47d – De brief van Iris

Beste volgers,

Iris is nog steeds niet terug.

Ze reist door een Oosters land om te mediteren.

Gisteren ontvingen we een lange brief van Iris Nachtegaal  – (Ze weigert nog steeds pertinent om ieder elektronische apparaat te gebruiken – wegens de ongezonde straling – beweert zij)

– Zij schrijft dat het met haar bijzonder goed gaat.

Ze is in de leer is bij een Meester. Het zou eerder een “goeroe” – een geestelijke leermeester- zijn.

Tijdens één van haar meditatie oefeningen verscheen plots het beeld van Sammy aan haar.
Hier is wat zij daarover schreef:

 

Ik probeerde mij te concentreren op al wat ik hoorde, tijdens die meditatie.

Mijn aandacht ging naar de stemmen in de tuin, het gefluit van de vogels, het ruisen van de wind.

Plotseling verscheen het beeld van Sammy aan mij. Ik stelde mij voor dat hij het was die luisterde, en die zich dieper en dieper probeerde te concentreren.

Dan verscheen het beeld van Victor, zijn vader. Sammy zag het beeld van zijn vader scherper dan zijneigen afbeelding, die vaag bleef als een reflectie over het water.
Dan hoorde ik het ruisen van een snelle stroom die hoog vanuit de bergen door het dal kliefde, en krachtig langs rotsen schuurde.

De beelden van Sammy en zijn vader vloeiden toen in elkaar, en alles werd rivier, en alles werd streven en stromen en vloeien.

Alles stroomde samen naar één doel, naar één verlangen, één lijden, en alles werd één rivier.
Ik hoorde een stem die vol van verlangen klonk, vol brandende pijn, vol van onlesbaar streven. Ik zag Sammy langs oever van de stroom rennen, immer haastiger volgde hij het klaterende water.
Deze rivier bestond uit hem en de zijnen en uit alle mensen die hij ooit had gekend, zoals de spoedende golven van het water haastten Sammy zich, lijdend, turend naar de verte, naar daar waar de stroom zou uitmonden – een waterval, een meer, de zeeën, en alle einddoelen die hij wou bereiken, zouden daar in vervulling gaan, als hij maar steeds deze zelfde rivier bleef volgen, deze stroom die steeds meer zwol door andere rivieren die zich in haar stortten.
Damp en mist stegen uit het water, oprijzend als stoom uit een geiser en hoog in de lucht, werd regen en dwarrelde uit de hemel neer, werd lente, werd weer stroom, kliefde weer door de rotsen, meanderde door vlakten, stroomde uit in zee, werd regen, werd weer rivier, streefde opnieuw, stroomde opnieuw.
Maar de stem die ik steeds hoorde begon te veranderen.
Ze klonk nog, maar klagend, zoekend, … Steeds meer andere stemmen voegden zich bij haar – stemmen van vreugde en verdriet – goede en slechte stemmen, lachende en rouwende – honderd stemmen, duizend stemmen.

Sammy luisterde.

Hij bleef staan en hield de adem in, sloot de ogen en luisterde scherp.
Verdiept, volledig leeg, volledig opgenomen, voelde hij dat hij NU was en STILTE.
Het was de rivier die nu sprak – het geklater werd het geroezemoes van duizenden en nog duizenden stemmen die in hem huisden.
Maar nu, voor de eerste maal in zijn leven, zag hij alles helder en nieuw.
Hij begon de vele stemmen van elkaar te kunnen onderscheiden – de gelukkigen van de huilenden, de kinderen van de volwassen, de mannen van de vrouwen. Allemaal hoorden ze bij elkaar, de klaagzang van verlangen en het gelach, de schreeuw van woede en het gekreun van de stervenden, alles was één, allen werden met elkander verbonden, verweven en duizendvoudig verstrengeld.
En daar te midden hoorde hij thans zijn eigen stem, die hij nu duidelijk kon onderscheiden van die van zijn vader.

Even zag hij zich als kind aan de hand van zijn vader een groot helder gebouw binnen stappen, een tempel waar het licht als uit de muren straalde, onder de koepel van een blauwe klare hemel.
Daar hoog op die lichtende berg konden zij samen deze rivier overzien, met alle stemmen, alle doelen die mensen zich stellen, alle verlangens, alle lijden, alle deugt, alle goed en kwaad, dat alles samen was de wereld die ze aanschouwden.
Zo bruiste de stroom van gebeurtenissen, de muziek van het leven.

Vader glimlachte naar hem. Liet langzaam Sammy’s hand los, en wandelde dan de heuvel af, steeds verder naar de rivier toe – waar hij werd opgenomen in een witte mist.
Sammy bleef aandachtig luisteren – nu hoorde hij duizenden liedjes uit het geruis opstijgen.
Zijn ziel hoefde zich niet meer te binden aan de stem van zijn vader of aan andere stemmen.
Hij was nu helemaal ondergedompeld in zijn zelf – Hij ervoer zich gelijk één met het geheel, een stem tussen alle stemmen van alle mensen die er ooit waren geweest – het lied groeide aan en aan, groeide uit tot een polyfonie van duizenden liederen, in duizend talen, groeide nu grommend uit tot het geweldige lied van de duizend stemmen dat een enkel woord werd en uit het ruisen van de stroom steeg nu één klank, één zindering – “AUM” : de voltooiing.

 

Tot volgende week!

 

Anker Tong

Advertenties