32 – De Grote Vakantie

De grote vakantie

Door Iris Nachtegaal

Het was vakantie.
Sammy en Ruddy lagen nog in hun bedje.
Ze hoorden beide ouders zich klaarmaken om te vertrekken naar het werk.

Ze waren gewend aan het schelden en schreeuwen dat daarmee gepaard ging.
De voordeur sloeg dicht met een harde klap en er viel dan een stilte in het huis.
Een stilte die even later verbroken werd door het geratel van een zware sleutel in het sleutelgat.
Oma’s zwarte schoenen met dikke hakken galmden door de gang.
Deuren kriepten.  Geluiden stegen uit de keuken.
Het ontbijt  voor de broertjes werd klaargezet.
Ze riep van bedeneden af – Opstaan!
Maar daar werd niet direct een gevolg aan gegeven , de zware zwarte schoenen bonkten met tussenpausen op de houden trap.
Grootmoeder inspecteerde het huis van haar dochter.
Waarover ze haar bevindingen gaf.
Het was alsof ze zichzelf toesprak. Stil maar hoorbaar genoeg voor de kinderen.
-“Maar ziet dat hier liggen!, Al die rommel in huis! -en vuil! ik moet dat kind pardonneren! Dat kind wordt zot! Maar toch! Ziet dat hier nu een keer liggen!”
De broertjes klommen uit bed en kregen ontbijt met Ovomaltine en brood besmeerd met Kwatta. En soms een zacht gekookt eitje waar ze reepjes brood insopten.
Oma zweeg geen moment.
Niemand kan zich nog herinneren wat zo allemaal zei.

Dan ratelde de trapauto met Sammy en Ruddy naar het huis van de grootouders.
Opa was nog niet daar. Die deed zijn ochtendwandeling, met zijn krant in zijn jaszak.
Het middageten had tijd nodig en terwijl renden de jongens door de tuin.
De witgekalkte muren van de stadstuin met de perenbomen, het kot, de plisplanten, de ortensia, de schildpad en de hommels en de wespen die rond het kerstenkruid zwermden.

Vliegende dieren.
Vrije dieren.
Vogels en vliegende insecten.

Sammy wilde ze vangen. Vooral de hommels en de wespen.
Daarvoor gebruikte hij de lege sigarenkisten van grootvader.
Hij sloop behoedzaam naar een wesp op het kerstenkruid. Opende de doos rond het lila-achtige bloempje – en klapte ze dicht.
Daarna luisterde hij gespannen naar het zoemen in de doos.
Maar de doos sloot niet goed genoeg doordat er een stukje stengel tussen was geraakt.
De wesp was naar buiten gekropen en stak Sammy in de handpalm. Schreeuwend liep hij naar grootmoeder, die olie aan het rood opzwellende handje deed.

Metalen sigarenkistjes dienden  hier hun doel het beste. Metalen dozen sneden de stengels af en sloten beter, dan houten.
Sammy en Ruddy dachten ook een bijenkorf te kunnen opzetten met de gevangen insecten.
Maar het waren nooit echt bijen.

Hommels staken minder agressief dan wespen en waren dus gemakkelijker te pakken maar minder leuk. Kleine ter plaatse vliegende wespjes  -helikoptertjes- genoemd staken nooit en waren het minst verdienstelijk om te vangen.

 

 

Advertenties