58 – Halve Prijs

Schuchtere jongen,

verlegen jongen,

– of –

“teruggetrokken, erg in zichzelf gesloten jonge man leert goedlachts rondborstig blozend meisje kennen.”

Dat zou de titel kunnen zijn, klinkt aanlokkelijk, een vrolijke zwenk in dit verhaal van Sammy, het laat begin van een liefdes leven.

Sammy is 19.

Hij loopt universiteit en studeert psychologie. Zij vader houdt voor hem -met een veel betekenende gelaatsuitdrukking- de waaier van bankbriefjes uitgespreid. Het bedrag voor de inschrijving aan de universiteit! – een geschenk aan iemand die dat niet verdient – die dat niet waard kan zijn.

Dat jaar ging er voor Sammy  een wereld open.

Hij liep universiteit in de hoofdstad – kreeg hoofdpijn van de drukte in de straten

Voelde zich vreemd – zat vol met twijfels – onverwoordbare twijfels

Zijn ziel zwalpte als een bootje over een onstuimige zee.

Student worden – vele nieuwe gezichten zien, gebouwen met eindeloze  gangen  – trappen, liften, aula’s, ad valvas –  lijsten, ellenlange trein en busritten  die hem ter bestemming brachten en weer terug voerden.

Sammy had nooit leren studeren – jaren lang had hij gedaan alsof hij luisterde – opende de dag voor het examen de studieboeken – en bracht het er van af met “voldoendes”

De colleges aan de universiteit overstelpten hem – Nu volgde hij wel aandachtig – lieten soms licht schijnen op dingen waar hij zelf mee zat.

“Het is 26 maart, het mooi weer vandaag, warm voor de tijd van het jaar, ik ben deze middag voor het eerst klaar geraakt, maar ik heb angst dat ik mij egoïstisch gedragen heb. Ik heb haar gevraagd of ze de pil zou willen nemen – we zouden dan beiden bevredigt kunnen worden zonder inconveniënties – ik hoop dat ik het om vijf uur zal kunnen goedmaken, het is spijtig dat ik zo veel bots en telkens moet wachten tot de volgende keer om het weer goed te maken . Het is alsof mijn gevoelens voor haar gesplitst zijn. Enerzijds voel ik mij tot haar seksueel aangetrokken, anderzijds ben ik in zekere mate psychisch koel tegenover het seksuele – het moet het gevolg zijn van de dingen die ik de laatste jaren heb meegemaakt. Maar ik vrees dat ik door mijn onhandigheid haar zal krenken. Zij aan haar kant heeft blijkbaar gevoelens die voortspruiten uit de ontvankelijkheid en eerbied die ze van mij ondervindt – en die ze niet kreeg bij de jongens die haar stuk voor stuk hebben teleurgesteld. Bertien laat haar vooral leiden door haar gevoel, met rede kan ik haar veel minder bereiken dan met daden – dat is op zich bij haar een positief punt maar soms spreken haar opvattingen haar gevoelens tegen”

Dat schrijft Sammy in zijn dagboek –

Hoe begon op een late lentedag. Okere zonneschijn spiedde door de groene persiennes van het auditorium. Een kale dikbuikige professor – die gemakkelijk gecast had kunnen worden voor  Romeinse keizer – het college gaat over…maar Sammy is vervuld van het “reisgevoel” een gevoel dat hij kent als de aankondiging voor iets dat op til is, dat in de lucht zit – dat spoedig zal gaan gebeuren!

Enkele weken geleden had een jonge met heel lang haar en een sikje hem gevraagd “hoe het met hem ging” – zomaar, direct, vanzelf, alsof hij Sammy al jaren kende. Het was de eerste student die ooit daar tegen hem had gesproken en Sammy had zelfs wat teruggestameld.

Frank Van Wezel was zijn naam, en hij had Sammy ook gevraagd om het jeugdhuis te komen bezoeken dat hij mee had opgericht.

Sammy had dat aanbod voortdurend van zich af gehouden, maar op een vrijdagavond was hij er toch daar naar toe gegestapt.

Hij had nieuwe kleren aangetrokken waar hij zich ongemakkelijk in voelde – hij droeg steeds kleren uit koopjes – “halve prijs” was het enige stijlkenmerk dat aan Sammy’s kleding toegedacht kon worden. Omdat vader dat zo wilde. Ook zijn haar was kortgeknipt omdat vader dat zo wilde.

Hij voelde zich stram in dat ongemakkelijke omhulsel toen hij door een lange gang door het jeugdhuis  naar het lokaal zijn weg zocht. Sammy  trad binnen in een donker hol. Rond een tafel waren enkele jongeren in de weer met het versnijden van gekleurd papier.

Sammy vatte post aan een toog.  – als een hark, een vogelschrik, een bezemsteel.

Hij zweette, wist zich geen houding te geven, wist niet at of hoe er van hem werd verwacht.

– Waar was Frank?-

Hij durfde het aan niemand te vragen.

-Carnaval – versieringen?

De “Grote zaal” waar Frank het over had bleek niet veel meer dan een overdekte tuin te zijn.

Sammy bestelde een biertje – hij moest iets doen –  zoete smaak, de gekleurde lampen werden roder en zijn blik glaziger – Zal Sammy’s weg naar verlichting langs alcohol voeren?

Dan wil hij zo vlug mogelijk weg – krijgt het gevoel te worden aangestaard. Een indringer. Zweet, krijgt koude rillingen.

Opgetrokken schouders, handen in de zakken, een blik die zoekt maar zich nergens aan kan hechten, Frank is er niet. Wat doe ik?

Langer kan hij het niet meer harder.

Hij vlucht weg.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties