60 – Onder de Feesttent

Iris kan zich nu even niet met Sammy bezighouden – al haar energie gaat naar haar zieke moeder die nu bij haar inwoont. Onze buurvrouw ziet er niet zo best uit, haar blik eerder naar de grond gekeerd – ze klaagt over duizeligheid en paniekaanvallen. Wij weten niet goed wat we best doen…

Kunnen we haar opvangen? Mijn vrouw onderhoudt lange gesprekken met haar.

En eerlijk gezegd, het wordt mij soms te zwaar, die teksten van Sammy.

Ik zie het voor het ogenblik ook niet meer zitten om ze verder te lezen.

Iets houdt mij tegen, ik heb mijn sympathie voor hem verloren.

Hoe kan dat nu – hoe kan iemand zo met anderen omgaan! Hoe kan iemand zo egoïstisch zijn!

Zijn teksten missen ongeveer alles wat men van een leesbare tekst zou kunnen verwachten. Waarom maakte hij al deze nota’s? Waarom schreef hij al deze bond gekleurde schoolschriftjes vol ?

Ik zal jullie niet verbergen dat ik soms van hem walg. Dat hij mij misselijk maakt en dat ik goed kan begrijpen waarom uiteindelijk iedereen hem verliet.

Jullie christendom – dat ik iedere dag met de grootste verwondering aanschouw – heeft het over “naastenliefde en vergevingsgezindheid” – wil dat ook zeggen dat je een zelfzuchtige brompot die alleen in zijn hol wil kruipen ook leuk moet vinden?

Tijdens zijn leven heeft niemand dat blijkbaar gedaan, waarom zou ik het dan nu voor een mopperende geest moeten opnemen?

Een zeurkous van een spook?

Is onze interesse voor hem niet een beetje ongezond – zoals Maria-Letizia daarnet fijntjes opgemerkte – wel, rechtuit – we hebben het een beetje gehad met Sammy!

Nemen we een pauze? Of trekken we definitief de stekker uit?

Sammy schreef uit narcisme. Uit drang naar zelfbespiegeling.

Hij vond het interessant om met zichzelf bezig te zijn.

Spon een web rond zich van eigenliefde waarin hij zichzelf opvoerde slachtoffer. – Slachtoffer van wie? Waarom? Week zelfbeklag?

Het lijkt mij plots allemaal onbeduidend wat wij hier aan het doen zijn.

Sammy leefde onder de indruk dat iedereen om hem heen het eigen bestaan goed bij elkaar had. Hij was steeds de uitzondering, de enige die uit die dagelijkse stoelendans viel – Anderen wisten wel hoe hun houding te bepalen,  -hun toon, – hun stem, – hun uitdrukkingen te bemeesteren, en hij kon dat niet.

Hij stond onhandig, als op hoge poten te midden van soortgenoten die door het leven dansten (“onhandigheid”  was één van de meest gehoorde verwijten die zijn vader hem regelmatig toesmeet) Sammy wist nooit hoe zich te gedragen – vond zijn plaats niet-  kende geen woorden of begrippen waarin hij zich in herkende, struikelde door het leven.

Dacht zich doorzichtig, zonder verweer.

Kon nergens zijn authentieke zelf zijn, zijn eigen stem horen tussen het koor van al degenen die zo goed wisten wie ze waren en waar ze stonden –  Die iemand in de wereld waren of iemand binnen een vriendenkring, iemand waar naar werd geluisterd – die gerespecteerd werd, gevierd werd, voor zichzelf durft opkomen, succes kent. – (Succes bij de meisjes?)
Dat eigen “ik” blijkt Sammy nooit te hebben gevonden (ik loop hier vooruit, ik weet het, ik weet meer dan jullie, omdat ik er nog niet toe gekomen ben dat allemaal hier neer te schrijven wat ik gelezen heb! )

Sammy worstelde met denkbeelden als “determinisme” – een begrip uit de lessen filosofie aan de universiteit. “Ik leef onder de dwang van het fatum” – zo schrijft hij het ergens – pathetisch! –

Alles stond vast. Het universum verloopt bepaald. Aan je lot kon je onmogelijk ontsnappen, hoe hard je ook je best deed, want zelfs deze gedachten, dit vermoeden van de bepaaldheid der dingen, was reeds gedetermineerd, lag reeds vast van in het prille begin der tijden, in onverbreekbare ketens van oorzaak en gevolg. Sammy was slechts een schakel op een ongelukkige plaats. Hoe kon hij dan verantwoording afleggen voor zijn falen! Hij was niets. Niemand! Een schakel die slaaf was van een bestemming die voor hem onzichtbaar bleef.

Sammy’s vader zetelt als op een troon daar boven hem en oordeelt. Of  zijn ouders zitten op gerieflijke kussens in de loge aan een enorme arena, een koningspaar dat toeziet hoe hij het er in het leven van af brengt, hoe hij strijdt, en iedere keer weer faalt, of het laf op een lopen zet.
Sammy struikelde van de ene situatie in de andere, geraakte verzeild op plaatsen waar hij nooit had willen zijn. Was stuurloos temidden van alle menselijke bewegingen om hem heen.

Sammy was op vlucht.

Hij was voortdurend op de vlucht.

Het schrijven treedt op in een poging om al die zwalpende bewegingen onder controle te kunnen krijgen, een poging tot een overzichtelijker beeld waar hij steeds weer in mislukt. Gedoemd is te mislukken – niet wil lukken of niet kan lukken? Waarom?

Steeds weer wentelt hij die steen naar boven die daarna onherroepelijk terug naar beneden rolt.

-Liefst had hij alles willen herdoen, de schooltijd, heel zijn leven, zijn hele bestaan.

Hij dagdroomde over hoe het zou zijn om plots wakker te worden op een dag in het verleden – op een moment waar het geheugen de toekomst zou zijn, zodat hij telkens zou weten wat kiezen, weten wat te zeggen, – hoe zich te gedragen.
Want hij wist niet wie hij was , waar hij stond of waar hij naartoe wou, – welk beroep hij zou kiezen, welke rol hij zou spelen in een maatschappij waartegen hij zich wilde verzetten. Die hem schijnheilig en corrupt voorkwam, die beheerst werd door een oppermachtige oude generatie. Die een meute conformisten en ja-knikkers achter zich aan sleepte.

Maar er was wel een nieuwe generatie op komst.
Jongeren die een nieuwe wereld wilden van liefde en diepe betrokkenheid met de natuur. Die naar andere muziek luisterden, lange haren en loshangende kleren droegen, gitaar speelden en avontuurlijk leefden.

Jongeren die zich wilden bevrijden.

Maar ook daar kon Sammy niet bij horen. Hij kon hun uitbundigheid niet aan, hij kon zich nooit laten gaan, een hark die niet dansen kon, een geharnaste die niet knuffelen of zoenen kon.  Het was alsof zijn vader keek steeds scherp toekeek en streng deze “nieuwe generatie” veroordeelde   – Sammy moest naar de kapper. Zijn haar kort moest Amerikaans of er zwaaide wat! – Mocht niet naar popmuziek luisteren, en wist tenslotte zelf niet meer of hij er wel van hield of niet.
Hij voelde zich als geketend in een kerker onder een markt waar iedereen feest vierde – Een gigantisch bontgekleurd feest  hij zich dat enkel kon voorstellen bij het horen van die stortvloed van lachende kreten en heftige muziek aan de overzijde.

 

 

 

Advertenties