15 – De Jager

1,

Grootvader leerde mij sporen lezen.

Wanneer we gingen wandelen leerde hij me telkens letten op allerlei tekens:
aangevreten bladeren, gebroken takjes, uitwerpselen…
– Ze vormen telkens een spoor dat je onmiskenbaar zal leiden naar een bepaald dier – indien je ze juist hebt leren interpreteren.
Van zodra je een spoor gevonden hebt laat het je niet meer los.
Je ziet dan het dier voor je geestesoog – alsof het reeds daar voor jou staat.
– Je voelt niet wanneer wanneer je iets op het spoort bent – je bent daar zeker van.
De jager weet zeer goed aan wat hij zich mag verwachten. Zelfs de gestalte, de leeftijd van het beest, zijn gewicht – Dat beeld tekent zich duidelijker en duidelijker af naarmate hij verder in de sporen volgt..

In het bos kon grootvader steeds aanwijzen welke richting je diende uit te gaan en welk dier precies je daar zou aantreffen.
– Het bos was voor hem een soort “menukaart” zou je mogen zeggen.

Geen Westerling gelooft dat.
Ik weet dat dit aan jullie Europeanen heel moeilijk uit te leggen is.
Wij hebben zo iets als “voeling met de aarde”.
Een begrip dat ik hier slechts moeizaam kan omschrijven.
Het is zeker niet te verwarren met de romantische voorstellingen die jullie daarvan maken.
Het bestaat uit een intuïtieve zekerheid – een buikgevoel zeg maar – dat je vertelt in welke richting er voedsel te vinden is.
Welke plaats je moet kiezen om een kampement op te slaan of je hut te bouwen of je gebedsplaats – of waar je een graf moet delven.

De geesten kiezen hun plaats – dat kan je niet van dingen zeggen.

Maar die oude kerken van jullie waarom zijn die opgericht daar waar zij nu staan?

Hoe kon men destijds bepalen waar dat diende te gebeuren?

Hoe werd een plaats gewijd? Gekozen? Door wie en waarom?

Misschien is het daarom dat ik mij zo tot kerken aangetrokken voel – al dat i niet kan zeggen dat ik gelovig ben…

Maar vandaag is dat helemaal verdwenen

Hier in Europa wordt nu alles geregeld door ruimtelijke ordening, of de wilde ideeën een projectontwikkelaar.
Vandaag heeft men zelfs niet het flauwste benul waarover ik hier beschrijf – en ik weet dat – maar onze jagers die kennen dat nog!
Niet die jagers hier die schietgraag en luidruchtig het wild tussen twee autostrades opjagen.
Maar mensen die ooit lang in de beslotenheid van de natuur hebben geleefd of daar zijn geboren en opgegroeid zijn – die weten dat ongetwijfeld.
Het “instinkt van de jager” zeg maar – heeft iets te maken met kennis, maar evenveel met intuïtie en je toch kan je niet zeggen of het nu ene is of het andere is…

 

Het gaat zo:
Je blik valt onwillekeurig op een afgebroken tak – het is dan alsof je ogen je wenken.
Eerst twijfel je – dan vraag je je af: Heb ik nu wel goed gekeken?
– Maar wanneer dan andere sporen aantreft die eerste indrukken bevestigen, dan weet je met zekerheid wat er is.
Een geoefend jager weet ook precies wat hij opspoort.
Hoe meer je dat doet des te beter weet je naar wat te kijken wat je mag verwachten.
Een jager begeeft zich niet naar zijn prooi – Hij wordt naar zijn prooi toe gedreven.

2,

Vader werkte bij de kolonisten.
Hij had nooit meer gejaagd in zijn volwassen leven.
Maar zijn vader – mijn grootvader – die was een groot jager.
En hij heeft veel daarvan naar mij overgebracht.

Niet dat we veel dieren hebben gedood, dat zeker niet!
Dat mocht toen trouwens niet meer van de kolonisten.
– Wat die dan weer met dieren deden was ons een raadsel.
Ze in kooien bewaren? Waar was dat goed voor?
Waarom een beest zijn vrijheid ontnemen als je het niet opeet?
Een dier opgesloten in een kooi lijkt wel een mens.

Wij leerden voor de natuur respect te hebben en haar te vrezen.
Wij leerden voor haar te zorgen. En we wisten dat je nooit het recht hebt van haar zonder grondige reden te nuttigen.

Wij hadden waardering voor de natuur maar op een heel andere manier dan de Engelsen.
Wij waren genadig met de dieren en namen van hen enkel dat waar we behoefte aan hadden.
Niet meer, maar ook niet minder.
En we vroegen telkens om vergiffenis aan het wilde zwijn alvorens we het opaten.
– We hadden daar trouwens een gebedje voor – ééntje nog van voor onze missietijd dat aan de kinderen werd geleerd, omdat het kort was en fijn rijmde en geheimzinnig fluisterend kon worden uitgesproken.

3,

Grootvader kon niet geloven dat er zo iets bestond als “vleesindustrie” daar walgde hij van!
– Bijna zo heftig als toen de missionaris die films in onze parochie had vertoond over de oorlogen in Europa en de concentratiekampen.
– Ik was toen erg jong en ik heb zelf die beelden nooit gezien – maar ik herinner mij heel goed hoe diep grootvader daarvan was aangedaan, hoe hem de tranen hem in de ogen stonden. Zo’n wanhoop had ik in zijn blik nooit eerder gezien…
– Grootvader geloofde dat de hel werkelijk bestond en in Europa lag.
Europa leek ons het continent van de onderwereld.
De hel, zoals die door de missionaris werd voorgehouden – waar de zondaars in het eeuwige vuur werden gedoopt – die verschrikkelijke beelden van gedrochtelijke muilen die zielen opslokken – Die hel had een plaats op aarde en die plaats heette Europa – Hij geloofde toen weer eventjes dat de kolonisten die demonen waren die uit de onderwereld kwamen teruggekomen.

Duitsers kende hij helemaal niet.
Die waren nooit tot onze streken doorgedrongen – zelfs niet tijdens die oorlog.
Waarschijnlijk is het ons geluk geweest dat we van de kust door een hogen bergketen en een jungle  waren afgesloten –

Bij ons waren de Engelsen maar in kleine getallen toegekomen – met mondjesmaat.
Grootvader vertelde herhaaldelijk over die eerste keer toen hij ze zag. Hij was toen zelf nog een kind wanneer enkele blanken voor het eerst in onze streken verschenen. De dorpelingen dachten dat zij zielen waren die uit de onderwereld waren teruggekomen.
– Ze zagen er bleek uit en afschuwelijk zoals je van lijken mag verwachten – één van ons herkende zelfs zijn overleden oom.

Maar toen het ons duidelijk werd dat dat niet zo was – dan vonden wij hen vooral grappig en interessant.
Gestreden is er nooit geweest.
In ons dorp is nooit één schot gelost geworden. Tenzij dat ene door die Engelsman, die het nodig vond de werking van zijn geweer op een varkentje te demonstreren.
– We dachten toen even dat hij de donder beheerste.
Waarschijnlijk was hij zelf angstig geworden. Maar wij zijn nooit echt bang voor hen geweest.
We onthaalden hen als mensen die verdwaald waren in de jungle en hulpbehoevend waren. We geven ze te eten en verzorgden de gewonden.   We lachten vooral veel met hun kinderlijke onwetendheid en onhandigheid – hoe zij zich soms aanstelden als voor dingen die bij ons heel normaal waren- terwijl ze zich tegenover  echt gevaarlijke dingen er onvoorzichtig konden zijn.
We haalden daar dikwijls ons voordeel uit. Vooral bij de antropologen die kwamen om ons te bestuderen – daar haalden we de meeste grappen mee uit- daar bestaan heel wat lollige verhalen over.

4,

Mijn vader had zijn jagersinstinct helemaal verloren.
Hij wou geld verdienen in het mijnbedrijf. Delven naar wat men toen de “zwarte diamant” noemde.  En waarnaar onze streek toe werd genoemd.  Ik zag vader iedere morgen vertrekken gekleed in een driedelig pak met lederen aktetas onder de arm en een bijzonder ernstige gelaatsuitdrukking.

Maar doordat ik veel met grootvader op stap kon gaan werd dat instinkt bij mij wel wakker gehouden.

Dat voel ik nu terug.
Vreemd genoeg bij het lezen van deze teksten van Sammy
– Het is alsof ik sinds lang weer een spoor kan ruiken!

Iets zegt de jager in mij om verder te gaan – de afdrukken te volgen – en hoe langer ik ze volg hoe duidelijker Sammy voor verschijnt.

Maar iets doet mij aarzelen want ik weet tevens – met even grote zekerheid – dat er iets onheilspellend, iets dreigend in het centrum van dit doolhof  wacht.
Iets waarvoor ik moet waarschuwen?
Iets donker als een dichte wolk die haar schaduw over het land legt.

Advertenties