24 – Het Vliegen

Ik laat ons onderzoek (mag ik het zo noemen?) tegenwoordig vooral over aan Iris.
Ze heeft ook een sleutel van het achterhuis gekregen en neemt daar regelmatig mijn plaats in.
Door het gat in de haag verschijnt ze dan in onze tuin en stapt door de sneeuw naar het gebouwtje tussen de populieren.

Ik heb het momenteel te druk.
Ik kom later thuis, en mijn vrije tijd gaat vooral naar de kinderen.
Maar in het weekeind ga ik eens kijken hoever ze daar staat.

Er ligt dan meestal een bladzijde of twee, volgeschreven met haar nette handschrift.
Ze gebruikt daarvoor het vergeelde lijntjespapier uit de atoma-schriftjes die Sammy onbeschreven liet.
Haar rond regelmatig meisjesgeschrift is makkelijk leesbaar.
Heel wat anders dan die hanenpoten van Sammy!
Ik typ ze voor U over naar dit blog:

Vliegen

Door Iris Nachtegaal

Trappers, pedalen, karkas, alles rammelde over de hoekige straatstenen wanneer de rode pedaalauto van Sammy en Ruddy voorbijraasde.
Voetgangers sprongen soms kwaad opzij.
De oude wekker die Sammy in het tuig had verborgen ratelde tegen de metalen kast – dat gaf een motor-achtig geluid, dat passanten vragend deed nakijken.

Door hard te rijden leek het of hij zich even van de wereld kon losmaken.
Losmaken van deze plaats.
Bewegen is beloven.
Rijden met een automobiel.

snelheid is vrij zijn.
Vrij waren vooral de vliegtuigen van het nabijgelegen vliegveld die soms laag over de daken scheerden.

Vliegen, zich losmaken van de grond, vrij zijn, weg van alle pijn.

Weg van het gebakkel, de regels, de wetten, de controle der grote mensen, de school en de streng kijkende agenten.

Ongrijpbaar worden,

onaards,

boven de wolken zijn,

grenzeloos zijn zoals goden.

Het gemakkelijke leven der engelen,

die aan geen aardse kwalen lijden,

geen pijn geen dreiging,

geen vernedering

geen debacle dienen te ondergaan.

Advertenties

23 – De Donkere Kamer

 

De Bel

Door Iris Nachtegaal

Sammy haatte het geratel van een bel.
Een bel is de snerpende aankondiging van de storende anderen.
Maar soms toch ook het verlossende signaal aan het einde van een schooldag.

Sammy werd helemaal opgenomen door wisselende stemmingen.
Hij kon zich op een loden manier lusteloos voelen, of werd opgewekt enkel door het bekijken van de lichtspelingen over het tafeloppervlak.

Het wolkendek zonder blauwe opening, hing als een zeil over de daken en drukte meer op hem dan ieder ander ding.

Maar grootvader zei dat dit het beste weer was.

-Het regent niet en de zon schijnt niet in uw ogen!

De druk die hij ondervond steeds iemand te moeten zijn, en niet naamloos een toeschouwer te kunnen blijven zoals een kind.

Een kind kijkt maar communiceert niet met de kijkende ogen.
Het kan kijken zonder dat de blik contact maakt.

Een kind kijkt op een manier waarop volwassenen dat dragelijk vinden.

Maar de blik van Sammy was ondragelijk, star en borend.
Zijn moeder kon zijn blik niet verdragen.
Waarom bekijkt ge mij altijd zo!
had zijn moeder naar hem ooit kwaad toegeroepen.

Maar opgroeien betekende ook dat hij leerde om niet naar de anderen kijken.
Kijken wilde iets zeggen.

Hij mijmerde:

Ieder leeft in de eigen donkere kamer

– een cinemazaal waarin de camera’s van de ogen

ieders eigen film van een wereld projecteren.

22 – De Windpokken

God en de windpokken

Door Iris Nachtegaal

Sammy werd ziek aan het einde van het schooljaar.
Hij was over heel het lichaam gepokt met korsten en rode vlekken.

Kinderen liepen van hem weg wanneer ze hem zo zagen.
En zijn broertje sliep niet meer in dezelfde kamer.

Sammy ontwaakte tussen muren overwoekerd met bloederige korsten die als schimmel groeide over de vloer van zijn kamertje en over het speelgoed. Onstuitbaar.
De dokter had zich vergist.
Zijn ziekte was een gewas dat alles doorgroeide en verslond.

Maar rond de middag daalde de koorts.
Dan klom hij uit zijn bedje en nestelde zich beneden in het salonnetje.

Door de gordijnen keek hij naar het stationsplein.

Het zonlicht had de bedrijvigheid van de vroege ochtend opgelost.
Een brouwer leverde vaten aan het café aan de overkant.

De metalen vaten rolden ratelend over de richels en daverden de kelder in. Grofgeschoeide knechten rolden dofbonzende tonnen naar binnen en bengden holle tonnen weer op de wagen.

Stemmen schoten kort door de kille lucht.
Een dieselvrachtwagen kreunde om de hoek.

Hij was alleen in huis.
Hij zat met gekruiste benen in de grote zetel.
En keek naar het salontafeltje met medicijnen en het lege glas waar net een tablet in had gebruist. Het poeder kleefde nog aan de rand.

Dan viel alles stil.

Voor hem verstomde de wereld in naakte blankheid.
Eén denkbeeld drong toen krachtig tot hem door:

-God bestaat niet, het leven heeft enkel zichzelf tot doel –

dat dacht hij toen hij 14 was.

Hij had zijn overtuiging gevonden waaraan hij zijn leven lang zou vasthouden.

21 – De Gevels

 

 

gevels zonder iets daarachter

door Iris Nachtegaal

 

1,
Sammy’s stem zat klein en diep in zijn keel verscholen.
Een stem die niet van hem was.
Die hij niet kon gebruiken.
Soms sprak hij dagen na elkaar geen enkel woord.
Het leek dan wel alsof zijn stembanden verschrompeld waren.
Alsof ze niet meer in zijn keel aanwezig waren.

Spreken,
zich tonen,
en tegenwoordig zijn,
iemand van wederwoord kunnen dienen,
zijn rol spelen was Sammy te zwaar.

Hij wilde helemaal niet spreken.
Hij wilde niemand meer zijn.
Hij kon niet begrijpen wat de anderen van hem wilden.
Zij wilden iemand anders, niet degene die hij was.
Maar het bleef hem een raadsel wie wilde zij dan wel wilden onder zijn gedaante?
Welke rol diende hij te vervullen?

Iedere woord dat hij uitbracht leek ongepast, en de woorden van anderen ontsprongen voor hem uit een niet te peilen bron.

Hij deed verwoede pogingen om, zoals een acteur, om niet uit de rol te vallen.
Een rol die hem de anderen hadden toebedeeld.

Een acteur zou even zijn bestaan van hem kunnen overnemen.
Deze zwaarte van hem afnemen.
Die zou dan zijn rol dienen te spelen tegenover de ouders.
Een acteur om alles op te vangen wat hij telkens diende te incasseren, en die daarvoor vergoed zou kunnen worden.

Of een advocaat – een tussenpersoon die hem zou verdedigen – iemand die de ouders zelf ook zouden respecteren.
Iemand die het voor hem zou kunnen opnemen, en naar wie wel zou geluisterd worden.
Die alle dingen in hun juiste verhoudingen zou kunnen herstellen.

Maar zo iemand was er niet.
Nergens, ook niet in de familie.

Zijn rol was uniek, enkel voor hem weggelegd en voor niemand anders.
Niemand kon, of mocht hem vervangen- of het voor hem opnemen.
Hij droeg het lot van de Eerstgeborene, aan wie het toekomst alleen zijn kruis moet dragen.

De anderen waren vreemden.
Alle anderen – ook zijn ouders.
Ze zijn – Gevels zonder iets daarachter- dacht hij.

2,

Niet spreken, was voor Sammy vanzelfsprekend.

Hij verkrampte in iedere situatie waar gesproken zou moeten worden.
Op school, wanneer het in de klas zijn beurt was om voor te lezen.
Aan het bord komen, te antwoorden, dan waren dat momenten van erge spanning.

Door te zwijgen kon hij voor zichzelf een levensruimte creëren die hem elders werd ontzegd.

Door te zwijgen kon zijn binnenruimte groeien naarmate ruimte rond hem verschrompelde.

Naarmate zijn vrijheid werd ingeperkt.

Blijkbaar hadden sommige klasgenoten daar eveneens moeilijkheden mee – Zij begonnen eveens te stotteren wanneer ze vooraan werden geroepen.
Voor één van hen – een meisje – was het dan zelfs onmogelijk om dan nog een woord uit te brengen… Toen de lerares haar had verplicht om toch een spreekbeurt te houden zoals de anderen, bleef het meisje weg van school.

Wanneer de schoolbel was afgegaan holde Sammy naar huis.
Er was dan niemand thuis – hij kon dan enkele uurtjes ongestoord doen wat hij wou.
Kon hij denken en dromen terwijl hij naar muziek luisterde in het huis met de gesloten blinden.

 

3,

Hij was op zijn kamer.
De gesloten overgordijnen lieten een grauwblauw licht binnen.
Hij lag op bed om te liggen en te denken.
Het huis was beladen met spanning – ieder samenzijn met de anderen is spanning. Vrij zijn is vrij zijn van de spanningen van de andere?
Afhankelijk, het droeve lot van de gesloten ouders en de diklippige broer.
Daarbuiten danste de wereld de zestiger jaren door.
The summer of Love.
Sammy hoorde iedereen buiten kermis vieren opgesloten in een kil en donker huis.

 

Wanneer de spanning te groot werd Sammy duizeling.
Het gebeurde ook dat hij flauwviel bij de dokter.
Wanneer het lichaam als onafwendbaar werd ervaren, als object, als kwetsbaar vlees dat hem gevangen hield dan ging het bezwijmen, ontsnappen, wilde zich uitwissen.

Sammy haatte het een lijf te moeten zijn, steeds ergens te moeten zijn, iemand te moeten zijn, gekwetst te kunnen worden, pijn te lijden, aanspreekbaar te worden, bepaald te zijn, bepaald te zijn door zijn lijfelijke aanwezigheid.
Het onvermijdelijke zijn tussen de onvermijdelijke anderen.

Het liefst had hij zich van zijn lichaam ontdaan.
Ontsnappen aan het lichamelijk omhulsel en de pijn die het kon meebrengen.
Zuiver licht zijn, dat wilde hij.
De wereld van uit het perspectief van een engel te kunnen bekijken.
Niet meer verplicht te kunnen worden om mee te doen.
Om voortdurend te moeten omgaan met anderen.

Gezien te worden.
Een identiteit te moeten hebben.
Te moeten strijden.
Voortdurend zijn emoties te moeten beheersen.
Zijn zwakten te verbergen voor anderen voor wie hij doorzichtig scheen.
Niet te wenen, niet angstig te kijken, niet te stotteren.
vlot te kunnen spreken wanneer hij dat moest.
(die woorden, waar haalde al die mensen hun woorden? Die ze zo vloeiend uit hun mond stroomden, alsof het hen geen enkele moeite koste –

Voor Sammy woog ieder woord zwaar als lood.

3.

Voor hem lag een foto van het oppervlak van de planeet Mars die door een ruimtesonde was genomen.
Een woestijn, een vlakte bezaaid met stenen tot aan de horizon.
Daar hoorde hij thuis, dacht hij.
Daar dwalen en nooit een mens moeten ontmoeten.
– Daar alleen zijn met mijn gedachten, dacht hij – omgeven door een eeuwige mist die de grond scheen uit te ademen.
Geen fysieke pijn meer, noch de angst ervoor.
De prik afwachten van de injectienaald – de onderwerping aan het geneeskundig onderzoek, de dwingelandij van de lessen lichamelijke opvoeding, de overheerisng van sport…

Het liefst wilde hij niet zijn, of niet meer zijn.
Niet meer voelen.

Hij viel in zwijm in het ziekenhuis, en zo wilde hij blijven.
Verdwijnen in duizelig suizen, niet meer bijkomen, niet meer wakker worden, aan geen verlangens meer te hoeven voldoen, niet meer te moeten voor anderen.
Hij wilde in dromen blijven vrij van iedereen en alle pijn.

In de school zonderde hij zich meer en meer af.
In de onpare klas was hij de enige die alleen aan de bank zat.

Sammy droeg steeds meer zwart of donkerblauwe kleren met rolkraag.
Zijn vet zwart haar, waarvoor hij zich schaamde, vormde plakkerige schilfertjes. En het begon en meer en meer uit te vallen.
Toen een kale plek aan de zijkant van het voorhoofd zichtbaar werd kamde hij zijn haar daarover.

Sammy had geen vrienden meer.
Moeizaam maakte hij contact met één of twee jongens uit zijn klas die even onhandig en harkerig waren als hijzelf.

 
De strijd om zelfvertrouwen verlegde zich van huis tot huis van plaats tot plaats-

De fladderende mot, de wachter, de cherub met vlammend zwaard.

Hij wist nooit hoe hij zich tegenover ouders of familie diende te gedragen.
Voelde zich steeds ongemakkelijk in hun aanwezigheid.
Hij haperde in een rol gedrukt – waarvan hij de tekst niet goed kende – dat onvermijdelijke stotteren wanneer iemand hem iets vroeg – en die onbeheerbare gelaatsuitdrukkingen, die spanning in die opgetrokken schouders.
Een onbestemde rol.

Tijdens familiebezoek veranderde hij een soort pop.
Een houterig marionet.
Die geen blijf wist met zijn ledematen en die de handen voortdurend in elkaar wrong.

Hij bewoog zich stram.
Hij zat ongemakkelijk en kon geen woord uitbrengen.
Hij had moeite met het luisteren naar wat de volwassenen rond hem zeiden – zijn gedacht dreef voortdurend af

Hij voelde zich een ledenpop die de ouders met zich hadden meegenomen om aan de familie te tonen.
En die nu hier proper en wel gekleed aan tafel zat.
Wanneer hij dan toch probeerde om een woord te zeggen werd dat onthaald spottende blikken. Of vroeg moeder in het midden van zijn zin of hij nog koffie wilde.

Aanzoeken – ongestelde vragen – eisen – vergen – verzoeken
zo klinken de stemmen die willen dat hij plooit.

Hij voelde zich een vlek.
Stemmen die niet willen
die verzoeken,
ondervragen
verstard temidden van de gezelligheid en de beweging buiten zijn stolp

Stemmen die hem gevangen houden.
Die willen dat hij achtergrond blijft, geruis, schaduw.

Slechts in muziek kon hij de enige stem horen die hij kon herkennen. De loeiende gitaar van Jimi Hendrix.
Pijn explosie – verdrongenheid uitschreeuwt.
Harde zuivere aanwezigheid van geluid – een hamer op een klok zinderende ratel. Een vlammende vlag strijkend over die de bonte massa.

Muziek werd zijn medium.
Het zoog hem diep op.
Het maakte hem onmetelijk.
Kon doordringen tot daar door waar woorden nooit konden komen.
Geluiden besnaarden hem.
Klank openbaarde.

Daarin woonde zijn innerlijke stem die nu waarachtig werd en alle sarrende geesten kon verjagen.

Beethoven in zijn strijd en zijn hart voor het volk,
En sombere elektronische muziek bracht hem in een objectwereld die verlost was van mensheid.

20 – De Kippenpoot

De hen met de gebroken poot

Door Iris Nachtelgaal

Oma en Opa woonden vlak bij de school.

Iedere middag zaten Sammy en Rudy bij de grootouders mee aan tafel.

Nooit was er rust voor deze oude mensen want de broertjes hadden er plezier in van allerlei kattekwaad uit te spoken. En ongehoorzaam te zijn.

Met een strijdkreet, de vork in de knuist stoten ze af op de pan met gehaktballetjes, of doopten hun frieten in spuitwater. Maar zee werden stil wanneer ze balletjes met appelmoes voorgeschoven kregen of Spaghetti met bruine suiker of fish-sticks.

Onder elkaar spraken ze een “eigen taaltje” een striptaal die onverstaanbaar was voor niet ingewijden.
Nochtans besteedden de grootouders veel aandacht aan tafelmanieren.

De houding aan tafel, het gebruik van vork en mes werd voortdurend bijgesteld.

Alles speelde zich af in de kelderkeuken van het grote herenhuis in het centrum van de stad.
De grootouders waren van eenvoudige komaf en het leek wel of ze niet dorsten van hun huis te bewonen. Als dienstknechten leefden zij in hun eigen huis. Alsof ze geen recht hadden op de volledige ruimte.

Daar in huis liepen er ook twee kippen.
Zij luisterden naar de namen Tik Bonifaas en Tjip Grootefloot.
Sammy en Rudy hadden elk hun kip als huisdier.
Bonifaas was een dikke witte kip en Grootefloot een bruin geschulpte.
De kippen logeerden bij oma en opa in de tuin.
Maar wanneer de broertjes kwamen mochten de kippen ook binnen.

Dan kregen ze wat toegesmeten van tafel zoals dat voor een hond had gekund.

Of ze zaten klagend te kakelen op de dwarsplank tussen de tafelpoten.
Op een dag brak Bonifaas haar kippenpootje.
Niemand weet nog precies hoe dat had kunnen gebeuren.
Toen bracht grootmoeder de kip naar de dierenarts die de poot in het gips legde.

Het beestje zat dan in zichzelf kakelend onder de eettafel met een slap kammetje de tijden van beterschap af te wachten.

Grootefloot en Bonifaas werden na hun lang leven in de tuin begraven.

Want zelfs kippen kunnen niet eeuwig blijven leven –

Later werden er kuikentjes aangekocht.
Die werden steeds groter en potiger, vooral hun kam groeide uit tot een  kaproenactig hoofdekseltje en aan de poten groeiden wratachtige bobbels spoedig uit tot sporen.
Dat waren geen kippen maar hanen! En die werden steeds maar agressiever.
De tuin werd prijsgegeven als hun territorium en iedereen die er kwam werd prompt door hen aangevallen.
Zodat het pluimvee nu moest worden opgesloten.
Zij kregen bieden een hok in de tuin dat vandaar het Kot in de Hof werd genoemd.

Ze kraaiden lang victorie

19 – Het Plein

“Sammy”

door
Anker Tong & Iris Nachtegaal

 

 

 

Wat denken jullie hier van:
“Sammy Vander Straet” door Anker Tong en Iris Nachtegaal?
– We werken nu regelmatig aan dezelfde hobby – of hoe zou je dit anders kunnen noemen?
Iris heeft eerder letterkundige talenten en meer psychologisch doorzicht dan ik.

Ik ben een zoeker – ik wil tot een slotsom komen, een omsluitend antwoord op de vraag waarom Sammy zweeg  – dit vraagstuk oplossen. (Wat erg overeenkomt met mijn beroep: problemen zien en ze oplossen, “depanneren” zeg maar.)

– Iris niet- zij wil uitdiepen en de zaak langs alle kanten kunnen bekijken.

Ze zegt dat we niet noodzakelijk tot een eenduidige beeld hoeven te komen

– “Hier kunnen verschillende waarheden naast elkaar bestaan, verschillende geschiedenissen die elk naar hun eigen waarde geschat kunnen worden…”

(Soms geloof ik dat ze meer met Sammy te maken heeft gehad dan dat ze voor het ogenblik bereid is om toe te geven – hoe intiem hebben zij elkaar wel gekend?
Och, zou dat belangrijk kunnen zijn?

Zoeken jullie mee naar verklaringen en duidingen?

Alle hulp is welkom!

Daarom is dit een blog, niet?

 

Het Plein

Door Iris nachtegaal

Sammy zit aan het open raam.
Het zomers avondlicht speelt breekbare schaduwen over het stationsplein.

Sammy kijkt naar de steeds terugkomende gezichten.
Hij kent ze allemaal. Voor hem zijn ze transparant.
Hij kan dwars door hen heen kijken. Hij kan voelen hoe ze in hun vel zitten.

De twee meisjes die steeds samen zijn – waarvan er één altijd een hoofddoek draagt.
De jongeman die aarzelend en gebogen alleen door het park loopt.
De man met zwarte glimmend gepoetste schoenen – de blik steevast op de straatstenen gericht.
En de één-kamer-bewoners van het café aan de overkant.

Sammy geeft ze allemaal een naam: Arie Ragebol, Pietje Vlam, De Maestro, Douwe Kwak, Stafke Mottenbol, Den Duits, de Kolonel,…
Sammy kan zien wie eenzaam is, wie uit psychiatrie is ontslagen, wie een misdaad heeft begaan, of zal begaan. Wie wanhopig is, wie harde tijden beleefd heeft, wie zijn leven opnieuw in handen probeert te krijgen, wie zijn vriend in vertrouwen neemt, wie niet bekeken wil worden, wie wantrouwig is, gehaast vol schaamte gebogen zich schuldig voelt, zelfgenoegzaam genesteld is.
Hij ziet wie willoos door het leven gaat, of lichtvoetig, of vertwijfeld…

Hoe intelligent ze kunnen zijn of niet.

De groepen waar iedereen in opgaat. De dronken soldaten ’s nachts of de vechtpartijen in het café aan de overkant.

Het stationsplein wordt zijn blik op de wereld van de volwassenen.

Maar nu is het stil rond het stationsplein, af en toe een ronkt auto.
Vakantiezomer.
Een trein ratelt over de sporen remmen krijsen stoom suist, geluiden sterven weg hijgend suizend zuigend zuchten schollend.

De geblokte vrouw met de spleetogen, die nooit lacht, borstelt de stoep voor haar winkeltje aan de overkant. Haar man met zijn veel te grote Canadese pet komt terug van de parkvijver. Hij draagt een rieten stoel en visgerief op zijn rug.

De buurmeisjes groeien dikke Maagdenburgse halve bollen onder hun lichte truitjes. De buurman laat zijn dochters wel lang zonder bh lopen zegt moeder.

Hij is een zware man met een zwarte walrussnor die langs zijn mondhoeken naar beneden loopt.

Sammy kijkt en zwijgt wanneer hij langs de meisjes stapt.

Op een dag begon er plots één van hen te schelden:
– “Smeerlap! Waarom zit ge ons zo aan te staren? Scheer je weg! Moet ge klop hebben!”
Het zijn potige meisjes met kort ros haar en dikke benen.
Sammy zei niets en keek beschaamd weg.

Ogen kijken niet alleen – zij leggen ook contact – dat kon hij maar niet geleerd krijgen.
Hij keek zonder zich er bewust van te worden dat zijn blik ook communicatie was.
Hij keek zoals een kind, starend uit verwondering. Uit eenvoud.
Maar iets in hem maakte dat die naïviteit nooit tot de anderen doordrong.
In zijn blik dachten ze vreemde dingen te lezen, geslepenheid, broedend op een plan, een afwachtende houding.

Nu schalt de schreeuwerige stem van moeder door het huis.
Hij weet dat dit uren zal doorgaan.
Soms vraagt hij zich af waarop ze niet probeert van te zingen.
Het lijkt hem allemaal zoveel verloren energie en het is zo storend.
Zij schreeuwt tegen vader die het weer gelukt is van haar op stang te jagen.
Sammy weet dat vader dan onbeweeglijk blijft.
Haar stom aankijkt zonder één spier van zijn gelaat te verroeren. Of haar een kort gedempt antwoord toesnauwt.

Sammy stopt zij oren dicht met de vlakke handen.
Hij gaat op bed liggen.
Zucht, kijkt lang naar het plafond.
Zoekt dan de bakelieten koptelefoon die pijnlijk spant om de oren en luistert zo naar zijn muziek.
Het bandopnemertje speelt kosmische muziek.
Sammy luistert, denkt en kijkt.

Popmuziek is nieuw voor Sammy.
Vader is gekant tegen popmuziek en moeder wil geen enkele muziek horen.
Alles moet stil zijn – Haar “muizen-oren” verdragen geen enkele klank.

Sammy stelt scherp op zichzelf.
Kijkt.
Neemt zichzelf waar als een object – als iemand anders.
Hij probeert naar zichzelf te kijken zoals anderen hem zouden zien.
Dit wil zeggen met woorden van de anderen.
Hij is wat de anderen van hem denken – en toch ook weer niet.

Hij is wat hij voor zichzelf is.
En het zijn de anderen die dwalen.
Die houdt hij wat voor, zodat hij door hun identiteitscontroles kon geraken.
Sammy wil aan niemand blijven hangen of haperen.
Maar hij moet wel naar school of op familiebezoek.
Zou hij ook vrienden kunnen hebben?

Sammy heeft weinig vrienden.
Zijn broertje Rudy des te meer.
Wanneer de verjaardagsgeschenkjes op tafel laatst werden uitgestald was de salontafel vol cadeautjes voor Rudy van vrienden en buren.
Maar toen Sammy’s verjaardag kwam bleef de tafel nagenoeg leeg.

Sammy kijkt naar een wereld waar hij zich niet in kan plaatsen.
– Iedereen kijkt vanuit zijn eigen cinemazaal –
Iedereen heeft een eigen donkere kamer. Iedereen speelt een rol in de film van iemand anders- en anderen spelen een rol in je eigen film – Denkt hij, liggend op bed, starend naar het plafond.
– Iedereen reflecteert iedereen. Iedereen vormt een schim voor iedereen, een schaduw in een grot –

En waar is dan het centrum?
Is er wel een centrum?
Is de wereld rond mij wel echt? – denkt Sammy – of leef ik in een droom van de anderen?
Misschien vormen ze een samenzwering, die anderen? Misschien weten zij wel alles.
Misschien kijken ze wel van hoog boven naar mij? Vanaf een onzichtbare plaats, van achter een doorzichtige spiegel.
Misschien maak ik deel uit van een psychologisch experiment. Zoals een rat die haar weg moet zoeken door een doolhof.
Misschien bestaat er niets van dit alles alles.
Misschien word ik voortdurend geobserveerd.

Misschien…

18 – De Geboorte

Iris en ik zitten hier nu regelmatig samen om de “erfenis van Sammy te verdelen”.

We hadden enkele oude röntgenfoto’s gevonden.
Toen we deze tegen het licht hielden konden wij duidelijk een baby onderscheiden die nog in de buik zat.
Het opmerkelijke eraan was dat de navelstreng zich blijkbaar rond de hals van de foetus had gedraaid – (het zijn erg oude foto’s – ze zijn niet bijzonder scherp)
Er lagen ook nog enkele familiefoto’s bij.

Iris Nachtegaal heeft deze gegevens over Sammy’s geboorte samengevoegd en geromantiseerd in de volgende tekst:

1,

Middernacht
Sterrenparels vallen uit het hemelzwart.
Zij druppelen, gorgelen, worden opgeslokt door de duizenden kelen van afvoerbuizen.
Glinsterend stippelen zilveren regendruppels onder wiegende straatlantaarns, verstarde cyclopen die neerkijken over de glimmende verlaten straten.

De daken van Grauwegomme glanzen onder een aanhoudende regen.
Een voordeur gaat open.
De  gestalte van een jonge man verschijnt in tegenlicht.
Hij draagt een alpin en een bleke regenjas met opgeslagen kraag.
Hij brengt een fiets naar buiten .

Victor Vander Straet fietst door de druilerige nacht naar het kerkplein -daar wachten taxi’s – zijn vrouw staat op het punt te bevallen.
Zij gaat bevallen van hun eerste kind!

“Verantwoordelijkheid! weer een nieuwe verantwoordelijkheid op mijn schouders, en als dat maar goed gaat!”
Regen slaat hem in het gezicht.
De fiets slipt af en toe op de gladde kasseien – spat hoog op door de plassen. Victor voelt niet – hoort niet – wil enkel vooruit – zo vlug mogelijk  doorzetten – want iedereen wacht op hem.

De taxi’s staan aan het eind van de laan.
Knorrende diesels, muisgrijze bolhoedvormige wagens.
Niets daarvan ziet hij, niet de regen, noch de straten enkel deze taak die voor hem staat.
De verantwoordelijkheid voor de nieuwkomer, een meisje of een jongen, een zoon of een dochter, de zorg, de vijand, de redding, de naam
– wat diende – wat moest van de pastoor het geslaagde huwelijk
– de kinderwens van zijn jonge vrouw – zijn toekomstig vaderschap.
De ronde zwarte auto bracht hen beiden naar het ziekenhuis.
Zij zwijgzaam verkrampt.
“Hebt ge zeer?” vraagt hij haar – zij knikt neen en houdt de lippen op elkaar geperst haar gelaat is strak en bleek .
Zo heeft hij haar nog nooit gezien.
Nu moet hij zich sterk tonen, zij hangt van hem af. Alles hangt van hem af zoals gewoonlijk – Een duistere stad verschuift onpeilbaar achter beregende ramen. De ruitenwissers huilen.
– Nog eventjes zegt hij we zijn er bijna – fluistert hij
Strak en wit staat het hoge bed klaar – met daarnaast een bazige verpleegster.

2,

Hij mag niet bij het kraambed.
Hij wacht op de gang en hoort de dokter tegen de verpleegster fezelen dat er iets zeldzaams aan het kind te zien is.

Is het de navelstreng – die als een strop rond het halsje geknoopt is?

De vroedvrouw grijpt de pas geborene aan de voetjes vast, met de kop hangend naar beneden. Het kind spartelt als een vis.
Dan kletst ze op de billetjes.
Lucht stroomt voor het eerst door de longen en de baby.
Sammy huilt om zijn eerste wereldse ervaring.

3,

De foto’s laten een gelukkige moeder zien omringd door de familieleden met glunderende blikken.
De ouders wilden een moderne korte Engelse naam: Sammy
Sammy werd een gemakkelijke baby.

Het gebeurde wel eens dat hij  ‘s nachts weende.

Maar wanneer dat te herhaaldelijk voorkwam dan weerhield Victor zijn vrouw om weer uit het bed te klimmen –
“Hij speelt met uw voeten!” zei hij – “Nu is het genoeg! Ge zij daarnet al geweest!”
Het wenen van Sammy stopte na enige tijd en bleek na enige duur steeds te verminderen, niettegenstaande de baby  ’s nachts verschillende keren wakker werd.

Het kind bleef dan in het donker staren zonder nog te huilen of enig ander geluid te maken.
En een warmte voelde op zijn borst – die van zijn eigen hand.

16 – De Tape

In een metalen doos heb ik een reeks oude cassette tapes gevonden
en een apparaatje om ze af te spelen.

De meesten bevatten een vreemdsoortige muziek – maar op enkele ervan zijn ook stemmen te horen
– Het is moeilijk uit te maken of de opnames werden gemaakt tijdens telefoongesprekken of wat hun eigenlijke oorsprong zou kunnen zijn.

Deze bandjes zijn in slechte staat.
Ze houden niet de juiste snelheid – of zou ook kunnen zijn dat het aan het toestel ligt?

Op deze hier zijn twee stemmen te horen
– de heldere melodieuze stem van een jonge vrouw en de diepere, iets nasale stem van een oudere man. Deze mannenstem komt mij om de een of andere reden toch bekend voor maar toch kan ik haar niet thuisbrengen – Toeval?

-Zij: Ben je bij hem al thuis geweest? Hij woont in een groot herenhuis met antieke meubels. Dat was het huis van zijn grootouders geloof ik…

-Hij (met stemverheffing): Och, hij is een profiteur! Hij heeft alles te danken aan zijn ouders. Hij heeft wel drie keren geprobeerd om iets te studeren en altijd maar mislukt en vader maar betalen! Hij heeft het zeer gemakkelijk gehad. Hij heeft nooit geweten wat hij wil altijd profiteren en nu werkt hij niet.
Eerst het ene dan het andere. En nu staat hij aan de dop!

-Zij (zachte stem verder van de microfoon): neen zeg, hij werkt nu bij de (onverstaanbaar)

-Hij: Bij de (onverstaanbaar) wel! Hij heeft drie jaar zijn kloten geschuurd als hij nu zijn stiel nu zou kennen!

-Zij: (onverstaanbaar gekras) -Ja zijn vader heeft daarvoor gezorgd.(onverstaanbaar)

-Hij: ja vader heeft weer alles in zijn plaats gedaan! Hij heeft het weer in de hand genomen, wanneer het van hem had afgehangen liep hij nog steeds over straat, werkloos of had hij weer wat aangevangen, zeg van hem zou ik iets krijgen, ik kan geen luieriken of profiteurs uitstaan! Als ik zie wat ik allemaal heb moeten doen om aan werk te geraken.
En hoeveel ik moet betalen voor die doppers!

-Zij: (onverstaanbaar, een krassend geluid, een geruis op de achtergrond)
Hij is een kunstenaar, hij maakt schilderijen..

-Hij: Hij Kunstenaar! Een artiest van mijn voeten ja! Wie zegt dat dat iets betekend wat hij daar doet? Heb je dat geklieder al eens gezien?
Dat kan iedereen! Ja ik weet dat hij schildert, en wie daarvoor weer zorgt. Eén en al politieke spelletjes, weer relaties! Weer eens mensen waarvan hij kan profiteren, die hij in de luren legt. Het is omdat die (onverstaanbaar) hem wil helpen, dat hij tentoonstellingen krijgt. Niet anders! Politiek. Zo een beetje met verf kletsen zoals die doet dat kan iedereen. (onverstaanbaar)
Hij doet maar op zonder te weten waar hij mee bezig is.
Hij rotzooit zo maar wat aan.

-Zij: (onverstaanbaar) Er wordt wel over gesproken in de school.

-Hij: Ja, dat zijn daar nogal artiesten! Vrouwen van dokters en notarissen en zo’n profiteurs die niet moeten gaan werken en hun man maar geld binnen brengen en zij zijn zoals hij die denken dat ze “artiest” zijn – ’t is allemaal van willen maar niet kunnen. Lui die niets anders kunnen dan profiteren! Zijn vader had gelijk, die zei dat hij beter bij de (onverstaanbaar) diende te gaan omdat daar iedereen bij gaat die lui is of niets kan. De halve dag op een plein staan rondkijken. En nu bij (onverstaanbaar), echt iets voor hem, luieriken!

– Zij: (heldere lach) haha! Maar de vrouwtjes zien hem wel graag.

– Hij: (onverstaanbaar) smalend: Ja, Hij heeft vooral succes bij oudere vrouwen

– Zij: Hij gaat veel weg met (onverstaanbaar, een naam met een a aan het eind Ina? Rita? Tina?).
– Jij, je bent jaloers!

-Hij: ik jaloers, dat zal wel! (onverstaanbaar) Ik heb tenminste gewerkt voor wat ik heb – De nietsnut! De profiteur met zijn luxeleventje, hij zou eens wat moeten meemaken (onverstaanbaar tot op het einde van de tape)

15 – De Jager

1,

Grootvader leerde mij sporen lezen.

Wanneer we gingen wandelen leerde hij me telkens letten op allerlei tekens:
aangevreten bladeren, gebroken takjes, uitwerpselen…
– Ze vormen telkens een spoor dat je onmiskenbaar zal leiden naar een bepaald dier – indien je ze juist hebt leren interpreteren.
Van zodra je een spoor gevonden hebt laat het je niet meer los.
Je ziet dan het dier voor je geestesoog – alsof het reeds daar voor jou staat.
– Je voelt niet wanneer wanneer je iets op het spoort bent – je bent daar zeker van.
De jager weet zeer goed aan wat hij zich mag verwachten. Zelfs de gestalte, de leeftijd van het beest, zijn gewicht – Dat beeld tekent zich duidelijker en duidelijker af naarmate hij verder in de sporen volgt..

In het bos kon grootvader steeds aanwijzen welke richting je diende uit te gaan en welk dier precies je daar zou aantreffen.
– Het bos was voor hem een soort “menukaart” zou je mogen zeggen.

Geen Westerling gelooft dat.
Ik weet dat dit aan jullie Europeanen heel moeilijk uit te leggen is.
Wij hebben zo iets als “voeling met de aarde”.
Een begrip dat ik hier slechts moeizaam kan omschrijven.
Het is zeker niet te verwarren met de romantische voorstellingen die jullie daarvan maken.
Het bestaat uit een intuïtieve zekerheid – een buikgevoel zeg maar – dat je vertelt in welke richting er voedsel te vinden is.
Welke plaats je moet kiezen om een kampement op te slaan of je hut te bouwen of je gebedsplaats – of waar je een graf moet delven.

De geesten kiezen hun plaats – dat kan je niet van dingen zeggen.

Maar die oude kerken van jullie waarom zijn die opgericht daar waar zij nu staan?

Hoe kon men destijds bepalen waar dat diende te gebeuren?

Hoe werd een plaats gewijd? Gekozen? Door wie en waarom?

Misschien is het daarom dat ik mij zo tot kerken aangetrokken voel – al dat i niet kan zeggen dat ik gelovig ben…

Maar vandaag is dat helemaal verdwenen

Hier in Europa wordt nu alles geregeld door ruimtelijke ordening, of de wilde ideeën een projectontwikkelaar.
Vandaag heeft men zelfs niet het flauwste benul waarover ik hier beschrijf – en ik weet dat – maar onze jagers die kennen dat nog!
Niet die jagers hier die schietgraag en luidruchtig het wild tussen twee autostrades opjagen.
Maar mensen die ooit lang in de beslotenheid van de natuur hebben geleefd of daar zijn geboren en opgegroeid zijn – die weten dat ongetwijfeld.
Het “instinkt van de jager” zeg maar – heeft iets te maken met kennis, maar evenveel met intuïtie en je toch kan je niet zeggen of het nu ene is of het andere is…

 

Het gaat zo:
Je blik valt onwillekeurig op een afgebroken tak – het is dan alsof je ogen je wenken.
Eerst twijfel je – dan vraag je je af: Heb ik nu wel goed gekeken?
– Maar wanneer dan andere sporen aantreft die eerste indrukken bevestigen, dan weet je met zekerheid wat er is.
Een geoefend jager weet ook precies wat hij opspoort.
Hoe meer je dat doet des te beter weet je naar wat te kijken wat je mag verwachten.
Een jager begeeft zich niet naar zijn prooi – Hij wordt naar zijn prooi toe gedreven.

2,

Vader werkte bij de kolonisten.
Hij had nooit meer gejaagd in zijn volwassen leven.
Maar zijn vader – mijn grootvader – die was een groot jager.
En hij heeft veel daarvan naar mij overgebracht.

Niet dat we veel dieren hebben gedood, dat zeker niet!
Dat mocht toen trouwens niet meer van de kolonisten.
– Wat die dan weer met dieren deden was ons een raadsel.
Ze in kooien bewaren? Waar was dat goed voor?
Waarom een beest zijn vrijheid ontnemen als je het niet opeet?
Een dier opgesloten in een kooi lijkt wel een mens.

Wij leerden voor de natuur respect te hebben en haar te vrezen.
Wij leerden voor haar te zorgen. En we wisten dat je nooit het recht hebt van haar zonder grondige reden te nuttigen.

Wij hadden waardering voor de natuur maar op een heel andere manier dan de Engelsen.
Wij waren genadig met de dieren en namen van hen enkel dat waar we behoefte aan hadden.
Niet meer, maar ook niet minder.
En we vroegen telkens om vergiffenis aan het wilde zwijn alvorens we het opaten.
– We hadden daar trouwens een gebedje voor – ééntje nog van voor onze missietijd dat aan de kinderen werd geleerd, omdat het kort was en fijn rijmde en geheimzinnig fluisterend kon worden uitgesproken.

3,

Grootvader kon niet geloven dat er zo iets bestond als “vleesindustrie” daar walgde hij van!
– Bijna zo heftig als toen de missionaris die films in onze parochie had vertoond over de oorlogen in Europa en de concentratiekampen.
– Ik was toen erg jong en ik heb zelf die beelden nooit gezien – maar ik herinner mij heel goed hoe diep grootvader daarvan was aangedaan, hoe hem de tranen hem in de ogen stonden. Zo’n wanhoop had ik in zijn blik nooit eerder gezien…
– Grootvader geloofde dat de hel werkelijk bestond en in Europa lag.
Europa leek ons het continent van de onderwereld.
De hel, zoals die door de missionaris werd voorgehouden – waar de zondaars in het eeuwige vuur werden gedoopt – die verschrikkelijke beelden van gedrochtelijke muilen die zielen opslokken – Die hel had een plaats op aarde en die plaats heette Europa – Hij geloofde toen weer eventjes dat de kolonisten die demonen waren die uit de onderwereld kwamen teruggekomen.

Duitsers kende hij helemaal niet.
Die waren nooit tot onze streken doorgedrongen – zelfs niet tijdens die oorlog.
Waarschijnlijk is het ons geluk geweest dat we van de kust door een hogen bergketen en een jungle  waren afgesloten –

Bij ons waren de Engelsen maar in kleine getallen toegekomen – met mondjesmaat.
Grootvader vertelde herhaaldelijk over die eerste keer toen hij ze zag. Hij was toen zelf nog een kind wanneer enkele blanken voor het eerst in onze streken verschenen. De dorpelingen dachten dat zij zielen waren die uit de onderwereld waren teruggekomen.
– Ze zagen er bleek uit en afschuwelijk zoals je van lijken mag verwachten – één van ons herkende zelfs zijn overleden oom.

Maar toen het ons duidelijk werd dat dat niet zo was – dan vonden wij hen vooral grappig en interessant.
Gestreden is er nooit geweest.
In ons dorp is nooit één schot gelost geworden. Tenzij dat ene door die Engelsman, die het nodig vond de werking van zijn geweer op een varkentje te demonstreren.
– We dachten toen even dat hij de donder beheerste.
Waarschijnlijk was hij zelf angstig geworden. Maar wij zijn nooit echt bang voor hen geweest.
We onthaalden hen als mensen die verdwaald waren in de jungle en hulpbehoevend waren. We geven ze te eten en verzorgden de gewonden.   We lachten vooral veel met hun kinderlijke onwetendheid en onhandigheid – hoe zij zich soms aanstelden als voor dingen die bij ons heel normaal waren- terwijl ze zich tegenover  echt gevaarlijke dingen er onvoorzichtig konden zijn.
We haalden daar dikwijls ons voordeel uit. Vooral bij de antropologen die kwamen om ons te bestuderen – daar haalden we de meeste grappen mee uit- daar bestaan heel wat lollige verhalen over.

4,

Mijn vader had zijn jagersinstinct helemaal verloren.
Hij wou geld verdienen in het mijnbedrijf. Delven naar wat men toen de “zwarte diamant” noemde.  En waarnaar onze streek toe werd genoemd.  Ik zag vader iedere morgen vertrekken gekleed in een driedelig pak met lederen aktetas onder de arm en een bijzonder ernstige gelaatsuitdrukking.

Maar doordat ik veel met grootvader op stap kon gaan werd dat instinkt bij mij wel wakker gehouden.

Dat voel ik nu terug.
Vreemd genoeg bij het lezen van deze teksten van Sammy
– Het is alsof ik sinds lang weer een spoor kan ruiken!

Iets zegt de jager in mij om verder te gaan – de afdrukken te volgen – en hoe langer ik ze volg hoe duidelijker Sammy voor verschijnt.

Maar iets doet mij aarzelen want ik weet tevens – met even grote zekerheid – dat er iets onheilspellend, iets dreigend in het centrum van dit doolhof  wacht.
Iets waarvoor ik moet waarschuwen?
Iets donker als een dichte wolk die haar schaduw over het land legt.

14 – Het Doolhof

1,
Geen plaats kan zo gezellig zijn wanneer het te warm is in de stad dan een koele kerk.
Ik ben binnengegaan om even te kunnen rusten.
Vanuit een enorme koepel boven de klokvormige witte ruimte stroomt rijkelijk het licht.

In de missiepost in mijn thuisland leerden wij de betekenis kennen van die arme man, op balken gespijkerd, die we daar overal afgebeeld zagen.
Ik heb altijd medelijden met hem gehad – wat moet hij toch geleden hebben!

Het zonlicht straalt heftig door de open kerkpoort naar binnen.
Eén na één komen een lerares gevolgd door haar klas de kerk binnen.
De leerlingen gaan in een groepje om haar heen staan.
Zij geeft fluisterend uitleg terwijl wijzend naar de witte en zwarte tegels op de vloer.
Nu pas merk ik dat deze tegels een doolhof vormen – zo een beetje zoals die in de kathedraal van Chartres.
De pubers worden uitgenodigd het parcours te volgen.

Ieder op zijn manier begint dan te doen wat is opgedragen – de ene speels en springend, de andere mechanisch, de andere beschaamd, af en toe ingehouden giechelend, de ander weer alsof het een breakdance betrof – en de leerkracht volgt – bijna zoals het moet – volgt zij het tracé van het doolhof.

En ik denk:

Er zijn de voorgeschreven regels, de regie en de ervaring.
Hoe je iets doet, welke inhoud je aan iets geeft
Hoe sterk je een maatschappelijke rol eigen hebt gemaakt
Hoe goed je kan veinzen – of geleerd hebt van dat te doen.

En hoe het moet – van binnen naar buiten
en hoe het niét moet – “doen alsof”

Zouden we het doen als het voorgeschreven is?
Onze eigen passen zetten we zoals we die willen zetten – en kunnen.

Bestaat er een goddelijk punt waar alles op zijn plaats valt na de dood – vanwaar we al onze daden kunnen overzien?
Eén perspectief vanwaar we zouden mogen overschouwen hoe alles uiteindelijk in de plooi valt – Dat alles voor de eeuwigheid is, zoals het hoort te zijn…

2,
Tot voor de kolonisten bij ons toekwamen werd onze wereld beheerst door verschillende goden.
Dat was gemakkelijker om het kwaad een plaats te kunnen geven
– er was altijd wel een God in het spel die niet deugde waardoor alles weer misliep…
Maar sedert de kolonisten kwamen was het daarmee gedaan.
We kregen geneeskundige verzorging, een pater en missiezusters en oude Engelse films op zondag samen met één God.
Amen en uit was het met alle Andere.

Die goden zouden mij nu het gemakkelijker kunnen maken om te begrijpen wat ik hier lezend ontdek. Ik bedoel in die teksten van Sammy Vander Straet…

3,
De strijd van Goed tegen Kwaad.

Hoe zou één God dat kunnen toestaan?
Hij zou ook kunnen verlichten wat ik hier ontdek op één manier
– “één lezing, één interpretatie, één waarheid
Maar dat blijkt hier niet mogelijk
– je kan deze teksten op verschillende manieren lezen en bekijken.
Er lopen verschillende waarheden door elkaar, zoals hier nu de passen van deze leerlingen door dit doolhof.

Verschillende goden – zoals die waar mijn grootvader in geloofde niettegenstaande hij naar de mis ging op zondag.
– maar dat deed hij waarschijnlijk om de films die achteraf vertoond werden?

4,
De wereld had Sammy een plan voorgeschoteld waarin hij zich niet kon vinden.
De enige mogelijkheid die er voor hem bestond was deze de komedie mee te spelen.
Doen alsof – en dat zolang te rekken tot wanneer het gedaan was, tot het voorbij was, tot de bel ging en hij weer naar huis kon gaan.
Enkel alleen dan kon hij vreugde vinden.
Alleen kon hij zich vrij en veilig voelen, kon hij uitgebreid naar muziek luisteren of lezen.
Enkel daar waar hij de druk van anderen niet hoefde te voelen kon hij gelukkig en rustig zijn.

Maar anderen waren er steeds en overal.
Daar was geen ontkomen aan.
Dan werden de andere hem – en hij werd dan de andere.
Doordat hij en zij bepaald werden in ieder gesprek.
In ieder woord werd hij gewogen en geplaatst, met ieder doen dat door de anderen bekeken kon worden werd hij geïdentificeerd.

In ieder doen werd hij bepaald.

In ieder doen lag zijn identiteit.
In ieder doen openbaarde zich zijn wezen zoals het door de anderen werd gezien.
Vastgenageld. (zoals die man op dat kruis hier voor mij)

Iedere ontmoeting werd een definitie, een rol in een spel, een toegewezen taak, een stolp over zijn denkvermogen, een stem die zo hard krijste dat hij niet meer in staat was van te denken of naar zichzelf te luisteren, en enkel nog kon horen.

5,
De wereld is een gevangenis.
Iedereen is daarin de gevangene van iedereen.
Door de kijkende, loerende, bezwerende, foeterende anderen
de autoritaire anderen, de anderen die niet begrepen, niet voelden…

Die bevelen schreeuwden, oordeelden,
Die rechters waren.
Die alles van boven af volgden, hun eisen stelden, zegden hoe het moest, wanneer het moest en ook wanneer het diende te stoppen,…

…Onder de aandacht te zijn, beheerst en overheerst te worden.

Het liefst had Sammy gehad dat ze allemaal verdwenen.

Ik dacht soms aan dat zwart wit filmpje uit de jaren ’50 dat ik als kind had gezien in de cinema van de missiepost:
– Van die bankbediende die zich in de kluis tijdens de middagpauze had teruggetrokken om ongestoord te kunnen lezen terwijl buiten de alles, heel de wereld door een ramp werd weggemaaid.
Hij was de enige overlevende –
Er waren geen eigendom meer op aarde want alle eigenaars waren verdwenen.
Hij beschikte nu over alle goederen ter wereld en alle tijd en alle bibliotheken ter wereld met de duizenden en duizenden boeken die hij nu ongestoord kon lezen.

Maar voor Sammy was er steeds iets dat hem tegenhield.
– iets dat hem verhinderde van alleen en rustig te kunnen zijn –
een orde, een bevel, een oproep, een plicht.
Een stem die aan hem knaagde.

Alleen op de wereld.
De wereld van enkel dingen.
De wereld zonder wezens die plichten opeisen, kwellen, vernederden, uitlachen.

Het geliefde maanlandschap.
Verlaten tot ver achter de horizon.
Ongestoord slapen, en dromen,
Ongestoord ontwaken,
Ongestoord kijken en luisteren.
Ongestoord zijn.

Zich tot zijn eigen waarde verheffen, en alleen daar zijn om dat te doen.
Zich te kunnen concentreren op wat hij zelf wilde.
– Op wat enkel hij wilde…
Zonder storend gerucht om hem heen, zonder lawaai, zonder geblaat, gezwets of gekrijs van een stem.

Geen enkele andere stem dan de innerlijke, zijn innige gesprekspartner,
– Zijn eeuwige kameraad.
Wie was dat?
Van waar kwam deze stem vandaan?
Die aan de innerlijke telefoon – die luisterde.
Die hem steeds verstond…