47 – Omgekeerd Blozen

 

Het Meisje

door Iris Nachtegaal

 

Sammy woonde op loopafstand van de school.
Die lag aan de andere kant van het driehoekige huizenblok.
Links of rechts – wat is de kortste weg?.
Iedere straat was een andere belevenis een ander lot.
Een ander gevoel om mee naar school te stappen.
De officiële heldere weg, langs de straat van de opkomende en ondergaande zon.
De bloeiende Japanse kerselaars in het late septemberlicht.
Of de donkere weg, onder de schaduwen van hoge huizen, langs de achterstraat.
Twee wegen die naar hetzelfde leiden. Naar dezelfde school.

Even een wisselend van het lot.

Op een dag sprong er een meisje recht voor zijn voeten.
Zij had in huis een aanloop genomen en sprong uit de deuropening precies op dat moment waarop Sammy langs kwam.
Ze keek hem aan en bloosde.

Sammy vergat haar nooit.

Telkens wanneer hij haar huis naderde verwachtte hij haar.
Langs haar huis lopen werd een avontuur.
Zou de deur weer opengaan?
Is zij het die ginds ver loopt? Of daar over het plein?
Wanneer hij haar zag dan verkrampte heel zijn lichaam en zijn ademhaling werd kort en snel, en iedere vrije beweging werd hem onmogelijk.

Sammy had angst.
Steeds angst voor alles en iedereen.
Angst voor harde geluiden, angst voor woorden, angst voor anderen.

Hij voelde zich een vlek in het propere rustige huisgezin van zijn oom.
In dat nette nieuwe huis waar stil werd gesproken.
Waar oma op kousevoeten liep om het nieuwe parket.
Waar de kleine meisjes in hun witte kleedjes door de zondag huppelden.

De vlek kwam mee op bezoek.
Zat zich neer.
Zweeg.
Luisterde, nam in zich op.
Keek tv.
Hoorde gesprekken waarvan hij geen woord kon onthouden – die zijn gedachten na enkele seconden reeds deden afdwalen.
Naar waar?
Naar haar?
Naar hun ontmoeting.
Hun echte ontmoeting.

naar hun eerste echte ontmoeting.
Hij zou haar aanspreken.
Ooit zou hij dat doen.
Hij zou dan direct zijn.
Om dat hij niet wist hoe het anders kon.
Zij zou hem vriendelijk toekijken met een glimlach vol mysterie.

Zij zouden samen wandelen, in het gras liggen, in de zon tijdens de vakantie.
Hij zou haar kunnen spreken over al die dingen waarvan hij hield, dingen waarover hij het met niemand kon hebben, die duizenden verhalen die in hem dwarrelden  – en zij zou met glinsterende ogen luisteren.
Over zijn muziek, zou hij haar spreken, en zijn stem zou klinken, met kracht klinken, wanneer zij zijn toehoorster werd.
Wat zou ze zeggen?
Haar opslaande blik, haar diepe donkere rustige ogen.
Haar bleke gelaat.
Haar gebogen rustende houding.
Haar stille zwijgen.
Onder de hitte van de zomerse middag, het felle jonge groen van het gras en het lover en de zinderende ruimte.
De dorst, het flesje vruchtensap dat koel bleef in een waterpunt.
De geluiden van krekels en van vogels die er zou er nooit zouden zijn.
En hij zou naar haar luisteren, haar zacht tegen zich aandrukken.
Haar zoenen, traag maar zonder aarzeling en zonder de storende anderen.

 

Maar die eerste kus kwam er nooit.
Dat verlangde woord kwam nooit – nooit die aanraking.

Het bleef bij enkele ontvluchte blikken.
Het meisje passeerde hem en hij keek haar na.
Bijna dag na dag.

Hij zorgde er voor op een straathoek bij de school te wachten vanwaar hij haar kon zien.
Meestal waren er ook nog enkele jongens die daar bij hem bleven wachten op het moment waarop de schoolpoort zou opengaan.
De prefect stapte langs: “Waarom wachten jullie hier wanneer de schoolpoort daar is!” zei hij, naar het hek wijzend.

Sammy besefte dat voor alles een uitleg diende te worden gegeven aan volwassenen.
Dat er geen vorm van vrijheid bestond, ook niet een subtiele onschuldige.
Je diende steeds in de pas te lopen.

Stijf in het stramien te staan.

Lopen werd een sportprestatie.

Gaan werd marcheren.

Een spel diende volgens de regels te worden gespeeld.

Je aanwezigheid diende verantwoord te worden.

Zij passeerde – hij keek.
Zij keek weg, of keek zij hem even aan?
Zij wist dat zij bekeken werd.

Maar op een keer stak ze de straat over.
Zij passeerde hem vlakbij en keek hem aan.
Bijna uitdagend, of vragend.
Hij wist het zeker dat ze ook van hem hield.
Maar hij keek weg, of grijnsde?
Zij ging voorbij en scheen binnensmonds te zuchten – misschien te vloeken?

Hij kon niet.
Hij kon dat niet wat hij het sterkste verlangde.

Het was Sammy onmogelijk om maar één eenvoudig woord of een vriendelijke groet te richten aan die ene persoon die hij zo graag zag.
Die ene persoon waar al zijn gedachten naar gericht waren van af het moment waarop hij ontwaakte.
want iedere morgen was zij zijn eerste gedachte: zij! zij! zij!

Het moment waarop hij haar verwachtte werd alles boeiend – kreeg de wereld  haar kleuren terug. Werd zijn bestaan opnieuw spannend.
Maar nooit kon hij om de ijzeren macht heen die hem telkens weerhield.

Hij had geen stem, geen woorden.
Er bestonden geen woorden.
Er was niets in hem, dat hem kon doen beseffen, dat hij iemand kon zijn voor iemand anders.

Hij was een omhulsel waarvan hij zelf de inhoud niet kende.
Een inhoud die niemand ooit had gezien, of die verborgen diende te worden.
Die nietig en vuil en onbenullig was.
Een wezen dat het recht niet had om te leven of te ademen.

Hij kon zich voordoen, hij kon zich een schijn geven.
Hij kon even een rol spelen, zoals een acteur dat had gekund.
Zijn gelaat in een grimas vertrekken.

Zoals zijn ouders hem voortdurend bestempelden – een sukkel, iemand waar niemand iets in kon zien – die arm, angstig en zielig was, steeds op mislukkingen afstevende, die steeds laf wegvluchtte,

 

vader en moeder:

“Wat zal je zijn zonder ons?”

“Wat zal je in de wereld gaan doen zonder ons?”

“Wat zal je gaan doen wanneer wij er niet meer zijn?”

 

Het was alsof Sammy zich niet van het vuil kon ontdoen dat zijn poriën doordrong.
Hij voelde zich smerig zweterig en stinkend.
Een schande voor zo’n reus van een vader, en een zorgende moeder.

Het was allemaal zijn schuld!

 

“Neen… deze keer komt zij niet meer naar hem toe.
zij komt naar de deur die vlak bij hem opengaat en ze wil naar binnen, maar even lijkt het of ze wel naar hem komt en of dat…

Hij kijkt nu strak voor zich uit.
Tegelijk zichzelf vervloekend, maar er komt niet één woord.
Zelfs geen vriendelijke blik.
Zijn geest is verlamd.
Hij is de afwezige aanwezige.
Hij is nergens. Hier niet, nergens.

Hij is een wolk,
Een hark,

Een vogelschrik stram in de wind.
Zo iemand wil niemand bij zich.
Zeker geen vrouw niet of een meisje!”

Hij wil enkel nog kijken, niet zijn, niet spreken, dit zwevende wezen…”

Sammy kon haar nooit vergeten.
Tijdens het naar huis lopen kon hij niet anders dan aan haar denken.
En hoe hij uit zijn geslotenheid kon losbreken.
Dat hij weer tegen die muur opbotste die als een lomp obstakel in hem was opgetrokken.
Vastzitten.
Blockage.
Dat zijn stembanden waren uit zijn keel verdwenen.
Dat zijn mimiek was verstard.

Dat hij niet in staat was, en dat niet in staat kon zijn.

Misschien had zij iets willen zeggen of vragen (was dat haast gebeurt?) dan had hij stram, misschien wel kortaf geweest geweest. Kil afstandelijk – Het omgekeerde blozen.
In gebreke blijven, zelfverwijt, onzekerheid, zich slecht wanen,
Zichzelf als fout.
als vlek, iets vettig dat door anderen slechts geduld werd.

Iets dat steeds maar verbeterd diende te worden of opgeruimd!

Wanneer het zweeg en zich gedroeg als een schaduw.
Zijn eigen stroeve schaduw die hij ooit kon ontkomen.

Advertenties