29 – Vaderloze vaders

Gisteren avond had Iris ons uitgenodigd op spaghetti met een flesje wijn.

We bleven lang napraten – de kinderen waren reeds naar bed.
We zaten met ons drieën aan de ronde tafel in haar eetkamer, waar iedere wand van beneden tot boven is bedekt met boekenrekken en schilderijtjes.

Iris heeft geen internet noch computer- (Ik vraag me soms af of ze wel elektriciteit in huis heeft, want meestal branden er kaarsen- toch wel! – want er was muziek – krassende vinylplaten uit de jaren zestig en zeventig uit fel gekleurde hoezen.)

Het was aangenaam – Maria-Letizia geraakte erg geïnteresseerd in haar uiteenzettingen. We hadden het onder andere over Sammy – Iris vertelde honderduit over wat ze gelezen en ontdekt had.
Ze heeft een theorie rond Sammy ontwikkeld.

Ik zal zo goed als mogelijk hier proberen haar standpunt weer te geven.

Volgens Iris moet je de teksten van Sammy tussen de regels lezen.

– Het is dat wat er niet staat waar deze eigenlijk om gaan.

Je dient ze te bekijken als een soort fotografisch negatief – beweert zij – In die zin, dat de eigenlijke inhoud telkens deze is die wordt verzwegen.
Iedere tekst staat eigenlijk voor wat anders, namelijk deze verzwegen context.
Dat wat is weggelaten.
Je moet zijn teksten dus “omkeren” om te beter kunnen begrijpen – zoeken naar de witte plekken – naar dat wat niet gezegd wordt.

Sammy deed dat niet opzettelijk – hij was gewoon zo – door de dingen te benadrukken, door er te willen over schrijven wou hij wel iets kwijt.
Wat hij eigenlijk kwijt wou, dat kon hij niet direct zeggen direct, maar zit aan de achterkant verborgen.

En dat precies, wil Iris ontrafelen – daarom herschrijft zij zijn teksten vanuit haar invalshoek.
Die benadering is intuïtief – Ik volgt wat ik hier sterk aanvoel– zegt ze.

volgens Iris kan het vraagstuk te ontrafeld worden door aan te vatten bij de ouders van Sammy.
– wie waren zij?
– wat was hun verleden?
– hoe gingen zij met hem om?

In de geromantiseerde vorm die ze van zijn teksten brengt, laat zij zich soms inspireren door litteratuur.
Er is heel wat geschreven hier in het Westen, over enkelingen – die door hun existentie dolen.
Ze heeft gisteren ook enkele schrijvers opgenoemd waarop zij zich inspireert, maar ik ben hun namen vergeten.

Maar laat mij beginnen met haar uiteenzetting:

Sammy’s ouders groeiden op tijdens de oorlogsjaren.
Volgens haar kan Sammy geen alleenstaand geval zijn, maar het teken van het opgroeien van een hele naoorlogse generatie.

Volgens haar zou dit vooral kenmerkend zijn geweest voor jongeren uit gezinnen van zelfstandigen en hun kinderen die deel uitmaken van de generatie die tijdens de oorlog is opgegroeid.

Hun vaders waren afwezig in die moeilijke tijden, of toonden zich onder de beringen die iedere oorlog en bezetting met zich meebrengen, als zwakke figuren. De last en de verantwoordelijkheid om de zorg voor het gezin kwam daardoor op de schouders van de jongeren terecht kwam.

Dit zou zich vooral hebben voorgedaan in Duitsland na de oorlog.
Een groot gedeelte van die generatie jongeren bestond uit kinderen van gesneuvelde vaders.
Vooral de oudste zonen uit die gezinnen werden getroffen door het ontbreken van een vaderfiguur.
Daardoor werden zij belast met de verantwoordelijkheid voor het gezin.

Iris noemt deze kinderen “geparentificeerd”.
Dat wil zeggen dat ze in plaats van de noodzakelijke zorg voor een kind te ontvangen – zelf met de verantwoordelijkheid voor de ouders werden beladen.
De rollen waren dus omgekeerd.
Ze werden te vroeg, en met te veel verantwoordelijkheid opgezadeld waardoor hun jeugd hun werd ontstolen.
Soms gaan ze later lijden aan psychosomatische aandoeningen zoals migraine of anorexie omdat hun lichaam daardoor de zorg symbolisch kan opeisen waaraan ze tekort hebben geleden.

Maar aan de andere kant verschaft deze verantwoordelijke positie de opkomende jonge mens een groot voordeel:
Hij krijgt macht over het gezin.
In plaats van een kind te zijn dat moet gehoorzamen, wordt het gezin van hem afhankelijk. Hij wordt degene die lakens uitdeelt.

Deze jongeren verwerven een machtspositie.
In Duitsland kon je dat kort na de oorlog goed zien in het straatbeeld: opgeschoten pubers die rookten, een pak aan hadden en zich gedroegen als kleine volwassenen. Die bazig deden en zich thuis konden ontpoppen tot kleine dictators.

Maar de probleem komen vooral daarna – die worden overgedragen op de volgende generatie –
Wanneer de vaderloze vaders zelf kinderen zullen krijgen!

Deze vaderloze vaders kunnen hun eigen rol moeilijk inschatten. Overdrijven met gehoorzaamheid en discipline te eisen en ervaren hun zoon als bedreigend.

Met een dochter ligt dat nog wat anders.
Het probleem duikt dan vooral op wanneer de meisjes pubers worden.
Wanneer er jongens aan huis komen.
Deze vaders werpen zich op als concurrent voor de man van hun dochter. Meer dan gewone vaders dat wel eens zouden kunnen voelen.
Als opponent – omdat de vaderlijke positie van zorgverlener in gedrang komt en doordat deze vaders geleerd hebben dat dat hun eigenlijke rol binnen het gezin is.
De vaders hebben te kort gekomen aan zorg en affectiviteit en hebben hun plaats opgeëist door hun nuttigheidswaarde zou je kunnen zeggen.
De dochters voelen deze woordenloze spanning onbewust aan, en gaan zich tegen hun geslachtelijke groei verzetten.

Vaders die uit hun zorgende rol dreigen te vallen, vrezen met hun plaats in het gezin te verliezen.
De vader dreigt zijn identiteit te verliezen – of door de man van zijn dochter.
En dat maakt dat hij zich verzet tegen iedere stap van zijn zoon of dochter naar onafhankelijkheid.
Zulke vaders zijn in zekere zin autoritair zonder streng te zijn.
Zulke vaders willen afhankelijke gezinsleden – waarover ze zuchtend zullen zeggen: “waar zouden jullie staan wanneer wij er niet waren voor jou?”
– “Wat zouden jullie zijn zonder mij?”

Dochters kunnen gaan lijden aan anorexia nervosa, indien zij niet lesbisch geaard zijn- want het naar huis brengen van een meisje in plaats van een jongen kan evenzeer optreden als een vorm van gehoorzaamheid aan het vaderlijk verbod. Ze worden nooit echt zeker van hun sexuele voorkeur. En kunnen het geluk niet vinden die andere meisjes in lesbische relaties wel aantreffen.

Sammy moet de zoon van zo’n vader geweest zijn – hij gehoorzaamt in ieder doen aan het vaderlijk verbod om NIET te zijn. Om te zwijgen, niet deel te nemen, afhankelijk te blijven.

Hij wil niet zijn, niet spreken, zijn aanwezigheid niet tonen. Letterlijk soms af-wezig zijn, “zich uitwissen”, als het ware,  om de vader in zijn centrale glorificerende rol te blijven eren.
In zijn zwijgen toont hij zijn trouw aan de familie.

Er is bij zo’n vader eigenlijk geen plaats voor een oudste zoon – omdat zij vanaf de geboorte zullen vrezen dat deze zoon hun plaats zal willen innemen. Op dezelfde manier als zijzelf hebben gedaan tegenover hun (afwezige) vader.

Ze beleven het Oedipus verhaal in omgekeerde zin – in plaats dat de zoon die de vader ervaart als weerstand en voorbeeld, is het de vader die in zijn zoon een obstakel ziet.

Het wordt nog veel ingewikkelder doordat alle normale fazen van het groeiproces hier zich anders zullen voordoen dan in een normaal gezin-

Alles wordt problematisch – iedere stap om groter te worden wordt tot een probleem gemaakt.
Alles wordt geproblematiseerd – steeds meer krijgt de zoon eigenaardige trekken, vertoont onaangepast gedrag, reageert overgevoelig, is lui op school, nukkig, onstabiel,…
Parentificatie kan zich in vele vormen uiten.
Maar de vader verschijnt voor de openbaarheid als voorbeeld van zorg en verantwoordelijkheid, als goede bezorgde huisvader –
Over de zoon zegt de omgeving:

– “Wat zou hij geworden zijn zonder zijn vader!”

– “Hij heeft alles aan zijn ouders te danken!”

– “Waar had hij zonder zijn ouders gestaan?”

Tot zover de nota’s van onze avond bij Iris.

Mijn vrouw en ik bleven lang stil toen we naar huis terugkeerden.
Het was een heldere nacht – de hemel was bezaaid met ontelbare sterren.

Advertenties

28 – De Turnles

De turnles

Ik ben wat geschrokken toen ik deze tekst van Iris vond!
Hoe zij Sammy in de turnzaal beschrijft.

Sport en wiskunde zijn zowat de dingen die mijn aandacht nooit doen verslappen. Enkele uurtjes de benen strekken, “afzien”, je grenzen wat verder proberen te verleggen en dan lekker onder de douche – om daarna van één van de weldaden van dit land te kunnen genieten: Een héérlijk pakje friet met mayonaise en een fijn, koel, helder pintje bier erbij! – zalig!

Maar aan de hand van Sammy’s aantekeningen heeft Iris een heel ander beeld van turnen en sporten geschetst. Een zienswijze die blijkbaar een kenmerkend portret van Sammy toont.
Zijn ervaringen dateren ook nog uit een tijd toen dat hier “lichamelijke opvoeding” heette.
Lichaamsoefening voor jongens die een haast militair karakter vertoonden.

Hier volgt het:

 

 

Turnen

Door Iris Nachtegaal

De schoollokalen galmden.
Glanzende stenen in ondefinieerbare kleuren.
Gladde naakte groenblauwe muren.

In het schoolgebouw werd iedere kleur een zonde.
Een ongewenst teken van frivoliteit en lichtzinnigheid.
Blijheid diende verbannen te blijven tot buiten deze ruimten.
De gangen van de schoolgebouwen waren met een ondefinieerbare grijsachtig coloriet bekleed dat, dan aan groen, en dan weer eerder aan blauw deed denken.
Met overal gespikkelde tegels die iedere fantasie de kop indrukten.
Aan de wanden waren vergrijsde reproducties van oude kunstwerken uit kerken en musea te zien.

De turnzaal had nog meer leegte dan de andere lokalen en galmde dan ook nog harder.
De klaslokalen roken muf naar oud papier en stofferige rommel.
De turnzaal stonk naar zweet in turnpantoffels.

Een smal horizontaal raam, net onder het plafond maakte dat er een kenmerkend grijs licht naar binnen kon schijnen.
Het kaatsen van de bal had er een zinderend galmen tot gevolg.
De bevelen bulderden door de turnzaal.
Onderwerping, pressie juk.

De jongens hingen naast elkaar aan de sportramen.
Sammy zag hun ribbenkasten op en neer gaan en hun gespannen gezichten in de moeite die ze hen kostten om hun greep niet te lossen.

Sammy herkende de hangende gemartelde lichamen uit de foto’s van concentratiekampen.

Bruutheid hardheid tucht en discipline.

Galmende overstaanbare kreten.
Het knallen van de lederen bal op de betonnen vloer.
Out! He! How!
Klap gestamp van turnpantoffels.

daveren
galmen
denderen, donderen, dreunen,
bulderen
brullen, denderen, donderen, fluiten, gieren, razen, rommelen, stormen,
tekeergaan, tieren
bulderen, daveren, uitvaren
dreunen
bulderen, daveren, denderen, donderen, knallen, kraken, rommelen, trillen
denderen, donderen, dreunen
buitelen, donderen, duikelen, duvelen, flikkeren, glippen, instorten, kieperen, kletteren, kwakken,
omvallen, onderuit gaan, ploffen, plonzen, rollen, smakken, storten, struikelen, tuimelen, uitglijden
smijten (ww) :
, gooien, kegelen, keilen, kieperen, kletsen, knallen, kogelen, kwakken, lazeren, mieteren, patsen, plenzen, slaan, slingeren, smakken, sodemieteren, werpen
gooien (ww) :
kegelen, keilen, kieperen, kwakken, lazeren, mieteren, mikken, slingeren, smakken, smijten, sodemieteren, storten, werpen

 

Sammy walgde van de turnlessen.
Hij gruwde met heel zijn wezen om de lichamelijke dwang en de bevelen te moeten ondergaan.
De verplichte bewegingen.
Allemaal gelijk!

De zinloosheid.
Het beestachtige in de mens dat onmiskenbaar bovenkomt.
de africhting.
De haat in de ogen van de tegenstander.
De onmogelijkheid tot het maken van één vrije beweging, tot één gedachtengang.

Verstarring van de fysieke dwang.

Turnlessen waren onderricht in onderwerping, vernedering en gehoorzaamheid.

Het gedwongen inpassen.

 

Het begon reeds bij de dwang van het uitkleden in dat muffig hok.
De weë geuren.
Het lokaaltje met dat ééne kleine raam en die dikke muren met een deurloze opening dat als een hol toegang gaf tot de turnzaal,  en waar het altijd lijfelijk stonk.
Vale blauwgeelgroene linolium vloer.
Het grote klimrek dat beangstigend tot tegen het hoge plafond reikte.

 

de toegeblafte bevelen.
de onmogelijkheid tot keuze.
dat alles boezemde Sammy angst in

Die botte trekken van de turnleraar, een hersenloze centurion.
die graag seksuele zinspelingen maakte.
De niet aflatende druk om onder dwang handelingen te moeten uitvoeren.
De bevelen op te volgen. Bevelen steeds bevelen, steeds heersen.

De botte zelfingenomenheid en afgestomping die iedere turnleraar kenmerkte.

 

Het was Sammy nooit om mogelijk zijn aandacht bij turnoefeningen te houden.
Hooguit sloeg hij er in zich tien minuten op sport te concentreren.
Daarna gleden zijn gedachten noodwendig af.

In turnlessen kon hij enkel zinloosheid en beestachtigheid zien.

Zo worden honden afgericht.

Het scherp kirrend gefluit weerkaatste door de zaal en de bal botste en sloeg, belachelijk nutteloos, zinloos, beestachtig.

Maar nu komt de bal op Sammy af, en hij weet niet wat hij moet doen…

Het ergerde hem dat de klasgenoten wiens blikken anders zo mat voor zich uit staarden nu plots ernstig en scherp konden kijken.
Zij werden nu gemakkelijk kwaad door een wanstaltig belang te hechten aan wat er met een bal gebeurde.

Sammy wou liever niet meedoen.
Weg van die dwang – weg van deze anderen. Die nu, op ieder moment hun volle aandacht konden geven aan het meest ledige voorwerp ter wereld: een bal, en de meest zinloze handelingen die ermee gepaard gingen, die het meest botte in de mens naar boven brachten.

Ieder dierlijk gedrag is edeler dan de aanstellerij van sport.

Daardoor was het hem niet toegestaan om zijn denken richten,

Sport en turnen bannen verbeeldingskracht uit.

In de klas kon hij uren na elkaar wegdenken en dromen, terwijl de leraar een uur nodig had om iets uit te leggen dat gemakkelijk op tien minuten kon worden begrepen.

gedurende die tijd kon hij zich een wereld voorstellen, zich af te vragen hoe het daarbuiten was.

Maar de turnlessen dwongen hem gedurende twee uur al zijn aandacht verplicht en gedrild te richten naar dat dom wegspringend voorwerp.
Sammy haatte sport, haatte de turnleraar en haatte alle leerlingen die daar in konden meegaan.

Sport was voor hem de laagste mogelijke vorm van menselijk gedrag.
Het beest dat bovenkomt.
De gefrustreerde mens die rochelt, spuwt, brult, rood van kwaadheid aanloopt, die de andere schopt en slaat, duwt, het beestachtige stond op hun smoelen af te lezen.

Wanneer de bal dan toch op hem afkwam waren zijn gedachten zover verwijderd dat hij niet meer wist wat ermee aan te vangen.

naar welke kant moest de bal? In welk team speelde hij?
Was het doel gekeerd?
Er werd geroepen en gevloekt.

En de lamme sportleraar deed niets.
Voortdurend geplaatst te worden tegenover een tegenstrever.

De jongens schoven aan in rij voor de oefening aan de bok, die steeds iets wijzigde.
Sammy liep aan maar hij kon zich totaal niet meer voorstellen wat er van hem werd verwacht.
Hij liep en stopte zonder nog te weten wat te moeten doen.

 

 

27 – Het speelgoed

De Indiaan en de Dood

Door iris Nachtegaal

De gele plastieken David Crocket op het zwarte paard

richt zijdelings zijn geweer op de Indiaan in rood plastic op het witte paard.
Getroffen steekt hij de armen in de lucht.
Gestold in deze beweging-

-richten, treffen, getroffen worden, vallen –

Rennende paarden – ongestoord door wat er zich op hun rug afspeelt – draven verder .

Plastiek speelgoed, groot, handig, glanzend, clean.

Wordt de Indiaan getroffen door de kogel?

Sammy was alleen en speelde op het koertje
Keek naar de figuren in zijn handjes en dacht:
– ieder mens is sterfelijk.
Ooit sterven wij allemaal, grootmoeder, grootvader, moeder en vader.

Hoe zouden die dan sterven?
Zal vader zich door het hoofd schieten?
Hangt moeder zich op, op zolder, – of sterft ze slapend in bed?
Sammy kende geen oorlog rampen of ziekten.
Niemand stierf om hem heen.

De dood bleef onwezenlijk.
Iedereen werd heel oud en bleef tot dan toe gezond.

– Ieder mens is sterfelijk.
Ieder kind komt op een zekere dag tot die ontdekking.

Sammy ontdekte dat iedereen sterfelijk was door zijn speelgoed.

Vanaf zijn dertiende dacht Sammy aan zelfdoding.
Hoe zou hij dat kunnen doen?
Zou hij vanuit het hoogste raam van het huis naar dit koertje duiken?
Een grote sprong maken vanuit het zoldervenstertje?

Maar er was het uitstekende dak van de keuken dat hij door een grote sprong diende kunnen ontwijken, wilde hij op de stenen van de koer terechtkomen.

Stenen zijn doodzeker als je er vanaf een grote hoogte op neerstort.

Dat deed hij niet.
Hij probeerde het nooit, maar hij dacht er wel enkele keren aan.

Hij dacht iedere dag aan zijn dood en aan zelfmoord.
Weg van alle pijn.
Tot hij daar zelf te oud voor geworden was, en wist dat de dood hem wel zou vinden.

De dood is het ultieme vertrek.

Weggaan zonder dat de anderen het merkten – daar kreeg hij een groot plezier in.
De grote verdwijntruc!
Opgebeamed te worden door Scotty.
Hij hield er steeds van het zo te spelen dat

hij stilletjes onzichtbaar verdween op feestjes en bijeenkomsten.

 

26 – De Plas

Plassen

Door Iris Nachtegaal

 

Grootmoeder zweeg nooit.
Hij kon haar stem nog door het huis nog horen klinken.
En de woorden – ammelaken, stoemper, koemmerschap…

Het regende.
Sammy en grootmoeder zaten aan het raam van de kelderverdieping en keken naar de plassen.
Of beter – Sammy keek ernaar:
Hoe iedere druppel kringen vormde, die doorbroken werden door telkens weer nieuwe reeksen kringen die zich rond andere druppels vormden.
En hoe die cirkels elkaar overlappend ingewikkelde patronen vormden.

Sammy wilde niet meer naar school.
Van grootmoeder mocht hij thuis blijven.
Het was eng op school.
– Waarom?
– Te veel anderen.

Kinderen die her en der drukte en lawaai maakten.
Angst, de anderen met hun dwingende aandacht.
Sammy wilde even gerust gelaten worden.

De regelmaat van deze uitdijende cirkels die elkaar bleven doorkruisen en onregelmatigheden vormden in het spiegelend oppervlak van de regenplassen.
Dat was zo mooi en rustgevend om naar te kijken.
En hij mocht lekker binnen blijven, terwijl het buiten flink regende.
Voeten stapten door de plassen en verbrijzelden de patronen.

De kleuterjuf had een dik rood aangezicht, rode lippen en donkere ogen die steeds streng keken.
Enkel wanneer de huisbewaarder even de klas binnenkwam om een praatje te maken, veranderde haar houding, verlsapte haar controle over de kinderen en voelde hij zich even veilig.

Zij was een dierentemster die het kleine gespuis in hand diende te houden.

Maar nu hij kon Sammy enkele weken bij oma blijven.

Soms zat grootmoeder na het eten in de zetel en dronk koffie.

Sammy mocht dan meedrinken uit haar tas.
Daar lag soms speculooskruimel in.

De steunende smalle benen van grootmoeder uitgestrekt op de stoel vormden een boot voor Sammy.
Zo’n lange platte aak zoals hij er op de vaart had zien varen.

Die hij stuurde.

Hij had meer ruimte nodig en daarom duwde hij de rok van grootmoeder hoger en hoger.
Tot daar waar zij het toeliet.

En hem lachend deed ophouden.

 

25 – Het Bad

wassen

Door Iris Nachtegaal

Iedere dag omstreeks 7 uur ‘s avonds werden Sammy en zijn broertje Rudy gewassen in een zinken teil op de houten keukentafel.
Boven hun hoofdjes scheen het koele licht van een ronkende een TL buis.
Het water werd door een moortje verwarmd en dampend in de teil gegoten.
Sammy had angst van het water – angst voor verbranden.

Eerst werden de broertjes één na één duchtig ingezeept zodat hun haar op een schuimkuifje stond.

Sammy bleef stil zitten wanneer de handen van papa of mama in washandjes zacht maar zakelijk over zijn lichaam gleden.

Liggend in het warme water voelde hij een geborgenheid die hij anders niet ervoer.
Een gezellige verplichting:
Je moet nu in bad!
Nu ga je slapen!

24 – Het Vliegen

Ik laat ons onderzoek (mag ik het zo noemen?) tegenwoordig vooral over aan Iris.
Ze heeft ook een sleutel van het achterhuis gekregen en neemt daar regelmatig mijn plaats in.
Door het gat in de haag verschijnt ze dan in onze tuin en stapt door de sneeuw naar het gebouwtje tussen de populieren.

Ik heb het momenteel te druk.
Ik kom later thuis, en mijn vrije tijd gaat vooral naar de kinderen.
Maar in het weekeind ga ik eens kijken hoever ze daar staat.

Er ligt dan meestal een bladzijde of twee, volgeschreven met haar nette handschrift.
Ze gebruikt daarvoor het vergeelde lijntjespapier uit de atoma-schriftjes die Sammy onbeschreven liet.
Haar rond regelmatig meisjesgeschrift is makkelijk leesbaar.
Heel wat anders dan die hanenpoten van Sammy!
Ik typ ze voor U over naar dit blog:

Vliegen

Door Iris Nachtegaal

Trappers, pedalen, karkas, alles rammelde over de hoekige straatstenen wanneer de rode pedaalauto van Sammy en Ruddy voorbijraasde.
Voetgangers sprongen soms kwaad opzij.
De oude wekker die Sammy in het tuig had verborgen ratelde tegen de metalen kast – dat gaf een motor-achtig geluid, dat passanten vragend deed nakijken.

Door hard te rijden leek het of hij zich even van de wereld kon losmaken.
Losmaken van deze plaats.
Bewegen is beloven.
Rijden met een automobiel.

snelheid is vrij zijn.
Vrij waren vooral de vliegtuigen van het nabijgelegen vliegveld die soms laag over de daken scheerden.

Vliegen, zich losmaken van de grond, vrij zijn, weg van alle pijn.

Weg van het gebakkel, de regels, de wetten, de controle der grote mensen, de school en de streng kijkende agenten.

Ongrijpbaar worden,

onaards,

boven de wolken zijn,

grenzeloos zijn zoals goden.

Het gemakkelijke leven der engelen,

die aan geen aardse kwalen lijden,

geen pijn geen dreiging,

geen vernedering

geen debacle dienen te ondergaan.

23 – De Donkere Kamer

 

De Bel

Door Iris Nachtegaal

Sammy haatte het geratel van een bel.
Een bel is de snerpende aankondiging van de storende anderen.
Maar soms toch ook het verlossende signaal aan het einde van een schooldag.

Sammy werd helemaal opgenomen door wisselende stemmingen.
Hij kon zich op een loden manier lusteloos voelen, of werd opgewekt enkel door het bekijken van de lichtspelingen over het tafeloppervlak.

Het wolkendek zonder blauwe opening, hing als een zeil over de daken en drukte meer op hem dan ieder ander ding.

Maar grootvader zei dat dit het beste weer was.

-Het regent niet en de zon schijnt niet in uw ogen!

De druk die hij ondervond steeds iemand te moeten zijn, en niet naamloos een toeschouwer te kunnen blijven zoals een kind.

Een kind kijkt maar communiceert niet met de kijkende ogen.
Het kan kijken zonder dat de blik contact maakt.

Een kind kijkt op een manier waarop volwassenen dat dragelijk vinden.

Maar de blik van Sammy was ondragelijk, star en borend.
Zijn moeder kon zijn blik niet verdragen.
Waarom bekijkt ge mij altijd zo!
had zijn moeder naar hem ooit kwaad toegeroepen.

Maar opgroeien betekende ook dat hij leerde om niet naar de anderen kijken.
Kijken wilde iets zeggen.

Hij mijmerde:

Ieder leeft in de eigen donkere kamer

– een cinemazaal waarin de camera’s van de ogen

ieders eigen film van een wereld projecteren.

22 – De Windpokken

God en de windpokken

Door Iris Nachtegaal

Sammy werd ziek aan het einde van het schooljaar.
Hij was over heel het lichaam gepokt met korsten en rode vlekken.

Kinderen liepen van hem weg wanneer ze hem zo zagen.
En zijn broertje sliep niet meer in dezelfde kamer.

Sammy ontwaakte tussen muren overwoekerd met bloederige korsten die als schimmel groeide over de vloer van zijn kamertje en over het speelgoed. Onstuitbaar.
De dokter had zich vergist.
Zijn ziekte was een gewas dat alles doorgroeide en verslond.

Maar rond de middag daalde de koorts.
Dan klom hij uit zijn bedje en nestelde zich beneden in het salonnetje.

Door de gordijnen keek hij naar het stationsplein.

Het zonlicht had de bedrijvigheid van de vroege ochtend opgelost.
Een brouwer leverde vaten aan het café aan de overkant.

De metalen vaten rolden ratelend over de richels en daverden de kelder in. Grofgeschoeide knechten rolden dofbonzende tonnen naar binnen en bengden holle tonnen weer op de wagen.

Stemmen schoten kort door de kille lucht.
Een dieselvrachtwagen kreunde om de hoek.

Hij was alleen in huis.
Hij zat met gekruiste benen in de grote zetel.
En keek naar het salontafeltje met medicijnen en het lege glas waar net een tablet in had gebruist. Het poeder kleefde nog aan de rand.

Dan viel alles stil.

Voor hem verstomde de wereld in naakte blankheid.
Eén denkbeeld drong toen krachtig tot hem door:

-God bestaat niet, het leven heeft enkel zichzelf tot doel –

dat dacht hij toen hij 14 was.

Hij had zijn overtuiging gevonden waaraan hij zijn leven lang zou vasthouden.

21 – De Gevels

 

 

gevels zonder iets daarachter

door Iris Nachtegaal

 

1,
Sammy’s stem zat klein en diep in zijn keel verscholen.
Een stem die niet van hem was.
Die hij niet kon gebruiken.
Soms sprak hij dagen na elkaar geen enkel woord.
Het leek dan wel alsof zijn stembanden verschrompeld waren.
Alsof ze niet meer in zijn keel aanwezig waren.

Spreken,
zich tonen,
en tegenwoordig zijn,
iemand van wederwoord kunnen dienen,
zijn rol spelen was Sammy te zwaar.

Hij wilde helemaal niet spreken.
Hij wilde niemand meer zijn.
Hij kon niet begrijpen wat de anderen van hem wilden.
Zij wilden iemand anders, niet degene die hij was.
Maar het bleef hem een raadsel wie wilde zij dan wel wilden onder zijn gedaante?
Welke rol diende hij te vervullen?

Iedere woord dat hij uitbracht leek ongepast, en de woorden van anderen ontsprongen voor hem uit een niet te peilen bron.

Hij deed verwoede pogingen om, zoals een acteur, om niet uit de rol te vallen.
Een rol die hem de anderen hadden toebedeeld.

Een acteur zou even zijn bestaan van hem kunnen overnemen.
Deze zwaarte van hem afnemen.
Die zou dan zijn rol dienen te spelen tegenover de ouders.
Een acteur om alles op te vangen wat hij telkens diende te incasseren, en die daarvoor vergoed zou kunnen worden.

Of een advocaat – een tussenpersoon die hem zou verdedigen – iemand die de ouders zelf ook zouden respecteren.
Iemand die het voor hem zou kunnen opnemen, en naar wie wel zou geluisterd worden.
Die alle dingen in hun juiste verhoudingen zou kunnen herstellen.

Maar zo iemand was er niet.
Nergens, ook niet in de familie.

Zijn rol was uniek, enkel voor hem weggelegd en voor niemand anders.
Niemand kon, of mocht hem vervangen- of het voor hem opnemen.
Hij droeg het lot van de Eerstgeborene, aan wie het toekomst alleen zijn kruis moet dragen.

De anderen waren vreemden.
Alle anderen – ook zijn ouders.
Ze zijn – Gevels zonder iets daarachter- dacht hij.

2,

Niet spreken, was voor Sammy vanzelfsprekend.

Hij verkrampte in iedere situatie waar gesproken zou moeten worden.
Op school, wanneer het in de klas zijn beurt was om voor te lezen.
Aan het bord komen, te antwoorden, dan waren dat momenten van erge spanning.

Door te zwijgen kon hij voor zichzelf een levensruimte creëren die hem elders werd ontzegd.

Door te zwijgen kon zijn binnenruimte groeien naarmate ruimte rond hem verschrompelde.

Naarmate zijn vrijheid werd ingeperkt.

Blijkbaar hadden sommige klasgenoten daar eveneens moeilijkheden mee – Zij begonnen eveens te stotteren wanneer ze vooraan werden geroepen.
Voor één van hen – een meisje – was het dan zelfs onmogelijk om dan nog een woord uit te brengen… Toen de lerares haar had verplicht om toch een spreekbeurt te houden zoals de anderen, bleef het meisje weg van school.

Wanneer de schoolbel was afgegaan holde Sammy naar huis.
Er was dan niemand thuis – hij kon dan enkele uurtjes ongestoord doen wat hij wou.
Kon hij denken en dromen terwijl hij naar muziek luisterde in het huis met de gesloten blinden.

 

3,

Hij was op zijn kamer.
De gesloten overgordijnen lieten een grauwblauw licht binnen.
Hij lag op bed om te liggen en te denken.
Het huis was beladen met spanning – ieder samenzijn met de anderen is spanning. Vrij zijn is vrij zijn van de spanningen van de andere?
Afhankelijk, het droeve lot van de gesloten ouders en de diklippige broer.
Daarbuiten danste de wereld de zestiger jaren door.
The summer of Love.
Sammy hoorde iedereen buiten kermis vieren opgesloten in een kil en donker huis.

 

Wanneer de spanning te groot werd Sammy duizeling.
Het gebeurde ook dat hij flauwviel bij de dokter.
Wanneer het lichaam als onafwendbaar werd ervaren, als object, als kwetsbaar vlees dat hem gevangen hield dan ging het bezwijmen, ontsnappen, wilde zich uitwissen.

Sammy haatte het een lijf te moeten zijn, steeds ergens te moeten zijn, iemand te moeten zijn, gekwetst te kunnen worden, pijn te lijden, aanspreekbaar te worden, bepaald te zijn, bepaald te zijn door zijn lijfelijke aanwezigheid.
Het onvermijdelijke zijn tussen de onvermijdelijke anderen.

Het liefst had hij zich van zijn lichaam ontdaan.
Ontsnappen aan het lichamelijk omhulsel en de pijn die het kon meebrengen.
Zuiver licht zijn, dat wilde hij.
De wereld van uit het perspectief van een engel te kunnen bekijken.
Niet meer verplicht te kunnen worden om mee te doen.
Om voortdurend te moeten omgaan met anderen.

Gezien te worden.
Een identiteit te moeten hebben.
Te moeten strijden.
Voortdurend zijn emoties te moeten beheersen.
Zijn zwakten te verbergen voor anderen voor wie hij doorzichtig scheen.
Niet te wenen, niet angstig te kijken, niet te stotteren.
vlot te kunnen spreken wanneer hij dat moest.
(die woorden, waar haalde al die mensen hun woorden? Die ze zo vloeiend uit hun mond stroomden, alsof het hen geen enkele moeite koste –

Voor Sammy woog ieder woord zwaar als lood.

3.

Voor hem lag een foto van het oppervlak van de planeet Mars die door een ruimtesonde was genomen.
Een woestijn, een vlakte bezaaid met stenen tot aan de horizon.
Daar hoorde hij thuis, dacht hij.
Daar dwalen en nooit een mens moeten ontmoeten.
– Daar alleen zijn met mijn gedachten, dacht hij – omgeven door een eeuwige mist die de grond scheen uit te ademen.
Geen fysieke pijn meer, noch de angst ervoor.
De prik afwachten van de injectienaald – de onderwerping aan het geneeskundig onderzoek, de dwingelandij van de lessen lichamelijke opvoeding, de overheerisng van sport…

Het liefst wilde hij niet zijn, of niet meer zijn.
Niet meer voelen.

Hij viel in zwijm in het ziekenhuis, en zo wilde hij blijven.
Verdwijnen in duizelig suizen, niet meer bijkomen, niet meer wakker worden, aan geen verlangens meer te hoeven voldoen, niet meer te moeten voor anderen.
Hij wilde in dromen blijven vrij van iedereen en alle pijn.

In de school zonderde hij zich meer en meer af.
In de onpare klas was hij de enige die alleen aan de bank zat.

Sammy droeg steeds meer zwart of donkerblauwe kleren met rolkraag.
Zijn vet zwart haar, waarvoor hij zich schaamde, vormde plakkerige schilfertjes. En het begon en meer en meer uit te vallen.
Toen een kale plek aan de zijkant van het voorhoofd zichtbaar werd kamde hij zijn haar daarover.

Sammy had geen vrienden meer.
Moeizaam maakte hij contact met één of twee jongens uit zijn klas die even onhandig en harkerig waren als hijzelf.

 
De strijd om zelfvertrouwen verlegde zich van huis tot huis van plaats tot plaats-

De fladderende mot, de wachter, de cherub met vlammend zwaard.

Hij wist nooit hoe hij zich tegenover ouders of familie diende te gedragen.
Voelde zich steeds ongemakkelijk in hun aanwezigheid.
Hij haperde in een rol gedrukt – waarvan hij de tekst niet goed kende – dat onvermijdelijke stotteren wanneer iemand hem iets vroeg – en die onbeheerbare gelaatsuitdrukkingen, die spanning in die opgetrokken schouders.
Een onbestemde rol.

Tijdens familiebezoek veranderde hij een soort pop.
Een houterig marionet.
Die geen blijf wist met zijn ledematen en die de handen voortdurend in elkaar wrong.

Hij bewoog zich stram.
Hij zat ongemakkelijk en kon geen woord uitbrengen.
Hij had moeite met het luisteren naar wat de volwassenen rond hem zeiden – zijn gedacht dreef voortdurend af

Hij voelde zich een ledenpop die de ouders met zich hadden meegenomen om aan de familie te tonen.
En die nu hier proper en wel gekleed aan tafel zat.
Wanneer hij dan toch probeerde om een woord te zeggen werd dat onthaald spottende blikken. Of vroeg moeder in het midden van zijn zin of hij nog koffie wilde.

Aanzoeken – ongestelde vragen – eisen – vergen – verzoeken
zo klinken de stemmen die willen dat hij plooit.

Hij voelde zich een vlek.
Stemmen die niet willen
die verzoeken,
ondervragen
verstard temidden van de gezelligheid en de beweging buiten zijn stolp

Stemmen die hem gevangen houden.
Die willen dat hij achtergrond blijft, geruis, schaduw.

Slechts in muziek kon hij de enige stem horen die hij kon herkennen. De loeiende gitaar van Jimi Hendrix.
Pijn explosie – verdrongenheid uitschreeuwt.
Harde zuivere aanwezigheid van geluid – een hamer op een klok zinderende ratel. Een vlammende vlag strijkend over die de bonte massa.

Muziek werd zijn medium.
Het zoog hem diep op.
Het maakte hem onmetelijk.
Kon doordringen tot daar door waar woorden nooit konden komen.
Geluiden besnaarden hem.
Klank openbaarde.

Daarin woonde zijn innerlijke stem die nu waarachtig werd en alle sarrende geesten kon verjagen.

Beethoven in zijn strijd en zijn hart voor het volk,
En sombere elektronische muziek bracht hem in een objectwereld die verlost was van mensheid.

20 – De Kippenpoot

De hen met de gebroken poot

Door Iris Nachtelgaal

Oma en Opa woonden vlak bij de school.

Iedere middag zaten Sammy en Rudy bij de grootouders mee aan tafel.

Nooit was er rust voor deze oude mensen want de broertjes hadden er plezier in van allerlei kattekwaad uit te spoken. En ongehoorzaam te zijn.

Met een strijdkreet, de vork in de knuist stoten ze af op de pan met gehaktballetjes, of doopten hun frieten in spuitwater. Maar zee werden stil wanneer ze balletjes met appelmoes voorgeschoven kregen of Spaghetti met bruine suiker of fish-sticks.

Onder elkaar spraken ze een “eigen taaltje” een striptaal die onverstaanbaar was voor niet ingewijden.
Nochtans besteedden de grootouders veel aandacht aan tafelmanieren.

De houding aan tafel, het gebruik van vork en mes werd voortdurend bijgesteld.

Alles speelde zich af in de kelderkeuken van het grote herenhuis in het centrum van de stad.
De grootouders waren van eenvoudige komaf en het leek wel of ze niet dorsten van hun huis te bewonen. Als dienstknechten leefden zij in hun eigen huis. Alsof ze geen recht hadden op de volledige ruimte.

Daar in huis liepen er ook twee kippen.
Zij luisterden naar de namen Tik Bonifaas en Tjip Grootefloot.
Sammy en Rudy hadden elk hun kip als huisdier.
Bonifaas was een dikke witte kip en Grootefloot een bruin geschulpte.
De kippen logeerden bij oma en opa in de tuin.
Maar wanneer de broertjes kwamen mochten de kippen ook binnen.

Dan kregen ze wat toegesmeten van tafel zoals dat voor een hond had gekund.

Of ze zaten klagend te kakelen op de dwarsplank tussen de tafelpoten.
Op een dag brak Bonifaas haar kippenpootje.
Niemand weet nog precies hoe dat had kunnen gebeuren.
Toen bracht grootmoeder de kip naar de dierenarts die de poot in het gips legde.

Het beestje zat dan in zichzelf kakelend onder de eettafel met een slap kammetje de tijden van beterschap af te wachten.

Grootefloot en Bonifaas werden na hun lang leven in de tuin begraven.

Want zelfs kippen kunnen niet eeuwig blijven leven –

Later werden er kuikentjes aangekocht.
Die werden steeds groter en potiger, vooral hun kam groeide uit tot een  kaproenactig hoofdekseltje en aan de poten groeiden wratachtige bobbels spoedig uit tot sporen.
Dat waren geen kippen maar hanen! En die werden steeds maar agressiever.
De tuin werd prijsgegeven als hun territorium en iedereen die er kwam werd prompt door hen aangevallen.
Zodat het pluimvee nu moest worden opgesloten.
Zij kregen bieden een hok in de tuin dat vandaar het Kot in de Hof werd genoemd.

Ze kraaiden lang victorie