14 – Het Doolhof

1,
Geen plaats kan zo gezellig zijn wanneer het te warm is in de stad dan een koele kerk.
Ik ben binnengegaan om even te kunnen rusten.
Vanuit een enorme koepel boven de klokvormige witte ruimte stroomt rijkelijk het licht.

In de missiepost in mijn thuisland leerden wij de betekenis kennen van die arme man, op balken gespijkerd, die we daar overal afgebeeld zagen.
Ik heb altijd medelijden met hem gehad – wat moet hij toch geleden hebben!

Het zonlicht straalt heftig door de open kerkpoort naar binnen.
Eén na één komen een lerares gevolgd door haar klas de kerk binnen.
De leerlingen gaan in een groepje om haar heen staan.
Zij geeft fluisterend uitleg terwijl wijzend naar de witte en zwarte tegels op de vloer.
Nu pas merk ik dat deze tegels een doolhof vormen – zo een beetje zoals die in de kathedraal van Chartres.
De pubers worden uitgenodigd het parcours te volgen.

Ieder op zijn manier begint dan te doen wat is opgedragen – de ene speels en springend, de andere mechanisch, de andere beschaamd, af en toe ingehouden giechelend, de ander weer alsof het een breakdance betrof – en de leerkracht volgt – bijna zoals het moet – volgt zij het tracé van het doolhof.

En ik denk:

Er zijn de voorgeschreven regels, de regie en de ervaring.
Hoe je iets doet, welke inhoud je aan iets geeft
Hoe sterk je een maatschappelijke rol eigen hebt gemaakt
Hoe goed je kan veinzen – of geleerd hebt van dat te doen.

En hoe het moet – van binnen naar buiten
en hoe het niét moet – “doen alsof”

Zouden we het doen als het voorgeschreven is?
Onze eigen passen zetten we zoals we die willen zetten – en kunnen.

Bestaat er een goddelijk punt waar alles op zijn plaats valt na de dood – vanwaar we al onze daden kunnen overzien?
Eén perspectief vanwaar we zouden mogen overschouwen hoe alles uiteindelijk in de plooi valt – Dat alles voor de eeuwigheid is, zoals het hoort te zijn…

2,
Tot voor de kolonisten bij ons toekwamen werd onze wereld beheerst door verschillende goden.
Dat was gemakkelijker om het kwaad een plaats te kunnen geven
– er was altijd wel een God in het spel die niet deugde waardoor alles weer misliep…
Maar sedert de kolonisten kwamen was het daarmee gedaan.
We kregen geneeskundige verzorging, een pater en missiezusters en oude Engelse films op zondag samen met één God.
Amen en uit was het met alle Andere.

Die goden zouden mij nu het gemakkelijker kunnen maken om te begrijpen wat ik hier lezend ontdek. Ik bedoel in die teksten van Sammy Vander Straet…

3,
De strijd van Goed tegen Kwaad.

Hoe zou één God dat kunnen toestaan?
Hij zou ook kunnen verlichten wat ik hier ontdek op één manier
– “één lezing, één interpretatie, één waarheid
Maar dat blijkt hier niet mogelijk
– je kan deze teksten op verschillende manieren lezen en bekijken.
Er lopen verschillende waarheden door elkaar, zoals hier nu de passen van deze leerlingen door dit doolhof.

Verschillende goden – zoals die waar mijn grootvader in geloofde niettegenstaande hij naar de mis ging op zondag.
– maar dat deed hij waarschijnlijk om de films die achteraf vertoond werden?

4,
De wereld had Sammy een plan voorgeschoteld waarin hij zich niet kon vinden.
De enige mogelijkheid die er voor hem bestond was deze de komedie mee te spelen.
Doen alsof – en dat zolang te rekken tot wanneer het gedaan was, tot het voorbij was, tot de bel ging en hij weer naar huis kon gaan.
Enkel alleen dan kon hij vreugde vinden.
Alleen kon hij zich vrij en veilig voelen, kon hij uitgebreid naar muziek luisteren of lezen.
Enkel daar waar hij de druk van anderen niet hoefde te voelen kon hij gelukkig en rustig zijn.

Maar anderen waren er steeds en overal.
Daar was geen ontkomen aan.
Dan werden de andere hem – en hij werd dan de andere.
Doordat hij en zij bepaald werden in ieder gesprek.
In ieder woord werd hij gewogen en geplaatst, met ieder doen dat door de anderen bekeken kon worden werd hij geïdentificeerd.

In ieder doen werd hij bepaald.

In ieder doen lag zijn identiteit.
In ieder doen openbaarde zich zijn wezen zoals het door de anderen werd gezien.
Vastgenageld. (zoals die man op dat kruis hier voor mij)

Iedere ontmoeting werd een definitie, een rol in een spel, een toegewezen taak, een stolp over zijn denkvermogen, een stem die zo hard krijste dat hij niet meer in staat was van te denken of naar zichzelf te luisteren, en enkel nog kon horen.

5,
De wereld is een gevangenis.
Iedereen is daarin de gevangene van iedereen.
Door de kijkende, loerende, bezwerende, foeterende anderen
de autoritaire anderen, de anderen die niet begrepen, niet voelden…

Die bevelen schreeuwden, oordeelden,
Die rechters waren.
Die alles van boven af volgden, hun eisen stelden, zegden hoe het moest, wanneer het moest en ook wanneer het diende te stoppen,…

…Onder de aandacht te zijn, beheerst en overheerst te worden.

Het liefst had Sammy gehad dat ze allemaal verdwenen.

Ik dacht soms aan dat zwart wit filmpje uit de jaren ’50 dat ik als kind had gezien in de cinema van de missiepost:
– Van die bankbediende die zich in de kluis tijdens de middagpauze had teruggetrokken om ongestoord te kunnen lezen terwijl buiten de alles, heel de wereld door een ramp werd weggemaaid.
Hij was de enige overlevende –
Er waren geen eigendom meer op aarde want alle eigenaars waren verdwenen.
Hij beschikte nu over alle goederen ter wereld en alle tijd en alle bibliotheken ter wereld met de duizenden en duizenden boeken die hij nu ongestoord kon lezen.

Maar voor Sammy was er steeds iets dat hem tegenhield.
– iets dat hem verhinderde van alleen en rustig te kunnen zijn –
een orde, een bevel, een oproep, een plicht.
Een stem die aan hem knaagde.

Alleen op de wereld.
De wereld van enkel dingen.
De wereld zonder wezens die plichten opeisen, kwellen, vernederden, uitlachen.

Het geliefde maanlandschap.
Verlaten tot ver achter de horizon.
Ongestoord slapen, en dromen,
Ongestoord ontwaken,
Ongestoord kijken en luisteren.
Ongestoord zijn.

Zich tot zijn eigen waarde verheffen, en alleen daar zijn om dat te doen.
Zich te kunnen concentreren op wat hij zelf wilde.
– Op wat enkel hij wilde…
Zonder storend gerucht om hem heen, zonder lawaai, zonder geblaat, gezwets of gekrijs van een stem.

Geen enkele andere stem dan de innerlijke, zijn innige gesprekspartner,
– Zijn eeuwige kameraad.
Wie was dat?
Van waar kwam deze stem vandaan?
Die aan de innerlijke telefoon – die luisterde.
Die hem steeds verstond…

Advertenties