22 – De Windpokken

God en de windpokken

Door Iris Nachtegaal

Sammy werd ziek aan het einde van het schooljaar.
Hij was over heel het lichaam gepokt met korsten en rode vlekken.

Kinderen liepen van hem weg wanneer ze hem zo zagen.
En zijn broertje sliep niet meer in dezelfde kamer.

Sammy ontwaakte tussen muren overwoekerd met bloederige korsten die als schimmel groeide over de vloer van zijn kamertje en over het speelgoed. Onstuitbaar.
De dokter had zich vergist.
Zijn ziekte was een gewas dat alles doorgroeide en verslond.

Maar rond de middag daalde de koorts.
Dan klom hij uit zijn bedje en nestelde zich beneden in het salonnetje.

Door de gordijnen keek hij naar het stationsplein.

Het zonlicht had de bedrijvigheid van de vroege ochtend opgelost.
Een brouwer leverde vaten aan het café aan de overkant.

De metalen vaten rolden ratelend over de richels en daverden de kelder in. Grofgeschoeide knechten rolden dofbonzende tonnen naar binnen en bengden holle tonnen weer op de wagen.

Stemmen schoten kort door de kille lucht.
Een dieselvrachtwagen kreunde om de hoek.

Hij was alleen in huis.
Hij zat met gekruiste benen in de grote zetel.
En keek naar het salontafeltje met medicijnen en het lege glas waar net een tablet in had gebruist. Het poeder kleefde nog aan de rand.

Dan viel alles stil.

Voor hem verstomde de wereld in naakte blankheid.
Eén denkbeeld drong toen krachtig tot hem door:

-God bestaat niet, het leven heeft enkel zichzelf tot doel –

dat dacht hij toen hij 14 was.

Hij had zijn overtuiging gevonden waaraan hij zijn leven lang zou vasthouden.

Advertenties