33i – Verdwijnen

Iris Nachtegaal

 

 

Sammy zocht wie hij was.
Zonder dat eigenlijk zelf te weten.

Hij was ongevormde twijfel.

Paste zoals een vloeistof in iedere kom.
Hij vond het vreemd hoe anderen zichzelf aankondigden in zakformaat
Hij was dat niet.
Nu was hij zo, straks anders, maar steeds wel angstig.
Zoals een vloeistof ieder vat kan vullen
zo vulde zijn wezen ieder aanwezigheid
Slechts wanneer hij alleen was
kon hij eventjes op iets als een zelf terugvallen.

Hij zag er steeds gespannen uit -opgetrokken schouders, en wenkbrauwen, handen die zich in elkaar wrongen.
Hij werd schuchter genoemd.

doorleven naar een onzekere toekomst met angst.
Maar ergens was er deze kracht in hem, deze wil tot leven die zou blijven ook wanneer alles rond hem zou wegvallen.

Advertenties

33g – De Directeur

Zesde studiejaar, de schoolmeester zei:

“Vanderstraet, je moet naar de directeur gaan!”

Sammy klom van achter de bank.

Nagekeken door de zwijgende klas deed hij iets wat een kind in nooit alleen deed.

Hij opende hij de deur van het klaslokaal en stapte alleen door de lege glimmende gangen de trappen af naar de verlaten hal, en vandaar door het lang smal gangetje waar aan het eind ervan  het bureau van de directeur zich bevond.

Hij was geheel onbevangen.

Hij kon zich niet voorstellen waarvoor hij bij de directeur geroepen zou worden.

Hij had niet het gevoel iets misdaan te hebben.

Hij kon helemaal niet vermoeden waarover dit zou gaan.

Sammy klopte aan.

Een kale ronde kleine man met een dikke bril met zwart montuur en zwart kostuum zat achter een bureel.

De directeur keek Sammy lang en strak aan zonder een woord te zeggen.

Zijn ogen waren even streng als  uitdrukkingsloos.

Bruine koe-ogen in een bol en toch streng en strak gelaat.

Sammy voelde zich ongemakkelijk in die stilte die alles langdurig overheerste.

“Ge hebt uw kamer niet opgeruimd? Waarom doet ge niet wat uw oma u vraagt?

“Ge zijt ongehoorzaam geweest! ”

Oma had geen klagen bij het schoolhoofd – dat was het!

Wat Sammy tien nog niet begreep was : dat zij niet snapte – dat niet wilde of niet kon – dat zij door dat te doen de toekomst van haar kleinzoon zou fnuiken. Zij had geoordeeld dat gehoorzaamheid aan haar persoon, belangrijker was dan de toekomst van haar kleinzoon op school! Door tussenkomst van de directeur kon zij gedaan krijgen wat zij zelf niet kon: Gehoorzaamheid afdwingen, en daar werd alles aan ondergeschikt.
Kinderen dienen onvoorwaardelijk te gehoorzamen en daartoe konden alle middelen worden ingezet, zo hadden, in haar tijd de nonnen dat haar geleerd.

Druk en dreiging door heimelijke middelen.

Want zelfs zonder te weten wat de inhoud was van het “opvoedend gesprek” dat Sammy vanaf dan haast wekelijks met de directeur diende te hebben – werd hij door deze onderwijzer gezien als “een kind met moeilijkheden” – Sammy schoolresultaten gingen inderdaad naar beneden. Hij durfde ook niet aan zijn ouders zeggend at hij nu regelmatig bij de directeur moest komen.

Hij kropte dat allemaal op, iedereen had het tegen hem gemunt, speelden allemaal onder één hoedje.

Nooit was er een moment waarop kinderen in eer konden worden hersteld.

Er was geen kindertribunaal voor onrechtvaardige ouders, of opvoeders

Ieder kind zat in de tang die “opvoeding” heette. Als gold het een gedragstherapie.

Ook de andere kinderen vroeger zich af wat er gaande was, er was iets mis met Sammy.

Voor Sammy zou je beter oppassen of afstand nemen.

 

 

33d – Tijd

Achter het huis van Oma en Opa – een hoog herenhuis in het midden van de stad – ligt een lange smalle tuin. Met veel gras, een hortensia, kerstenkruid en enkele grote perenbomen.

Grootvader stapt over het tuinpad.
Hij beweegt breed zijn armen bij het stappen.
Zijn wit wijd hemd met open kraag, schittert in de zon.
Even sluit Sammy de ogen –
en opent ze even later
– nu is grootva al veel verder over het tuinpad gevorderd –
dat stukje tijd heeft Sammy nu niet gezien.
Gemist.
Voor altijd.

33 e – Het Buurmeisje

Viviane

Door Iris Nachtegaal

-Vi-iviane-komjespeelen!

Sammy riep het over de tuinmuur.

Hij had er een liedje van gemaakt. Viviaaaan ( uitgerekt komje (kort) speeeeleeeen (uitgerekt).
Soms kwam Viviane het buurmeisje.
Soms ging Sammy bij de buren.
Tenzij wanneer er een hond was.
-Als de hond er is ga ik direct terug – had hij met zichzelf afgesproken terwijl hij aan het plassen was en naar de jachtbak had gekeken waar een eenhoorn op stond afgebeeld en de woorden “Sans Pareil”.
En zo deed hij ook, zonder veel commentaar.
Maar nu kwam Viviane.
Sammy gaf haar een zoentje op de wang.
Zij protesteerde heftig.

-Tu doit faire semblent!- riep ze.
Je mocht slechts doen alsof je kuste.
Ook dat maakte deel uit van het spel.
Er werd gespeeld in het hok.
Vader en moedertje, huishouden met broertje als het kleine kind.
Toen haar rokje opvloog voelde Sammy iets dat hij kende en dat hij steeds vergat omdat het zo zeldzaam was – Hij kreeg een stijf piemeltje, en het gloeiend bijzondere gevoel dat daarmee gepaard ging en dat hij nergens kon thuisbrengen.
Het was bij het bad.
Niet van baden, maar het al oude bad dat in het hok stond waar ze inkroop zodat haar rokje plots tot haar lipje zichtbaar werden haar blote beentjes.
Dat was een bijzonder gevoel dat in een vlaag van gloed over hem ging maar ook meteen daarna verdween.
Soms werd er rond het gespeelde huis diepe putten bedacht. Plaatsen in de tuin waar je niet mocht komen, waar je in de diepte zou wegzinken.
Je moest mooi over het niet bestaande brugje het huis (hok) binnengaan, anders was je voor de eeuwigheid in het spel verloren.
Sammy kon gemakkelijk in een spel opgaan.
Alles leefde.
Alles werd begeesterd.

32d – De Hond met de Zwarte Kop

De Hond

Door Iris nachtegaal

Sammy reed met zijn fietsje langs de overkant toen een deur op een kier ging. Een man liet een hond vrij uit.

Een grote hond met een zwarte kop, een dalmatiër die Sammy blaffend achterna liep.

De veilige thuishaven lag een de overkant dus fietste Sammy snel de straat over zonder nog te durven omkijken.

Een auto stopte met knarsende remmen.

De chauffeur was daarna niet meer in staat om verder te rijden.
De geburen boden hem een glas water aan.
Hij had een voorgevoel, daardoor was hij trager gaan rijden.

De dalmatiër met de zwarte kop werd nadien nooit meer in de straat gezien.

32C – Het Blauwe Gevaar

Madam Lauwers

Door Iris Nachtegaal

Madam Lauwers- fel blauw mantelpak, gouden ringen, oorringen en in de mondhoek een gouden tand, die niet zichtbaar werd wanneer ze lachte maar wanneer ze grijnsde.
Madam Lauwers lachte nooit.

Zij luisterde met gesperde ogen naar wat grootmoeder zei.
Zij zweeg met een kramp om haar mond.
Sammy voelde dat ze luisterde met een bedoeling.

Iemand die op die manier luistert is gevaarlijk wanneer je vrijuit spreekt.

Maar grootmoeder zag dat niet.
Ze praatte lustig door. En het blauwe gevaar ging met de strakke blik de deur uit.

De week daarop – zoals iedere iedere week- kwam ze aanbellen. Maar oma liet haar niet meer binnen.
-…dat ze niet meer moest komen,
– En ik die dacht hier met vriendelijke mensen te doen te hebben!
kon Sammy haar door de straat horen roepen.
Maar Sammy was blij dat ze niet meer zou terugkeren!

49 – De Vlek

 

de vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had steeds het gevoel van vuil te zijn, te stinken een donkere vlek te zijn voor de anderen.
Moeder en ook vader wezen hem daar regelmatig op.
Ze zegden regelmatig dat hij kwalijk rook – Sammy stonk!
Het klonk bezorgd, werd op een bekommerde toon gegeven, als een raadgeving, iets waar een ouder een kind op diende te wijzen opdat het mer zorg voor zichzelf zou dragen.
Maar eigenlijk was het een verwijt.

Er was een donkere reden waarom Sammy’s moeder dat steeds deed.
Terwijl vader hem ontmoedigde door cynische spot. Die eigenlijk de schijn had van aan te porren: op te roepen tot het beter te doen. mer te presteren.

Maar eigenlijk was het niet dat, het was ontmoedigen zodat Sammy zou opgeven.

Sammy vond dit niet vreemd.
Hij geloofde werkelijk dat ze het goed met hem meenden, en dat hij inderdaad stonk en voor niets deugde en dat zijn ouders het bij het rechte eind hadden – dat hij voor niets deugde en voor alles zijn ouders nodig had.
Die spanden zich immers voortdurend voor hem in, die ondersteunden hem, of beter – zij droegen hem voortdurend als last.

Later nestelden deze stemmen van vader en moeder zich in zijn binnenste.

Hij droeg ze voortdurend met zich mee en ze bleven steeds op die zelfde toon tot hem spreken.

48 – De Vlek en het Meisje

De Vlek

Door Iris Nachtegaal

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden angst voor woorden angst voor de anderen.
Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek moest mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek naar de beelden op de tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden en die zijn gedachten na enkele minuten lieten afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe dat anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie. Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield. en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, de diepe donkere rustige ogen.
Haar bleek gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje dat koelde in de waterpunt.
De geluiden van krekels van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar strek vasthouden.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

45 – de schrijvers

Sammy

door Iris Nachtegaal & Anker Tong

Ik heb mij door Anker laten overhalen.
Ik zal met dit blog voorlopig blijven verder doen

Maar ik heb ook mijn voorwaarden gesteld!
Ik draag dit niet meer alléén!
Vanaf nu moet Anker Tong actief deelnemen aan de verwerking van deze teksten!
Het volgende is dus door ons samen tot stand gekomen:

Er is nog een lange weg te gaan voordat we Sammy goed zullen kunnen begrijpen – voordat we zijn levensverhaal toegankelijk genoeg hebben gemaakt.

Laten wij even vooruitlopen en enkele teksten tonen die hij later, aan het eind van zijn leven, heeft geschreven.

Heel dat verhaal van zijn jeugd, waarvan ik jullie fragmenten heb gebracht, werd gedistilleerd uit een hele reeks tekstjes, allemaal met de hand geschreven op ruitjespapier uit verschillende scheur-schriftjes .

Sammy zal tot op volwassen leeftijd blijven schrijven, en hier is wat hij daarvan zegt:
(Anker en ik hebben zijn woorden vrij bijgewerkt, en zijn onmogelijke zinsbouw hier en daar wat bijgestuurd.  Wat onleesbaar was, hebben wij in onze eigen woorden aangevuld, wat hier volgt is een vrije bewerking):

“Mijn moeilijkste opgave is tot een leefbare formulering te komen van hoe mijn jeugd geweest is.

Van wat er zich precies heeft afgespeeld en hoe dat het verder verloop van mijn leven kon hebben bepaald.
Er blijven zovele lacunes waar ik nooit enig vat op schijn te kunnen krijgen

Er is nog zo veel dat ik nooit tot een bevattelijk verhaal heb kunnen weven.
Iets in een bevrijdende vorm gieten, dat is wat ik eindelijk zou willen bereiken! Mijn verleden voor mij leefbaar maken door er een sluitend verhaal.
Het te vertalen.
Ten einde vrede te vinden in mezelf en met de anderen.

Ieder verhaal staat tegenover andere verhalen.
Ieder mens wordt kenbaar voor zichzelf door en voor de anderen.
Eenieder is, hoe hij zichzelf beleeft en hoe hij beleefd wordt door de andere.
Hoe de andere zijn bestaan spiegelt.

Bestaat ons leven op zichzelf –  als orde van symbolen, weefsel van discours?
Of bestaat er een groot overzichtelijk Plan?
Een goddelijk oog, een kosmisch archief waar alles zijn plaats in krijgt?
Of is de wereld enkel een uitdijen van chaos in tijd?

Doe ik er wel goed aan om dit allemaal om te woelen?
Met al die kwaadheid en twijfel die daarbij opsteekt?
Zal die houdbaar blijven?
Of zal die mij razend maken op mensen die nu te oud en te zwak zijn om nog  confrontatie aan te kunnen?
Of die er nu niet meer zijn…
Of was het toch allemaal mijn eigen domme fout, mijn eigen koppige zin, mijn  kleinmenselijkheid?

Een wederwoord verwacht ik niet.
Maar het kind in mij hoopt nog steeds op een finaal antwoord.

Of misschien een eerlijke schuldbekentenis.
Dat zou voor mij het leven makkelijker maken.
Een bevestiging van wat ik vermeen zou vergiffenis schenken lichter maken.

Vergiffenis schenken is één aspect – mogelijke uitwegen te zien zijn er andere – Zowel voor de toekomst als voor het verleden
Mogelijkheden, die het verschil kunnen maken.

Je zou het ook zo kunnen formuleren:
Wat zou je aan een jongeling behoren te zeggen die vandaag in een gelijkaardige situatie zou opgroeien?
Aan het kind in kindertaal, of aan de ouders, of familie?
Waar langs vindt de jonge mens zijn weg uit dit doolhof?
Van wie kan die bevestiging krijgen van het misbruik?

– Dat werkelijk is en geen hersenspinsels?
En hoe komt dat aan het licht?
“Och, Vergeet het Sammy, laat het allemaal maar rusten, och die mensen, ze hadden ook hun problemen. Je had goede ouders. Je hebt er zoveel aan te danken, wees ze liever wat indachtig en wees vriendelijk en goed voor ze voor zo lang ze er nog zijn.
Lat zien dat je van hen houdt en om hem geeft, daar zal je later nooit spijt over hoeven te hebben – Wanneer je hen pijn hebt gedaan, dan zal dat nog lang aan je blijven knagen.

Dat waren die dingen waar Sammy voortdurend mee worstelde.
Sammy wilde de tijd en ruimte krijgen die nodig was om zich uit te spreken en te vertellen wat in hem allemaal wrong.
Hij wilde dat voor eens en voor altijd gezegd krijgen zonder in rede gevallen te worden door stemmen die hem tegenspraken…
Dat “uitspreken” is schrijven geworden.

Hij dacht:

“Ik blijf deze zoektocht naar mezelf.
Een zoeken dat naar herkenning vraagt, en naar wie ik was, en ben.
een zoeken naar innerlijke vrede.”

 

Hij wilde het schrijven nuttig maken, hem laten dienen.
Maar deed hij dat enkel als therapie of was het ook gericht naar iemand anders?

Hij schreef:

 

“Ik heb angst om dat allemaal alléén te doen.
Iemand zou beter toekijken en luisteren.
Om te zien dat het niet te gevaarlijk wordt.

Dat ik niet verstrikt geraak.

Of terug wegzak in depressie of onbedwingbaar ingekapseld geraak door eenzaamheid en afzondering.
Of dat het geen spel wordt waarbij ik de schuld aan alles en iedereen wil verwijten zonder mezelf in vraag te stellen?
Ik wil een eerlijk proces krijgen!
Ik wil mezelf een eerlijk verdikt kunnen geven!
Een eerlijke verdeling die de lasten legt bij de omgeving maar ook bij mij zelf.

Misschien laat ik dit ooit nog aan mijn beste vrienden lezen  -en ik weet zelfs niet of dat wel goed is…
Waar voor dat dienen zou en wat het bij hen teweeg zou brengen.
Of betekent dit allemaal niets?
Het gevecht van twijfel en spoken.

Dit dolen door eindeloze tunnels van grijzer wordend licht.

Maar ik heb ook geleerd dat er momenten kunnen zijn waarop je alles kan afwerpen, waarop iets je kan raken en gelukkig maken, iets dat je innig bij anderen kan betrekken.

Iets waardoor maskers breken.
Iets fijns en kwetsbaars, dat zindert tot in je diepste vezels.
Iets dat je ontwapent en kwetsbaar maakt.

Bestaat leven uit streven naar meer?
Ligt alles in ons aards eindig tijdsverloop vervat?
Wanneer niets nog in eeuwigheid gedacht kan worden?
Moeten we genietend consumeren?

Ons bevrijden uit die smalle pijp van ons dagelijkse zijn?

Willen we altijd meer en beter en bevrijd worden van alle pijn?

Leven is pijn lijden.

Er is geen ander.
Pijn lijden is de kracht om gewaar te worden, te voelen.
De kracht van om te willen te zijn – willen leven en blijven leven.

De kracht om op een wonder te hopen, de -kracht om zelfs te zijn zonder enige hoop.

Zijn en ademhalen.
De kracht om pijn te kunnen lijden.

Verdwijnen zonder maar iets te hebben nagelaten.
gelaten zijn in het besef – Mijn bestaan is onnuttig geweest, voor mezelf en voor de anderen.

42 – De Engel

Sammy

 

Door Iris Nachtegaal

‘s Avonds in bed gelegen, kon Sammy nadenken.
Een belangrijk deel van zijn leven speelde zich in bed af.
Daar werd hij pas zichzelf, daar pas, wanneer de lichten uit waren en hij alleen met zichzelf kon zijn.
Dan kon hij zijn fantasie de vrije loop laten.

Denken en dromen over alles wat hem bezighield zonder dat iemand hem daarbij opmerkingen maakte, zonder dat iemand zei dat hij zijn aandacht niet mocht afdwalen, zonder dat iemand hem verweet: “Je ben aan’t dromen Sammy, let toch op!”.
In bed was er niets dat zijn aandacht kon opeisen dan zijn eigen gedachtengang, zijn eigen angsten en hopen, verlangens, zijn fantasie.

Sammy dook dan in verhalen die hij steeds verder uitwerkte en waar vele figuren hun rol bleven spelen;

Iedere mens en iedere situatie met anderen was voor Sammy een vraagstuk.
Iedere omgang met anderen werd een reden om zich vragen te stellen.

Sammy dacht:
– Wie ben ik voor de anderen en wie zijn zij voor mij?
– Hoe gedraag ik mij tegenover de anderen? en waarom en hoe gedragen zij zich tegenover mij? en waarom?
– Hoe krijg ik contact met anderen?
– Wie zijn ze en wie ben ik?
Wie word ik in hun ogen en wie worden zij in de mijne?

De massa die hem omringt en waar hij niet in kan opgaan – die hem observeert – die hij observeert.

De familie rond de tafel.

Vrolijk en onbezonnen kon hij nooit zijn – hij kon zich nooit laten gaan.
Dat kende hij niet.
Voortdurend leefde hij met angst, en de vrees om gecontroleerd te worden.
Bekeken vanuit een controlepost waar steeds iemand hem keurde, iets op hem aan te merken had.

Die stemmen bleven hem achtervolgen.
Stemmen die vragen stellen, ontmoedigen, niet kunnen begrijpen, uitroepen, zuchten…
Steeds die stemmen die het gemeenzame zeggen,
vol van onbegrip zijn
vol van oppervlakte…

Sammy leerde voor engel op aarde.
Het was maar pas later dat hij dat zou ontdekken.

In hem leefde een vreemd, zwijgend, toekijkend wezen.
Die afwezig-aanwezig was.

De blik van een starende vreemde, die
op zichzelf bestond en sterker was dan hij en al het andere.

Sterker dan alles in hem en rond hem heen.

Die kracht nam het van hem over.
Die was het die het hem belette te spreken.

wanneer treinen ’s nachts langs dorpen razen.
verschuilt een wereld zich achter gevels.