zover ik heb kunnen opmaken hadden ze een betrekking bij de overheid  maar het is  niet erg duidelijk wat ze precies deden. Waarschijnlijk had hun werk iets van doen met het leger of de ordediensten.

Victor Van der Straet en Jaak Timpermans verstonden elkaar blijkbaar goed.

 

 

 

 

 

Advertenties

33 x – Grijs en Geel

Sammy’s ouders waren ongewenste kinderen.
Allebei.
Sammy zijn uniek leven, zijn unieke ouders zijn unieke sectoren in een universum.

Zijn leven waarin alles hem voorkam als uit het leven van iemand anders.

Wie?

Om het even wie, maar toch anders.
Daaraan kon hij alles in zijn bestaan herkennen.
Hij had een vader en een moeder zoals andere kinderen.
Een huis waarin hij opgroeide.
Voor ieder kind is de geboorteplaats de gewoonste plaats van de wereld.

Voor de ene is dat een paleis voor de andere een concentratiekamp.
Sammy groeide op en werd zich bewust van wie hij was en wat hem omgaf.

De wereld kreeg vorm van uit een huis langs een spoorwegberm
nabij een kleine industriestad.

Geluk is alleen zijn
Sammy kende geluk enkel als alleen zijn.
Geluk kon voor het kind nooit met iemand te samen.
Iedereen verwekte onrust, geluid, geroep lawaai, verstoring.

De ouders schenen steeds met iets bezig te zijn dat zich binnen in hen bevond.
Zij keken recht voor hen uit.

Zelden in het gelaat van het jongetje die naast hen stond en waarvan ze toch het handje vasthielden

de wereld was heel groot
– maar hij was hier, gevangen
de wereld was avontuurlijk
– maar hij zat hier, vastgehouden
en dat hij ook een leven had zoals alle anderen
– maar die anderen hadden een leven.

Sammy bestond, slechts, kreeg niet het gevoel van te…

de wereld was bedreigend beangstigend en veel te groot.
Sammy ervoer zichzelf als een personage – een bewegend punt in het bestaan

de anderen waren machten die een wereld beheersten die de zijne niet was.
Hij, zat gevangen onder een grijze stolp van regels waarin hij ronddraaide, draaide als een vlieg.
Regels en angst – grijs en geel.
Regels voor het doen, die opgevolgd dienden te worden zonder om redenen te vragen.
Een wereld van verplichtingen.

De school was zo een regel.
Het werk van de ouders. Waar de treinen hen iedere koude ochtend naartoe voerden.
De grijze speelplaats tussen de regels van angst.
En daarboven de blauwe lucht met vrij vliegende tuigen en vogels.

In de blauwe hemel lacht de natuur.
Een open ruimte met mogelijkheden.
De aarde lag daaronder, grijs en winters
en wanneer het wolkendek zich sloot
Scheen de macht van de regels over alles te heersen.
Als om de mens nog meer te straffen met het gesloten bestaan
Alle uitzicht op hoop te ontnemen.

Aan de wereld diende je te voldoen.
Tijd tikte je zwijgende aanwezigheid weg.
Tijdsdruk om gehoorzaamheid.

Spelen was enkel mogelijk wanneer de aandacht van de anderen naar iets anders gericht was.
Wanneer de volwassenen met iets onbegrijpelijks bezig waren, dan pas werd het goed. dan kreeg het kind een moment van eenzame vrijheid terug.
dan kon zijn verhaal losbarsten.
Zijn eigen wereld los van alles.

33i – Verdwijnen

Iris Nachtegaal

 

 

Sammy zocht wie hij was.
Zonder dat eigenlijk zelf te weten.

Hij was ongevormde twijfel.

Paste zoals een vloeistof in iedere kom.
Hij vond het vreemd hoe anderen zichzelf aankondigden in zakformaat
Hij was dat niet.
Nu was hij zo, straks anders, maar steeds wel angstig.
Zoals een vloeistof ieder vat kan vullen
zo vulde zijn wezen ieder aanwezigheid
Slechts wanneer hij alleen was
kon hij eventjes op iets als een zelf terugvallen.

Hij zag er steeds gespannen uit -opgetrokken schouders, en wenkbrauwen, handen die zich in elkaar wrongen.
Hij werd schuchter genoemd.

doorleven naar een onzekere toekomst met angst.
Maar ergens was er deze kracht in hem, deze wil tot leven die zou blijven ook wanneer alles rond hem zou wegvallen.

33g – De Directeur

Zesde studiejaar, de schoolmeester zei:

“Vanderstraet, je moet naar de directeur gaan!”

Sammy klom van achter de bank.

Nagekeken door de zwijgende klas deed hij iets wat een kind in nooit alleen deed.

Hij opende hij de deur van het klaslokaal en stapte alleen door de lege glimmende gangen de trappen af naar de verlaten hal, en vandaar door het lang smal gangetje waar aan het eind ervan  het bureau van de directeur zich bevond.

Hij was geheel onbevangen.

Hij kon zich niet voorstellen waarvoor hij bij de directeur geroepen zou worden.

Hij had niet het gevoel iets misdaan te hebben.

Hij kon helemaal niet vermoeden waarover dit zou gaan.

Sammy klopte aan.

Een kale ronde kleine man met een dikke bril met zwart montuur en zwart kostuum zat achter een bureel.

De directeur keek Sammy lang en strak aan zonder een woord te zeggen.

Zijn ogen waren even streng als  uitdrukkingsloos.

Bruine koe-ogen in een bol en toch streng en strak gelaat.

Sammy voelde zich ongemakkelijk in die stilte die alles langdurig overheerste.

“Ge hebt uw kamer niet opgeruimd? Waarom doet ge niet wat uw oma u vraagt?

“Ge zijt ongehoorzaam geweest! ”

Oma had geen klagen bij het schoolhoofd – dat was het!

Wat Sammy tien nog niet begreep was : dat zij niet snapte – dat niet wilde of niet kon – dat zij door dat te doen de toekomst van haar kleinzoon zou fnuiken. Zij had geoordeeld dat gehoorzaamheid aan haar persoon, belangrijker was dan de toekomst van haar kleinzoon op school! Door tussenkomst van de directeur kon zij gedaan krijgen wat zij zelf niet kon: Gehoorzaamheid afdwingen, en daar werd alles aan ondergeschikt.
Kinderen dienen onvoorwaardelijk te gehoorzamen en daartoe konden alle middelen worden ingezet, zo hadden, in haar tijd de nonnen dat haar geleerd.

Druk en dreiging door heimelijke middelen.

Want zelfs zonder te weten wat de inhoud was van het “opvoedend gesprek” dat Sammy vanaf dan haast wekelijks met de directeur diende te hebben – werd hij door deze onderwijzer gezien als “een kind met moeilijkheden” – Sammy schoolresultaten gingen inderdaad naar beneden. Hij durfde ook niet aan zijn ouders zeggend at hij nu regelmatig bij de directeur moest komen.

Hij kropte dat allemaal op, iedereen had het tegen hem gemunt, speelden allemaal onder één hoedje.

Nooit was er een moment waarop kinderen in eer konden worden hersteld.

Er was geen kindertribunaal voor onrechtvaardige ouders, of opvoeders

Ieder kind zat in de tang die “opvoeding” heette. Als gold het een gedragstherapie.

Ook de andere kinderen vroeger zich af wat er gaande was, er was iets mis met Sammy.

Voor Sammy zou je beter oppassen of afstand nemen.

 

 

33d – Tijd

Achter het huis van Oma en Opa – een hoog herenhuis in het midden van de stad – ligt een lange smalle tuin. Met veel gras, een hortensia, kerstenkruid en enkele grote perenbomen.

Grootvader stapt over het tuinpad.
Hij beweegt breed zijn armen bij het stappen.
Zijn wit wijd hemd met open kraag, schittert in de zon.
Even sluit Sammy de ogen –
en opent ze even later
– nu is grootva al veel verder over het tuinpad gevorderd –
dat stukje tijd heeft Sammy nu niet gezien.
Gemist.
Voor altijd.

33 e – Het Buurmeisje

Viviane

Door Iris Nachtegaal

-Vi-iviane-komjespeelen!

Sammy riep het over de tuinmuur.

Hij had er een liedje van gemaakt. Viviaaaan ( uitgerekt komje (kort) speeeeleeeen (uitgerekt).
Soms kwam Viviane het buurmeisje.
Soms ging Sammy bij de buren.
Tenzij wanneer er een hond was.
-Als de hond er is ga ik direct terug – had hij met zichzelf afgesproken terwijl hij aan het plassen was en naar de jachtbak had gekeken waar een eenhoorn op stond afgebeeld en de woorden “Sans Pareil”.
En zo deed hij ook, zonder veel commentaar.
Maar nu kwam Viviane.
Sammy gaf haar een zoentje op de wang.
Zij protesteerde heftig.

-Tu doit faire semblent!- riep ze.
Je mocht slechts doen alsof je kuste.
Ook dat maakte deel uit van het spel.
Er werd gespeeld in het hok.
Vader en moedertje, huishouden met broertje als het kleine kind.
Toen haar rokje opvloog voelde Sammy iets dat hij kende en dat hij steeds vergat omdat het zo zeldzaam was – Hij kreeg een stijf piemeltje, en het gloeiend bijzondere gevoel dat daarmee gepaard ging en dat hij nergens kon thuisbrengen.
Het was bij het bad.
Niet van baden, maar het al oude bad dat in het hok stond waar ze inkroop zodat haar rokje plots tot haar lipje zichtbaar werden haar blote beentjes.
Dat was een bijzonder gevoel dat in een vlaag van gloed over hem ging maar ook meteen daarna verdween.
Soms werd er rond het gespeelde huis diepe putten bedacht. Plaatsen in de tuin waar je niet mocht komen, waar je in de diepte zou wegzinken.
Je moest mooi over het niet bestaande brugje het huis (hok) binnengaan, anders was je voor de eeuwigheid in het spel verloren.
Sammy kon gemakkelijk in een spel opgaan.
Alles leefde.
Alles werd begeesterd.

32d – De Hond met de Zwarte Kop

De Hond

Door Iris nachtegaal

Sammy reed met zijn fietsje langs de overkant toen een deur op een kier ging. Een man liet een hond vrij uit.

Een grote hond met een zwarte kop, een dalmatiër die Sammy blaffend achterna liep.

De veilige thuishaven lag een de overkant dus fietste Sammy snel de straat over zonder nog te durven omkijken.

Een auto stopte met knarsende remmen.

De chauffeur was daarna niet meer in staat om verder te rijden.
De geburen boden hem een glas water aan.
Hij had een voorgevoel, daardoor was hij trager gaan rijden.

De dalmatiër met de zwarte kop werd nadien nooit meer in de straat gezien.

32C – Het Blauwe Gevaar

Madam Lauwers

Door Iris Nachtegaal

Madam Lauwers- fel blauw mantelpak, gouden ringen, oorringen en in de mondhoek een gouden tand, die niet zichtbaar werd wanneer ze lachte maar wanneer ze grijnsde.
Madam Lauwers lachte nooit.

Zij luisterde met gesperde ogen naar wat grootmoeder zei.
Zij zweeg met een kramp om haar mond.
Sammy voelde dat ze luisterde met een bedoeling.

Iemand die op die manier luistert is gevaarlijk wanneer je vrijuit spreekt.

Maar grootmoeder zag dat niet.
Ze praatte lustig door. En het blauwe gevaar ging met de strakke blik de deur uit.

De week daarop – zoals iedere iedere week- kwam ze aanbellen. Maar oma liet haar niet meer binnen.
-…dat ze niet meer moest komen,
– En ik die dacht hier met vriendelijke mensen te doen te hebben!
kon Sammy haar door de straat horen roepen.
Maar Sammy was blij dat ze niet meer zou terugkeren!

49 – De Vlek

 

de vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had steeds het gevoel van vuil te zijn, te stinken een donkere vlek te zijn voor de anderen.
Moeder en ook vader wezen hem daar regelmatig op.
Ze zegden regelmatig dat hij kwalijk rook – Sammy stonk!
Het klonk bezorgd, werd op een bekommerde toon gegeven, als een raadgeving, iets waar een ouder een kind op diende te wijzen opdat het mer zorg voor zichzelf zou dragen.
Maar eigenlijk was het een verwijt.

Er was een donkere reden waarom Sammy’s moeder dat steeds deed.
Terwijl vader hem ontmoedigde door cynische spot. Die eigenlijk de schijn had van aan te porren: op te roepen tot het beter te doen. mer te presteren.

Maar eigenlijk was het niet dat, het was ontmoedigen zodat Sammy zou opgeven.

Sammy vond dit niet vreemd.
Hij geloofde werkelijk dat ze het goed met hem meenden, en dat hij inderdaad stonk en voor niets deugde en dat zijn ouders het bij het rechte eind hadden – dat hij voor niets deugde en voor alles zijn ouders nodig had.
Die spanden zich immers voortdurend voor hem in, die ondersteunden hem, of beter – zij droegen hem voortdurend als last.

Later nestelden deze stemmen van vader en moeder zich in zijn binnenste.

Hij droeg ze voortdurend met zich mee en ze bleven steeds op die zelfde toon tot hem spreken.

48 – De Vlek en het Meisje

De Vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden angst voor woorden angst voor de anderen.
Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek moest mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek naar de beelden op de tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden en die zijn gedachten na enkele minuten lieten afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe dat anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie. Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield. en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, de diepe donkere rustige ogen.
Haar bleek gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje dat koelde in de waterpunt.
De geluiden van krekels van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar strek vasthouden.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.