4 – Het Interieur

De notaris had mij een oude zware sleutel meegegeven.
– Het slot hing half uit haar hengsels –
Maar daar hoefde ik mij geen zorgen over te maken had hij gezegd –
“Alles functioneert naar behoren – wel stevig duwen, want het is een erg zware deur!”

Inderdaad – ik kon ze net ver genoeg open wrikken om mij zijdelings naar binnen te wurmen.

– Och! Welke zin heeft het allemaal – mijn besluit staat al vast – hier wil ik nooit komen wonen – Maar ik wou mijn vrouw niet teleur stellen – dus ging ik verder kijken –

Ik bevond mij in een voorportaal.
– Rechts: een helder trappenhuis met fel blauwe vloertegels.
– en toen ik opkeek:
Een nis in de muur met daarin enkele roestige geweren.
(“Winchester” was nog leesbaar op één ervan.)

– Links: Een deur – daarachter een trap naar beneden – een souterrain?

Ik beklom een brede marmeren trap.
Betastte de leuning – werd de kilte van koper gewaar daar waar ik hout verwachtte.

Boven trof ik een interieur aan zoals ik die enkel uit oude Europese films kende – Hoge plafonds – een enorme goudomrande spiegel boven een zwart marmeren schoorsteenmantel – Zware kasten in een donkere houtsoort – met snijwerk waarin gebladerte, dieren, vruchten en jachttaferelen waren uitgebeeld.
– Een koperen kroonluchter met kristallen lampions en een pendule.
Te midden van een grote ronde eikenhouten tafel volgestouwd met velerlei voorwerpen.

Over dat alles lag een fijne bleke stoflaag die wolkig verstoof bij iedere beweging.
– Onder een dik tapijt kraakte een parket.
De geuren waren bijzonder maar moeilijk te beschrijven – hadden ze iets van kasha of rozen?

Ik ontdekte een kleine bibliotheek – verschillende schilderijen waarin ik enkel kleuren, strepen en vlekken kon onderscheiden.

Die veelvoud van voorwerpen die in iedere kamer opdoken begon meer en meer mijn aandacht op te slorpen – soms dingen waarvan ik de functie nauwelijks raden kon.

Ik werd nieuwsgieriger bij het openmaken van iedere deur.

Maar het onbehaaglijke gevoel van indringer te zijn overviel mij.
Ik was geen koper meer die een pand komt bezichtigen – maar een huisschender – een indringer – die rondspiedde.

Het was er stil.
Er hing die onwezenlijke dreiging die van verlaten huizen kan uitgaan.

Het pand benauwde mij.
Ik zocht mijn weg terug – liep de trap af – tastte in mijn jaszak naar de sleutel – stapte op de buitendeur af – greep de deurknop –
Maar toen ik die vast had werd ik iets gewaar dat mij tegenhield.